ECLI:NL:RBNHO:2026:7223

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
C/15/375884
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.17 AwbArt. 6:119 BWArt. 6:162 BWKaderrichtlijn afvalstoffen 2008/98EVOA (European Waste Shipment Regulation)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke verwijdering van dakleer opgeslagen bij Sagro met clausules en dwangsommen

Sagro vordert in kort geding dat Prefas en Caltech worden veroordeeld tot verwijdering van dakleer (Bitu-RM) dat bij Sagro in opslag ligt, omdat Sagro de ruimte nodig heeft. Prefas en Caltech voeren aan dat de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) het materiaal als afvalstof kwalificeert en een exportverbod geldt, waardoor verwijdering niet mogelijk is.

De rechtbank stelt vast dat Caltech eigenaar is van het materiaal en dat Prefas en Caltech tot verwijdering kunnen worden aangesproken. De voorzieningenrechter weegt de belangen en oordeelt dat het belang van Sagro bij onmiddellijke verwijdering niet prevaleert zolang er perspectief is op herziening van het ILT-standpunt, de huur wordt doorbetaald en Sagro onvoldoende inzicht geeft in de belemmering van haar bedrijfsvoering. De verwijdering wordt daarom voorwaardelijk toegewezen met een dwangsom.

De vorderingen van Prefas in reconventie, waaronder onverschuldigde betaling en schadevergoeding wegens vermeende vervuiling, worden afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid en ongeschiktheid voor kort geding. Sagro wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen jegens Oxygen Republic en een vierde partij wegens onvoldoende bewijs van een vennootschap onder firma.

De rechtbank veroordeelt Prefas en Caltech hoofdelijk in de proceskosten en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. De beslissing bevat clausules die Caltech en Prefas verplichten om Sagro regelmatig te informeren over de ILT-procedure, Sagro te machtigen tot communicatie met ILT, en de huur tijdig te betalen, onder dreiging van een dwangsom.

Uitkomst: De vordering tot verwijdering van het dakleer wordt voorwaardelijk toegewezen met clausules en dwangsommen, de reconventievorderingen worden afgewezen en Sagro wordt niet-ontvankelijk verklaard jegens Oxygen Republic en een vierde partij.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/375884 / KG ZA 26-136
Vonnis in kort geding van 17 juni 2026
in de zaak van
SAGRO AANNEMINGSMAATSCHAPPIJ ZEELAND BV,
te 's-Heerenhoek, gemeente Borsele,
eisende partij in conventie,
gedaagde partij in reconventie,
hierna te noemen: Sagro,
advocaat: mr. A.W. Hooijen,
tegen

1.PREFAS DELTA B.V.,

te Haarlem,
2.
CALTECH ENERGY CONSORTIUM B.V.,
te Haarlem,
3.
OXYGEN REPUBLIC B.V.,
te Haarlem,
4.
[gedaagde 4], een informele vennootschap onder firma,
te [plaats],
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna te noemen Prefas, Caltech, Oxygen Republic en [gedaagde 4] en samen te noemen: Prefas c.s.,
advocaat: mr. M. Straus.

1.De zaak in het kort

1.1.
Sagro vordert - naast betaling van openstaande facturen - dat Prefas c.s. onder verbeurte van een dwangsom worden veroordeeld om het materiaal (dakleer / Bitu-RM) dat bij Sagro in opslag ligt, weg te halen en af te voeren, omdat Sagro de ruimte zelf nodig heeft. Prefas c.s. voeren hier tegen aan dat dit niet kan worden toegewezen zolang de ILT het materiaal als afvalstof kwalificeert en er een exportverbod op het materiaal ligt.
1.2.
De voorzieningenrechter sluit aan bij de vaststelling dat Caltech eigenaar van het materiaal is, zodat Caltech tot verwijdering kan worden aangesproken. Afweging van de betrokken belangen brengt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat er geen grond is om het belang van Sagro bij verwijdering op korte termijn te laten prevaleren zolang er (voldoende) perspectief is dat ILT tot herziening van haar standpunt kan worden gebracht, de huur voor de opslag van het materiaal wordt doorbetaald en Sagro niet beter inzichtelijk maakt dat de aanwezigheid van het materiaal haar bedrijfsvoering onaanvaardbaar belemmert. De gevorderde verwijdering van het materiaal wordt daarom voorwaardelijk toegewezen. De vorderingen van Prefas in reconventie worden afgewezen. Voor wat betreft de vorderingen jegens Oxygen Republic en ‘[gedaagde 4]’ wordt Sagro niet ontvankelijk verklaard, omdat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een (informele) vof.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 29
- de nagekomen producties 14b en 30 van de kant van Sagro
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 15
- de aantekeningen in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie
- de pleitnota van Prefas c.s.
- de mondelinge behandeling van 7 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de aanhouding van de zaak tot 9 juni 2026
- het verzoek van Sagro van 1 juni 2026 om vonnis te bepalen.

3.De feiten

3.1.
Sagro biedt diensten en producten aan waaronder het voor klanten ontvangen, laden en lossen, en voor doorvoer opslaan van grondstoffen, afvalstoffen en bouwmaterialen.
3.2.
Prefas en Caltech houden zich bezig met de handel in grondstoffen en afvalstoffen.
3.3.
Oxygen Republic is (mede)aandeelhouder en -bestuurder van Caltech en medeaandeelhouder van Prefas.
3.4.
De feitelijk leidinggever van Prefas, tevens bestuurder van Oxygen Republic B.V., is in de communicatie met Sagro onder de naam ‘[gedaagde 4]’ naar buiten getreden.
3.5.
Op 22 november 2022 hebben Sagro en Caltech een samenwerkingsovereenkomst gesloten (hierna: de Caltech-overeenkomst). Op basis daarvan levert Caltech materialen, meer in het bijzonder 'oud dakleer/Bitu-RM' (hierna: Bitu-RM), aan bij Sagro en slaat Sagro dit materiaal op haar kades en in haar loodsen op tot aan transport en levering door Caltech aan haar klanten.
3.6.
Op het terrein van Sagro is een hoeveelheid Bitu-RM opgeslagen oorspronkelijk aangeleverd door Prefas en/of Caltech.
3.7.
In eerste instantie lag het Bitu-RM op 1.665 m2 open terrein (hierna: het terrein). Toen er in september 2025 behoefte was aan meer opslag- /overslagcapaciteit, hebben Sagro en Prefas/Caltech mondeling een huurovereenkomst gesloten op basis waarvan Bitu-RM werd opgeslagen in een 1.000 m² loods tegen een vergoeding van € 6,00 per m².
3.8.
Op 1 mei 2025 heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport (hierna: ILT) in een brief aan Sagro laten weten dat zij de Bitu-RM niet mag (laten) verplaatsen. De ILT schrijft onder meer:
Op 10 april en 1 mei 2025 heb ik, (…), werkzaam bij de Inspectie Leefomgeving en Transport, een controle uitgevoerd op de (…) te (…). Ik zag op uw terrein twee grote hopen met geschredderd dakleer liggen (zie bijlage voor foto's). De bedoeling is dat deze geschredderd dakleer geëxporteerd wordt.
Na onderzoek afkomst van deze geschredderd dakleer, is door de ILT besloten dat er inhoudelijk nader onderzoek plaats moet vinden. Voor dit onderzoek berusten wij ons op onze bevoegdheid uit artikel 5.17 van de Algemene Wet Bestuursrecht:
U mag deze twee hopen met geschredderd dakleer niet verplaatsen, laten verplaatsen of medewerking verlenen aan het verplaatsen, naar een ander locatie afvoeren of exporteren.
Als u niet voldoet aan het geen zoals hierboven genoemd zullen wij Bestuursrechtelijk en Strafrechtelijk optreden.
3.9.
Op 11 juni 2025 heeft Sagro per e-mail [gedaagde 4] gevraagd naar de voortgang van het onderzoek van de ILT en gezegd dat het Bitu-RM in de weg ligt. Zij heeft onder meer geschreven:
Vorige week sprak ik (…) nog telefonisch over de status van het bitu-rm dakleer versus ILnT, tot op heden hebben jullie nog niets gehoord over ILnT. De monsters door jullie genomen zijn geanalyseerd, graag ontvang ik hier de resultaten van. Hiernaast wil ik graag voortgang in het geheel.
Het materiaal gaat bij ons in de weg liggen voor andere spullen die er aan komen. Nemen jullie contact op met. ILnT wat nu verder de bedoeling is?
3.10.
In een email van 19 juni 2025 concludeert de ILT dat het materiaal aangemerkt dient te worden als afvalstof. Zij schrijft onder meer het volgende aan Prefas / Caltech:
Naar aanleiding van het ingestelde onderzoek en de door ons uitgevoerde monstername, komen wij tot de conclusie dat het materiaal aangemerkt dient te worden als afvalstof. Reden hiervoor is dat het Kiwa certificaat betrekking heeft op additieven voor de productie van asfalt en niet op alternatief brandstof (Bitucokes). Tevens blijkt uit de analyse resultaten die u ons heeft toe gestuurd, niet overeen komen met de analyse van het monster dat door ons is genomen. Dit betekent dat de EVOA regelgeving van toepassing is. (…) Indien u van mening bent dat het hier gaat om een secundaire grondstof, dient u bewijsstukken te overleggen conform artikel 50 lid Pro 4bis. Van de EVOA:
1. Omtrent de herkomst en de bestemming van die stoffen of voorwerpen, en
2. Waaruit blijkt dat het niet om afvalstoffen gaat, met inbegrip, waar nodig, van bewijs van de functionaliteit.
Voor einde afval wil ik u wijzen op artikel 6 van Pro de Kaderrichtlijn afvalstoffen 2008/98:
(…)
Indien u niet kunt voldoen aan bovengenoemde voorwaarden Einde Afval, wijs ik u naar de door ons verzonden brief van 1 mei 2025 naar Sagro “ophouden transport”.
3.11.
Op 2 juli 2025 heeft de ILT per e-mail toestemming gegeven om het Bitu-RM naar een van de loodsen te verplaatsen. Zij schrijft onder meer aan Prefas / Caltech:
Zoals we vanmorgen hebben besproken, kan ik onder een schriftelijke verklaring van Sagro akkoord gaan met het verplaatsen van de geschredderd (teerhoudend) dakleer Bitu-RM naar een van de loodsen binnen het terrein van Sagro aan de Estlandweg 6 te Nieuwdorp. Graag ontvang ik van het verplaatsen foto’s.
Vervolgens Stuur ik u onze analyse resultaten van de monstername die door onze meet en monstername team is uitgevoerd.
3.12.
Sagro heeft begin juli 2025 het Bitu-RM verplaatst van het terrein naar een loods.
3.13.
Op 11 juli 2025 heeft Caltech aan de ILT aanvullende informatie gestuurd over het bij Sagro opgeslagen materiaal. Ook heeft zij in een bijlage achtergrondinformatie gegeven over haar activiteiten en vermeld dat zij in gesprek is met een partij in Latijns Amerika over de levering van haar product, los van de voorraad die momenteel bij Sagro al voor hen is gereserveerd.
3.14.
Prefas/Caltech hebben op 14 juli 2025 een bespreking met de ILT gehad.
3.15.
Bij brief van 15 oktober 2025 heeft de ILT aan Caltech bevestigd dat het materiaal aangemerkt blijft als afvalstof en bovendien als gevaarlijk afval vanwege het gehalte aan benzo[a]pyreen. Zij verleent geen voorafgaande instemming voor uitvoer naar Senegal en Honduras. Het staat Caltech volgens haar vrij om tegen dit handhavingsbesluit bezwaar te maken, zodat rechterlijke toetsing mogelijk is. De ILT heeft het voornemen uitgesproken om een last onder dwangsom op te leggen van € 150,00 per ton afvalstoffen met een maximum van € 100.000,00 voor overtreding van het verbod om afvalstoffen te exporteren naar landen waarvoor een exportverbod geldt.
3.16.
Op 8 januari 2026 heeft Prefas per e-mail aan Sagro geschreven dat zij een EVOA (European Waste Shipment Regulation) procedure opstart (lees: bezwaar maakt tegen het handhavingsbesluit van de ILT) voor 6KT Bitu-RM en dat de loods circa in maart (2026) leeggemaakt zal worden.
3.17.
Sagro heeft de huur voor het terrein en een loods voor april tot en met december 2025 aan Prefas in rekening gebracht voor een totaalbedrag van € 91.280,39. Voor de huur van het terrein en twee loodsen heeft Sagro januari tot en met maart 2026 voor in totaal € 72.293,70 aan Prefas en Caltech in rekening gebracht.
3.18.
De huur is vanaf in elk geval vanaf oktober 2025 onbetaald gebleven.
3.19.
Sagro heeft werkzaamheden (zeven en verplaatsen materiaal) aan Prefas in rekening gebracht. Twee facturen van in totaal € 115.355,71 zijn onbetaald gebleven.
3.20.
Prefas heeft op grond van de Prefas-overeenkomst een bedrag van € 179.094,80 aan handlingwerkzaamheden vooruitbetaald gebaseerd op 22.000 ton Bitu-RM.
3.21.
Op 20 februari 2026 heeft Prefas onder meer gereageerd op een sommatie van Sagro om opgeslagen materiaal weg te halen. Prefas wijst op het verbod van de ILT ten aanzien van het (laten) verplaatsen, afvoeren of exporteren van het betreffende Bitu-RM en laat weten dat als zij niet aan die last voldoet, zij een dwangsom van € 150,- per ton afvalstoffen verbeurt met een maximum van € 100.000,00. Volgens Prefas is het verzoek van Sagro feitelijk en juridisch onmogelijk en is er sprake van overmacht. In dat kader schrijft Prefas:
Verder wij hebben u niet verzocht het materieel te verplaatsen en er is dan ook geen bedrag verschuldigd. Er is ook niet verzocht aanpassingen of wijzigingen aan te brengen. Sagro heeft geen opdracht ontvangen en ook die vorderingen hebben geen grondslag. Door het verplaatsen van het materieel zijn reeds dwangsommen verschuldigd en dat houdt rechtstreeks verband met deze onwettige handelingen die willens en wetens worden verricht. Dit is schade die wij direct bij Sagro zullen vorderen en op Sagro zullen verhalen.
3.22.
Prefas heeft er in haar reactie van 20 februari 2026 over door Sagro aangekondigde prijsverhoging op gewezen dat een huurprijs van maximaal EUR 6.000,00 per maand is overeengekomen en dat er geen grondslag bestaat voor een eenzijdige huurprijs verhoging naar EUR 10.000,00 per maand.
3.23.
Sagro heeft diezelfde dag Caltech / Prefas in gebreke gesteld en onder meer verzocht om i) uiterlijk 24 februari 2026 een concreet, uitvoerbaar plan van aanpak te overleggen (incl. tijdlijn) voor het weghalen/afvoeren dan wel het verplaatsen van het vervuilde Bitu-RM, met alle benodigde vergunningen, EVOA/CE-trajecten en afstemming met ILT, en ii) uiterlijk 27 februari 2026 alle openstaande en vervallen facturen en de doorlopende gebruiksvergoeding te betalen totdat de locatie volledig is vrijgegeven.
3.24.
Op 27 februari 2026 heeft Sagro een laatste sommatie aan Caltech gestuurd met 3 maart 2026 als uiterste datum om aan haar verzoeken te voldoen. Hieraan is tot op heden niet voldaan.
3.25.
De bezwaarprocedure van Prefas en/of Caltech tegen het handhavingsbesluit van de ILT loopt nog.
3.26.
Prefas en/of Caltech hebben na de mondelinge behandeling van deze procedure € 101.732,74 aan Sagro betaald.

4.Het geschil in conventie

4.1.
Sagro vordert – samengevat – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. Prefas, Caltech, Oyxgen Republic en [gedaagde 4] (subsidiair Prefas en Caltech en nog meer subsidiair Prefas), ieder voor zich en gezamenlijk (hoofdelijk) te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Sagro te betalen:
a) een bedrag van € 91.280,39 (Facturen Huur 2025);
b) een bedrag van € 72.293,70 (Facturen Huur 2026);
c) een bedrag van € 115.355,71 (Facturen Werkzaamheden),
dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, te
vermeerderen met de wettelijke handelsrente gerekend vanaf de dag van verschuldigdheid tot de dag van algehele voldoening.
2. Prefas, Caltech, Oxygen Republic en [gedaagde 4] (subsidiair Prefas en Caltech en nog meer subsidiair Prefas), ieder voor zich en gezamenlijk (hoofdelijk) te bevelen om:
a) binnen 24 uur na dagtekening van het te wijzen vonnis, Sagro (met afschrift aan haar advocaat) schriftelijk te informeren over alle noodzakelijke stappen welke zij heeft genomen voor het weghalen en afvoeren van het bij Sago aanwezige materiaal (dakleer), inclusief maar niet beperkt tot het aanvragen bij het ILT van de hiervoor vereiste toestemming;
b) binnen 7 dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis, daadwerkelijk weghalen en afvoeren van het bij Sagro aanwezige materiaal (dakleer).
3. Prefas, Caltech, Oyxgen Republic en [gedaagde 4] (subsidiair Prefas en Caltech en nog meer subsidiair Prefas), ieder voor zich en gezamenlijk (hoofdelijk) te veroordelen tot het betalen van een dwangsom van € 50.000,00 per dag voor iedere dag dat Prefas, Caltech, Oyxgen Republic en [gedaagde 4], ieder voor zich en gezamenlijk (hoofdelijk), niet voldoen aan het onder 2. gevorderde, met een maximum van € 2.000.000,00.
4. Prefas, Caltech, Oyxgen Republic en [gedaagde 4] (subsidiair Prefas en Caltech en nog meer subsidiair Prefas), ieder voor zich en gezamenlijk (hoofdelijk) te veroordelen in de kosten en de nakosten van deze procedure, onder bepaling dat Sagro de wettelijke handelsrente over de proceskosten verschuldigd wordt indien deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, althans na de dag van betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, zijn betaald.
4.2.
Sagro legt aan de vordering ten grondslag dat tussen Sagro en Caltech respectievelijk Prefas een overeenkomst is aangegaan op basis waarvan Caltech / Prefas het bij Sagro opgeslagen Bitu-RM zouden verkopen en ophalen voor transport naar- en levering aan hun klanten. Zowel Prefas als Caltech hebben materiaal geleverd dat Sagro heeft opgeslagen. Op een deel van het terrein ligt 10.000 ton materiaal, terwijl Sagro dit terrein op korte termijn nodig heeft voor het stallen en slopen van een aantal olieplatforms. Prefas en/of Caltech moet zich maximaal inspannen om een EVOA-vergunning te verkrijgen om het materiaal op de kortst mogelijke termijn te verwijderen, aldus Sagro. Prefas heeft daarnaast bepaalde facturen voor de huur van het terrein en de loods tot en met eind december 2025 onbetaald gelaten. De facturen voor januari tot en met maart 2026 zijn ook onbetaald gebleven, evenals de facturen voor aanvullende werkzaamheden van Sagro.
4.3.
Prefas c.s. voeren verweer. Prefas c.s. concluderen tot afwijzing van de vorderingen van Sagro, dan wel Sagro niet-ontvankelijk te verklaren, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Sagro in de kosten van deze procedure, inclusief de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten indien Sagro niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis tot betaling overgaat. Prefas c.s. verzoeken een ten nadele van hen te wijzen vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren zolang in de bodemprocedure geen vonnis is gewezen. Prefas c.s. verzoeken ook Sagro te veroordelen in de volledige kosten van juridische bijstand verband houdende met het verweer van Oxygen Republic B.V. en [gedaagde 4] Holding B.V., nader op te maken bij staat.
4.4.
Prefas c.s. voeren – samengevat – aan dat Caltech, Oxygen Republic en [gedaagde 4] niet naast Prefas aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de beweerdelijk openstaande huurvorderingen. Zij betwisten dat sprake is van een (informele) vennootschap onder firma. Daarnaast is Prefas niet tekortgeschoten in de betaling van huurfacturen, omdat de facturen niet overeenkomen met de overeengekomen huurprijs. Prefas wil in een bodemprocedure nader bewijs leveren over de afspraken over de maximale huurprijs. Ook wil zij een beroep op onvoorziene omstandigheden doen en om een wijziging van de gemaakte afspraken over de huurprijs verzoeken. Daarnaast beroept Prefas zich op verrekening met haar vordering in reconventie bij toewijzing van de huurvordering.
De facturen voor de werkzaamheden zijn ook niet verschuldigd, omdat Prefas daar geen opdracht voor heeft gegeven. Daarnaast is al een bedrag van € 79.134,00 voor werkzaamheden betaald. Prefas beroept zich bovendien op verrekening met haar schade doordat Sagro het Bitu-RM heeft verplaatst en het materiaal vervuild is geraakt en met het vooruitbetaalde bedrag dat – door de vervuiling – gecrediteerd moet worden. Beoordeling van verschuldigdheid van de facturen voor de werkzaamheden is ook niet geschikt voor kort geding. Voor alle geldvorderingen beroept Prefas zich ook op overmacht, omdat Prefas door het besluit van de ILT niet kan nakomen en haar betalingsverplichting heeft opgeschort. Gelet op dat besluit is de verwijderingsvordering evenmin toewijsbaar, aldus Prefas c.s. Daarnaast betwisten Prefas c.s. de spoedeisendheid, omdat Sagro de noodzaak om het terrein vrij te maken onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, de overeenkomst met Caltech tot september 2027 is aangegaan en niet is ontbonden. Voor de betalingsvorderingen bestaat bovendien geen financiële noodzaak, aldus nog steeds Prefas c.s.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Het geschil in reconventie
4.6.
Prefas vordert – samengevat – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. Sagro te veroordelen tot betaling aan Prefas van € 94.960,80 inclusief BTW wegens onverschuldigde betaling van handlingvergoedingen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de respectievelijke data van betaling tot de dag van algehele voldoening;
II. Sagro te gebieden de handlingswerkzaamheden in verband met 10.000 Bitu-RM te crediteren voor een bedrag van € 79.134,00 en dit bedrag aan Prefas te restitueren, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de respectievelijke data van betaling tot de dag van algehele voldoening;
III. Sagro te veroordelen tot betaling aan Prefas van een bedrag van € 30.000,00 wegens schade als gevolg van de vervuiling van 10.000 ton Bitu-RM, zo nodig te vermeerderen met een voorschot op schade van € 30.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de schadeveroorzakende handeling tot de dag van algehele voldoening;
IV. Sagro te veroordelen in de kosten van de reconventie, inclusief de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten indien Sagro niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis tot betaling overgaat;
V. Sagro te veroordelen in de volledige kosten van juridische bijstand verband houdende met de eis in reconventie van Oxygen Republic B.V. en [gedaagde 4] Holding B.V., nader op te maken bij staat.
4.7.
Prefas legt aan de vordering ten grondslag dat zij een vooruitbetaling voor handlingswerkzaamheden heeft gedaan van € 174.094,80, maar dat voor 12.000 van de 22.000 ton Bitu-RM nog geen werkzaamheden zijn verricht, zodat de handlingsvergoeding voor dat deel onverschuldigd is betaald. Daarnaast heeft Sagro het Bitu-RM zonder toestemming of overleg verplaatst, waardoor het met betonstukken en metaalresten vervuild is geraakt. De aan een derde geleverde 10.000 ton was zo ernstig vervuild, dat deze dit moest schoonmaken om het geschikt te maken voor haar installaties. Prefas heeft € 30.000 aan de derde vergoed. Sagro dient dit aan Prefas te vergoeden. Sagro heeft de werkzaamheden bovendien ondeugdelijk verricht, zodat zij op grond van haar algemene voorwaarden de factuur voor de 10.000 ton moet crediteren. Er bestaat, zo is het sterke vermoeden, ook aanvullende schade aan de nog op het terrein resterende 12.000 ton Bitu-RM, zodat ook om die reden de voor dat deel beweerdelijk verrichte werkzaamheden moeten worden gecrediteerd.
4.8.
Sagro voert verweer. Sagro concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Prefas met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde 4] in de kosten van de procedure.
4.9.
Sagro voert aan dat Prefas de handlingsvergoeding op grond van de Prefas-overeenkomst is verschuldigd bij de aflevering van het materiaal bij Sagro en niet pas bij verscheping. Omdat 22.000 ton Bitu-RM is ingekomen en aangevoerd, is het betreffende bedrag verschuldigd. Daarnaast heeft Sagro werkzaamheden verricht voor de volledig aangevoerde hoeveelheid, waaronder het wegen en laden van het product en intern vervoeren. Alleen de export werkzaamheden zijn voor de nog aanwezige 12.000 ton niet uitgevoerd. Bovendien is sprake van schuldeisersverzuim. Sagro kan de export werkzaamheden niet verrichten, omdat Prefas tekortschiet in de nakoming van haar verplichtingen. De vordering tot terugbetaling van een bedrag van € 94.960,80 moet daarom worden afgewezen. Sagro betwist dat zij verantwoordelijk is voor de aanwezige vervuiling in de 10.000 ton van het materiaal dat is uitgevoerd. Prefas en Caltech hebben het materiaal op het terrein van Sagro gestort en Sagro heeft dit op geen enkele manier gemengd of verontreinigd. De door de afnemende partij genoemde verontreiniging met ‘large rocks, pieces of metal, pieces of tarps, etc.’ kan niet op het terrein in het materiaal zijn gekomen. Sagro betwist ook de echtheid van de brief van die partij. Uit de overgelegde stukken blijkt ook niet dat er daadwerkelijk schade is geleden of dat een schadebedrag is betaald. De stukken zijn bovendien van- of gericht aan Caltech/ [gedaagde 4]. Als er al schade is geleden, dan werd die niet door Prefas geleden. Zowel de vordering van het schadebedrag als creditering en terugbetaling van de handlingskosten voor de verscheepte 10.000 ton moet worden afgewezen, aldus Sagro. De vordering van Oxygen Republic en [gedaagde 4] Holding B.V. tot integrale proceskostenveroordeling moet worden afgewezen, omdat geen sprake is van misbruik van procesrecht. [gedaagde 4] Holding B.V. is bovendien geen partij in deze procedure. Oxygen Republic is terecht in de procedure betrokken, omdat zij met Prefas en Caltech aan het economisch verkeer deelneemt onder de naam ‘[gedaagde 4]’. Bovendien wordt Oxygen Republic vertegenwoordigd door dezelfde advocaat als Prefas en Caltech en heeft zij dus geen kosten in deze procedure gemaakt, aldus nog steeds Sagro.
4.10.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

in conventie en reconventie
Geldvordering in kort geding
5.1.
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De voorzieningenrechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de voorzieningenrechter mede betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.
Spoedeisend belang
5.2.
Tussen partijen is sprake van een conflict over bij Sagro opgeslagen materiaal dat volgens de ILT aangemerkt wordt als afvalstof en niet mag worden geëxporteerd. Sagro stelt dat zij forse schade lijdt als het materiaal niet op korte termijn verwijderd wordt, omdat zij het terrein en de loods binnen enkele weken nodig heeft voor berging, opslag en sloop van diverse olie-platformen. Het besluit van de ILT heeft geleid tot een impasse tussen partijen. Hiermee is het spoedeisend belang gegeven, ook voor de daarmee verband houdende vorderingen wegens openstaande facturen. Omdat de reconventie voortvloeit uit de conventie is het spoedeisend belang van de vorderingen in reconventie eveneens gegeven.
in conventie
Ontvankelijkheid jegens Caltech, Oxygen Republic en [gedaagde 4]
5.3.
Sagro baseert de aansprakelijkheid van Prefas c.s. primair op de stelling dat Prefas, Caltech en Oxygen Republic onder de naam ‘[gedaagde 4]’ een (informele) vennootschap onder firma (hierna: vof) zouden vormen. Prefas c.s. betwisten dat.
5.4.
Vast staat dat er op grond van de Caltech-overeenkomst en de Prefas-overeenkomst een contractuele relatie bestaat tussen enerzijds Sagro en Caltech en anderzijds Sagro en Prefas. Ook staat vast dat Caltech en Prefas Bitu-RM hebben aangeleverd dat Sagro voor hen heeft opgeslagen en heeft gefactureerd aan Prefas respectievelijk aan Prefas/Caltech.
5.5.
Prefas c.s. voeren aan dat geen sprake is van een vof tussen Caltech, Prefas en Oxygen Republic. Voor het bestaan van een vof moeten volgens Prefas c.s. de vennoten zijn overeengekomen een bedrijf te zullen uitoefenen op voet van gelijkheid, onder een gemeenschappelijke naam, met gedeeld ondernemingsrisico en met winstdeling. Aan geen van de vereisten voor het bestaan van een vof is voldaan, aldus Prefas c.s. Oxygen Republic is medeaandeelhouder en -bestuurder van Prefas en Caltech en medeaandeelhouder en
-bestuurder van [gedaagde 4] Holding B.V. Er is volgens Prefas c.s. sprake van een hiërarchische concernstructuur met Bv’s en niet van een samenwerking op voet van gelijkheid. Het bestaan van [gedaagde 4] Holding B.V. als holdingvennootschap onderstreept dat de betrokken partijen hun samenwerking hebben vormgegeven via het BV-recht, niet via het personen vennootschapsrecht, aldus nog steeds Prefas c.s.
5.6.
Hoewel ook Bv’s onderling een vof kunnen aangaan, ligt dat bij een vennootschapsrechtelijke moeder-dochter verhouding niet voor de hand. Sagro heeft in dit verband, mede gelet op de gemotiveerde betwisting, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een (informele) vof. De stelling dat partijen met een gezamenlijke website en e-mailadres onder de naam ‘[gedaagde 4]’ (zie r.o. 3.4) naar buiten treden, is daarvoor in elk geval onvoldoende. Daarnaast is ook niet gebleken dat er tussen Oxygen Republic en Sagro een contractuele relatie bestaat.
De voorzieningenrechter zal Sagro daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar vorderingen jegens Oxygen Republic en ‘[gedaagde 4]’.
5.7.
Voor zover Prefas c.s. menen dat Sagro niet ontvankelijk is in haar vorderingen jegens Caltech, volgt de voorzieningenrechter hen niet. Dat Caltech ter zake van openstaande huurfacturen kan worden aangesproken is gesteld en vergt daarmee een (meer) inhoudelijke beoordeling. Caltech kan daarnaast voor de verwijdering van het materiaal worden aangesproken (zie hierna 5.17). Prefas c.s. zijn dus ontvankelijk in hun vorderingen jegens Caltech.
Facturen huur
5.8.
Prefas/Caltech betwist niet dat er na oktober 2025 een huurachterstand is ontstaan. Zij betwist wel de hoogte van de geclaimde bedragen, de grondslag daarvan en de verschuldigdheid door Caltech. Sagro heeft de tarieven eenzijdig verhoogd en heeft bedragen voor dezelfde gehuurde m² zowel bij Caltech als Prefas in rekening gebracht, aldus Prefas.
5.9.
Prefas heeft aangegeven dat zij in een bodemprocedure een beroep op onvoorziene omstandigheden wil doen en een wijziging van de gemaakte afspraken over de huurprijs wil verzoeken. Verder pretendeert zij vorderingen in reconventie en wil zij verrekenen. Niet (geheel) kan worden uitgesloten dat dit verzoek of het verrekenverweer van Prefas met haar vordering in reconventie in een bodemprocedure slaagt.
5.10.
Het geschil over de verhoging van de huur leent zich onder die omstandigheden niet voor kort geding. Welke afspraken partijen daarover hebben gemaakt en hoe Caltech daarin is betrokken kan in deze procedure niet goed worden beoordeeld, omdat daarvoor uitleg nodig is en het debat op dat punt onvoldoende is gevoerd. Prefas heeft bovendien aangegeven dat zij nader bewijs wil leveren over de afspraken over de maximale huurprijs, waarvoor in deze procedure geen plaats is. Daarbij komt dat niet valt uit te sluiten dat in een bodemprocedure het verweer van Prefas slaagt dat een huurverhoging van € 6.000,00 naar € 10.000,00 niet is overeengekomen, althans geen grondslag vindt in een overeengekomen jaarlijkse indexering.
5.11.
Gelet op het vorenstaande, is op dit moment onvoldoende aannemelijk dat de bodemrechter de vordering ter zake van de huurfacturen (geheel) zal toewijzen. Ook is inmiddels een bedrag van € 101.732,74 voldaan, waarmee een aanzienlijk deel van de openstaande huurfacturen is voldaan. Tenslotte is spoedeisend belang bij beslechting van het debat over wie wat per saldo in relatie tot in het verleden opeisbaar geworden betalingsverplichtingen verschuldigd is, allerminst aannemelijk geworden. Anders ligt dat met hervatting van de betaling van de verschuldigde huur over de komende maanden, waarover hieronder meer.
5.12.
De vordering ter zake van de huurfacturen zal daarom worden afgewezen.
Facturen werkzaamheden
5.13.
Prefas betwist de vordering ter zake van werkzaamheden, waaronder het zeven en verplaatsen van de Bitu-RM, die Sagro stelt te hebben verricht. Zij stelt dat zij daarvoor geen opdracht heeft gegeven, zodat een rechtsgrond ontbreekt. Prefas voert verder aan dat zij ook al een bedrag van € 79.134,00 voor werkzaamheden (voor 10.000 ton materiaal) heeft betaald. Door ondanks het verbod van de ILT het materiaal te verplaatsen, is het materiaal bovendien (weer) vervuild geraakt en heeft Prefas schade geleden. Prefas beroept zich op verrekening met de schade en het betaalde bedrag dat volgens Prefas op grond van de algemene voorwaarden van Sagro gecrediteerd moet worden, omdat Sagro het materiaal ondeugdelijk heeft verwerkt, aldus Prefas.
5.14.
Prefas heeft met de overgelegde brief van 17 april 2025 van de afnemende partij in Honduras voldoende aannemelijk gemaakt dat de uitgevoerde 10.000 ton Bitu-RM mogelijk met betonstukken en metaalresten verontreinigd is geraakt tijdens de opslag bij Sagro. De enkele betwisting door Sagro dat de verontreiniging niet op haar terrein kan hebben plaatsgevonden, is onvoldoende. Daarom kan niet worden uitgesloten dat het verrekenverweer van Prefas in een bodemzaak slaagt en dat zij geen of slechts een gedeeltelijk betalingsverplichting ter zake van de verrichte werkzaamheden jegens Sagro heeft. Of dat zo is, en of de eventuele schade door Prefas of Caltech is geleden, kan in deze procedure niet worden beoordeeld, omdat daarvoor nader onderzoek en mogelijk bewijslevering nodig is, waarvoor in een kortgedingprocedure geen plaats is.
Dit leidt tot de conclusie dat op dit moment onvoldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de vordering ter zake van de werkzaamheden zal toewijzen. Deze zal daarom worden afgewezen.
Verwijdering van de resterende 12.000 ton Bitu-RM
5.15.
Sagro stelt dat het bij haar gedeponeerde materiaal volgens afspraak al rond maart 2025 verscheept zou worden naar een klant van Prefas/Caltech in Honduras. De export werd door de ILT verboden, omdat zij niet toegestane verontreinigingen in het materiaal aantrof. Sagro heeft Prefas/Caltech al vanaf eind februari 2025 erop gewezen dat zij de afspraak niet nakwam om het materiaal direct door te voeren. Uit de vaststelling van de ILT bleek bovendien dat het aangeleverde materiaal niet voldeed aan garantie van Prefas/Caltech dat dit CE gecertificeerd was. Sagro lijdt als gevolg daarvan schade, die zij heeft beperkt door het materiaal intern te verplaatsen. Het materiaal moet echter nu binnen enkele weken worden afgevoerd, omdat Sagro het terrein en de loods waar het materiaal ligt nodig heeft voor de berging, opslag en sloop van diverse olieplatforms. De onderliggende contracten bevatten boeteclausules van tonnen als Sagro de platforms niet tijdig in ontvangst kan nemen. Deze contracten heeft zij bewust niet overgelegd vanwege de geheimhoudingsclausules die met de gecontracteerde oliemaatschappijen zijn overeengekomen, aldus Sagro.
5.16.
Prefas c.s. voeren aan dat de vordering tot verwijdering van het materiaal niet toewijsbaar is zolang het verbod van de ILT van kracht is. Verwijdering van het materiaal vereist samenwerking met Sagro als eigenaar en exploitant van het terrein, maar het is Sagro door de ILT verboden om medewerking te verlenen aan verplaatsing. Het gebod dat Sagro eist is dus niet uitvoerbaar. Daarnaast kan geen dwangsom worden opgelegd voor een prestatie die de schuldenaar niet kan leveren. Volgens Prefas c.s. bestaat er ook geen spoedeisende noodzaak voor de verwijdering. De eerder door Sagro gestelde uiterste datum dat het terrein vrij moest zijn is al verstreken en de sloop van olieplatforms vindt plaats op een andere plek dan waar het materiaal van Prefas is opgeslagen. Door het ILT verbod is bovendien sprake van overmacht. Sagro heeft erkend dat dit een rechtvaardigingsgrond voor niet nakomen is, omdat in haar eigen algemene voorwaarden overheidsmaatregelen een grond voor overmacht en opschorting zijn. Prefas heeft alles in het werk gesteld om de situatie met de ILT op te lossen door actief met de ILT te corresponderen, testen te laten uitvoeren, certificaten te overleggen en een bezwaarprocedure bij de ILT aanhangig te maken. De bestuursrechtelijke procedure vergt tijd waarbij Prefas voor de duur afhankelijk is van de behandeling door de ILT. Dat is geen nalatigheid maar een objectieve belemmering, aldus Prefas c.s.
5.17.
Hoewel Prefas zich in de communicatie tegenover Sagro opstelt als de eigenaar van het materiaal, is het Caltech die zich tegenover de ILT als eigenaar voordoet en het overleg met de ILT voert. Dat Caltech als eigenaar van het materiaal moet worden beschouwd volgt ook uit bij de bijlage bij brief van Caltech aan de ILT van 11 juli 2025 waarin Caltech aangeeft dat zij de partij is die het betreffende materiaal levert (zie 3.13). De voorzieningenrechter sluit daarom aan bij de vaststelling dat Caltech eigenaar van het materiaal is. Dat brengt mee dat in ieder geval Caltech tot verwijdering kan worden aangesproken. Dat ook Prefas daartoe kan worden aangesproken volgt uit het gegeven dat zij als (mede-, of exclusief verantwoordelijke) huurder van het terrein en de loods een contractuele verplichting heeft om het gehuurde bij ommekomst van de huur te ontruimen.
5.18.
De aard van de overeenkomst veronderstelt dat er sprake is van zeer tijdelijk verblijf van de betrokken grondstoffen of afvalstoffen op het terrein. Het heeft meer het karakter van overslag dan van langdurige opslag. Prefas c.s. hebben ook niet (voldoende) betwist dat het materiaal bestemd was voor directe doorvoer / export en al lang verwijderd zou zijn als de ILT niet zou hebben geïntervenieerd.
5.19.
De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat de samenstelling van het materiaal, dat de ILT blijkens haar beschikking van 15 oktober 2025 (vooralsnog) niet als grondstof maar als afvalstof beschouwt, en voor de verplaatsing waarvan toestemming nodig is, niet aan Sagro is toe te schrijven, maar in het domein van Caltech ligt. De omstandigheid dat het materiaal -als grondstof- niet of pas na aanzienlijke vertraging geëxporteerd kan worden, komt daarom voor risico van Caltech.
5.20.
De voorzieningenrechter acht ook aannemelijk dat afvoer dan wel export van het materiaal als afvalstof voor Caltech een aanzienlijke verliespost betekent. Caltech heeft namelijk aangevoerd dat afvoer/export als afvalstof € 350.000,00 opbrengt en net kostendekkend is, terwijl export als grondstof 1,7 miljoen euro oplevert. Daarmee moet bij de beoordeling van de verwijderingsvordering rekening worden gehouden.
5.21.
Voor de beoordeling van de verwijderingsvordering is van belang of verplaatsing binnen- of verwijdering van het materiaal naar een plek buiten het terrein op korte termijn nodig en mogelijk is.
5.22.
De voorzieningenrechter acht niet onaannemelijk dat de ILT zou kunnen worden bewogen om toestemming te geven voor de verplaatsing van het materiaal binnen het -enorme- terrein van Sagro naar een plek waar het niet in de weg ligt. Zij heeft immers eerder ook toestemming verleend voor het verplaatsen van materiaal van het terrein naar de loods (zie 3.11). Dat betekent dat de stelling dat de locatie waar het materiaal nu ligt nodig is voor de berging, opslag en sloop van olieplatforms, wat daarvan zij, onvoldoende grond is om op dit moment een veroordeling tot afvoer te gelasten.
5.23.
De voorzieningenrechter acht onvoldoende betwist dat verwijdering van het materiaal buiten het terrein van Sagro mogelijk is, wanneer die verwijdering -en opslag elders- van dat materiaal als afvalstof plaatsvindt. Onbetwist is echter dat afvoer op dit moment voor Caltech een verlies van 1,35 miljoen euro met zich zou brengen. Afweging van de betrokken belangen brengt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat er bij die stand van zaken geen grond is om het belang van Sagro bij verwijdering op korte termijn te laten prevaleren boven dat van Prefas c.s. zolang (1) er (voldoende) perspectief is dat ILT tot herziening van haar standpunt kan worden gebracht, (2) de huur voor de opslag van het materiaal wordt doorbetaald en (3) Sagro niet beter inzichtelijk maakt dat de aanwezigheid van het materiaal haar bedrijfsvoering onaanvaardbaar belemmert.
5.24.
In dit geding kan niet worden beoordeeld of en in welke mate dit perspectief er is.
In de beschikking van de ILT (3.15) is vermeld dat uit analyse is gebleken dat het gehalte PAK-10 dat in het materiaal is aangetroffen 1150 mg per kg stof bedraagt, terwijl de grenswaarde op 75 mg/kg ligt. De betekenis van dit gegeven is in het debat niet uitgediept. Er loopt een separaat traject waarin Caltech dit jegens de ILT uitprocedeert. Omtrent de standpunten en kansen van Caltech is geen informatie verschaft. Op dit punt moet Caltech bij de geschetste stand van zaken het voordeel van de twijfel worden gegund.
5.25.
Met die opvatting is niet onverenigbaar dat een veroordeling tot verwijdering wordt uitgesproken, als die maar zodanig wordt geclausuleerd dat deze alleen werkt als stok achter de deur. Die veroordeling heeft als nuttig effect dat het Caltech aanspoort om in de afwikkeling van deze kwestie richting ILT voortvarend en inzichtelijk voor Sagro te opereren, dat er een incentive tot betaling van de maandelijkse huur blijft bestaan en dat er een perspectief ontstaat dat Sagro met het materiaal, dat op dit moment door ILT wordt beschouwd als een gevaarlijke afvalstof, niet eindeloos opgescheept blijft.
De voorzieningenrechter zal daarom de vordering tot verwijdering van het materiaal toewijzen door een voorlopige voorziening te treffen die op het volgende neerkomt.
5.26.
Caltech en Prefas zullen worden veroordeeld om de nog resterende 12.000 ton van het materiaal van het terrein van Sagro te verwijderen en om daarvoor toestemming aan de ILT te vragen, op straffe van een dwangsom van € 40.000 voor iedere maand dat verwijdering uitblijft, tot een maximum van € 400.000,00, zodra:
A. aan een van de hierna onder i. tot en met iii. vermelde voorwaarden, na daartoe te zijn gesommeerd, niet (meer) wordt voldaan:
(i) Caltech en/of Prefas Sagro desverlangd één maal per 3 maanden op de hoogte houdt van de voortgang in de procedure tegen ILT om de door haar gewenste vorm van export (niet als schadelijk afval maar als grondstof) mogelijk te maken en uit die berichten blijkt dat er nog perspectief is op dat resultaat, en
(ii) Caltech Sagro binnen een week na daartoe te zijn gesommeerd machtigt om zich ter zake van de procedure tegen de ILT ook zelf met de bij de procedure betrokken advocaten van Caltech en met de ILT (met de advocaten van Caltech in de cc) te verstaan, en
(iii) Caltech en/of Prefas de maandelijks ter zake verschuldigde huur, van in elk geval € 6.000,00 exclusief btw per maand bij gebruik van de loods en € 3,21 exclusief btw per maand per m2 bij gebruik van terrein, stipt op tijd aan Sagro betaalt.,
dan wel
B. de opvatting over de aard van het materiaal na formele heroverweging door het ILT in haar besluit in de lopende bezwaarprocedure, niet relevant is gewijzigd en dit besluit niet binnen twee maanden nadat het is genomen in voorlopige voorziening is geschorst,
dan wel
C. een jaar na betekening van dit vonnis is verstreken.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
5.27.
Prefas c.s. hebben verzocht om een vonnis dat ten nadele van hen wordt uitgesproken, niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, zolang in de bodemprocedure nog geen vonnis is gewezen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van Sagro bij uitvoering van de geclausuleerde veroordeling zoals in de beslissing vermeld, groter is dan het risico van Prefas c.s. op onomkeerbare gevolgen daarvan. Zolang Prefas c.s. aan de hiervoor in 5.26 onder A (i) tot en met (iii) vermelde voorwaarden voldoen, kunnen Prefas c.s. verwijdering van het materiaal in beginsel ook voorkomen. De veroordeling zal daarom uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
in reconventie
Onverschuldigde betaling
5.28.
Prefas heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een onverschuldigde betaling aan Sagro voor de nog resterende 12.000 ton materiaal. Uit de Prefas-overeenkomst volgt de afspraak is dat wordt afgerekend per inkomende / aangevoerde ton materiaal. Sagro heeft in dat verband ook toegelicht dat zij bepaalde werkzaamheden al heeft verricht en dat zij verplicht is de export werkzaamheden te verrichten zodra het materiaal verplaatst mag en moet worden. De vordering wegens onverschuldigde betaling zal daarom worden afgewezen.
Schadevergoeding
5.29.
Hoewel er wel een begin van aannemelijkheid is dat de uitgevoerde 10.000 ton Bitu-RM verontreinigd is geraakt tijdens de opslag bij Sagro (zie 5.14), kan in deze procedure niet met voldoende grondigheid worden beoordeeld of dat daadwerkelijk zo is. Ook is er onvoldoende beeld bij de omvang van de schade. Mede gelet op hoe in conventie over de toewijsbaarheid van de geldvorderingen is geoordeeld ziet de voorzieningenrechter ziet daarom onvoldoende aanleiding om (een voorschot op) die vordering toe te wijzen.
Creditering verrichte handlingswerkzaamheden
5.30.
De vordering van Prefas tot creditering van het bedrag dat zij heeft betaald aan handlingskosten voor de uitgevoerde 10.000 ton materiaal, hangt samen met de vraag of dit materiaal tijdens de opslag bij Sagro verontreinigd is geraakt. Zolang dat niet in rechte vast staat, is onvoldoende aannemelijk dat de vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.
in conventie en reconventie
Vergoeding reële proceskosten
5.31.
Prefas c.s. vorderen om Sagro in conventie en reconventie te veroordelen in de volledige kosten van juridische bijstand verband houdende met het verweer van Oxygen Republic en [gedaagde 4] Holding B.V.
5.32.
Omdat de vorderingen in reconventie namens Prefas zijn ingesteld, is van een belang in reconventie van Oxygen Republic en [gedaagde 4] Holding B.V. bij een kostenveroordeling niet gebleken. Daarnaast is [gedaagde 4] Holding B.V. geen partij in deze procedure, zodat ten aanzien van deze vennootschap een kostenveroordeling in conventie of reconventie niet mogelijk is.
5.33.
Hoewel Sagro niet ontvankelijk is in haar vordering jegens Oxygen Republic (zie 5.6), heeft Sagro blijkbaar aangenomen dat zij te maken had met een (informele) vof tussen Caltech, Prefas en Oxygen Republic. De voorzieningenrechter begrijpt dat Sagro Oxygen Republic als vermeend vennoot van die vof in deze procedure heeft betrokken. Dat zij hierin geen gelijk krijgt, betekent niet dat sprake is van misbruik van procesrecht of het onnodig op kosten jagen van een wederpartij. Mede gelet op het feit dat een partij vrij is in de processtrategie die hij kiest, ziet de voorzieningenrechter geen reden voor een reële proceskostenvergoeding voor het verweer dat Oxygen Republic in conventie heeft moeten voeren.
Proceskosten in conventie
5.34.
Prefas en Caltech zijn in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Sagro worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
134,81
- griffierecht
7.062,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
8.562,81
5.35.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. Voor toewijzing van de wettelijke handelsrente is geen grondslag.
5.36.
De veroordeling in conventie wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
Proceskosten in reconventie
5.37.
Prefas en Caltech zijn in reconventie in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Sagro worden begroot op:
- salaris advocaat
588,50
(factor 0,5 × 1.177,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
777,50
5.38.
De veroordeling in reconventie wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
6.1.
verklaart Sagro niet ontvankelijk in haar vorderingen jegens Oxygen Republic B.V. en ‘[gedaagde 4]’,
6.2.
veroordeelt Caltech en Prefas om de nog resterende 12.000 ton van het materiaal van het terrein van Sagro te verwijderen en om daarvoor toestemming aan de ILT te vragen, op straffe van een dwangsom van € 40.000 voor iedere maand dat verwijdering uitblijft, tot een maximum van € 400.000,00, zodra:
A. aan een van de hierna onder i. tot en met iii. vermelde voorwaarden, na daartoe te zijn gesommeerd, niet (meer) wordt voldaan:
(i) Caltech en/of Prefas Sagro desverlangd één maal per 3 maanden op de hoogte houdt van de voortgang in de procedure tegen ILT om de door haar gewenste vorm van export (niet als schadelijk afval maar als grondstof) mogelijk te maken en uit die berichten blijkt dat er nog perspectief is op dat resultaat, en
(ii) Caltech Sagro binnen een week na daartoe te zijn gesommeerd machtigt om zich ter zake van de procedure tegen de ILT ook zelf met de bij de procedure betrokken advocaten van Caltech en met de ILT (met de advocaten van Caltech in de cc) te verstaan, en
(iii) Caltech en/of Prefas de maandelijks ter zake verschuldigde huur, van in elk geval € 6.000,00 exclusief btw per maand bij gebruik van de loods en € 3,21 exclusief btw per maand per m2 bij gebruik van terrein, stipt op tijd aan Sagro betaalt,
dan wel
B. de opvatting over de aard van het materiaal na formele heroverweging door het ILT in haar besluit in de lopende bezwaarprocedure, niet relevant is gewijzigd en dit besluit niet binnen twee maanden nadat het is genomen in voorlopige voorziening is geschorst,
dan wel
C. een jaar na betekening van dit vonnis is verstreken.
6.3.
veroordeelt Prefas en Caltech hoofdelijk in de proceskosten van € 8.562,81, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Prefas en Caltech niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
veroordeelt Prefas en Caltech hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.7.
wijst de vorderingen af,
6.8.
veroordeelt Prefas en Caltech hoofdelijk in de proceskosten van € 777,50 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Prefas of Caltech niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.9.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op
17 juni 2026.
1621