Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:7324

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
15-238366-24 en 15-083960-26
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag en mishandeling ambtenaren met zware straf

De rechtbank Noord-Holland heeft op 17 juni 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin de verdachte samen met anderen werd verdacht van poging tot doodslag op een aangever door herhaaldelijk slaan met een metalen buis en kettingslot, rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs, mishandeling en belediging van twee verbalisanten.

De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte medepleegde aan de poging tot doodslag en de overige feiten. De rechtbank verwierp het beroep op noodweer en noodweerexces, omdat de verdachte en zijn medeverdachten de confrontatie zochten en het geweld voortzetten terwijl het slachtoffer al op de grond lag.

De strafmaat werd bepaald op 540 dagen gevangenisstraf, waarvan 258 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, inclusief een contactverbod met de aangever en een locatieverbod voor een woonwijk in Haarlem. De rechtbank wees de vordering van de benadeelde partij tot materiële en immateriële schadevergoeding grotendeels toe, met een totaalbedrag van €7.271,08, vermeerderd met wettelijke rente. De verdachte werd veroordeeld in de kosten en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 540 dagen gevangenisstraf, waarvan 258 voorwaardelijk, en betaling van schadevergoeding wegens poging tot doodslag en andere feiten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummers: 15-238366-24 en 15-083960-26 (P)
Uitspraakdatum: 17 juni 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 3 juni 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres].
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. A.C. Lub, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. M.M.J. Nuijten, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
15-238366-24
primair
hij op of omstreeks 22 juli 2024 te Haarlem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [aangever] opzettelijk van het leven te beroven,
- meermaals met een metalen buis, althans een hard voorwerp, heeft geslagen op het hoofd, het bovenlijf, de armen en/of benen van [aangever] en/of
- meermaals met hoge/aanzienlijke snelheid met een personenauto is ingereden op [aangever], althans tegen/over [aangever] is (aan)gereden,
- meermaals met een kettingslot, althans een hard voorwerp, heeft geslagen op het hoofd, het bovenlijf, de armen en/of benen van [aangever],
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 22 juli 2024 te Haarlem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door
- meermaals met een metalen buis, althans een hard voorwerp, te slaan op het hoofd, het bovenlijf, de armen en/of benen van [aangever] en/of
- meermaals met hoge/aanzienlijke snelheid met een personenauto in te rijden op [aangever], althans tegen/over [aangever] (aan) te rijden en/of
- meermaals met een kettingslot, althans een hard voorwerp, te slaan op het hoofd, het bovenlijf, de armen en/of benen van [aangever];
meer subsidiair
hij op of omstreeks 22 juli 2024 te Haarlem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- meermaals met een metalen buis, althans een hard voorwerp, heeft geslagen op het hoofd, het bovenlijf, de armen en/of benen van [aangever] en/of
- meermaals met hoge/aanzienlijke snelheid met een personenauto is ingereden op [aangever], althans tegen/over [aangever] is (aan)gereden en/of
- meermaals met een kettingslot, althans een hard voorwerp, heeft geslagen op het hoofd, het bovenlijf, de armen en/of benen van [aangever], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
15-083960-26
feit 1
hij op of omstreeks 22 november 2025 te Haarlem terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten AM/B/T, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Europaweg, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;
feit 2
hij op of omstreeks 22 november 2025 te Haarlem, [slachtoffer B] heeft mishandeld, door [slachtoffer B] te trappen tegen het lichaam, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening;
feit 3
hij op of omstreeks 22 november 2025 te Haarlem opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer B] (agent bij de Eenheid Noord-Holland) en/of [slachtoffer C] (hoofdagent bij de Eenheid Noord-Holland), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheidmondeling en/of door feitelijkheden heeft beledigddoor hem/haar/hun de woorden toe te voegen: "Kanker flikkers" en/of "kanker honden", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking en/of door te spugen tegen het lichaam van die Nijsen.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder parketnummer 15-238366-24 primair ten laste gelegde feit en van de onder parketnummer 15-083960-26 ten laste gelegde feiten.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de onder parketnummer 15-238366-24 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde feiten en van het onder parketnummer 15-083960-26 onder 2 ten laste gelegde feit. Ten aanzien van de onder parketnummer 15-083960-26 onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van het ten laste gelegde spugen. Op het standpunt van de raadsman zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder parketnummer 15-238366-24 primair ten laste gelegde feit en de onder parketnummer 15-083960-26 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
3.3.2
Bewijsmotivering parketnummer 15-238366-24
Betrouwbaarheid verklaringen aangever
Aangever heeft op 23 juli 2024 een verklaring afgelegd bij de politie en is op 7 april 2025 gehoord bij de rechter-commissaris. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van aangever gedetailleerd en op belangrijke punten consistent zijn. Zo heeft aangever beide keren verklaard dat hij door zowel de verdachte als zijn broertje werd aangevallen. Dat hij zich ten tijde van het verhoor bij de rechter-commissaris niet meer alles kon herinneren, is begrijpelijk gelet op het tijdsverloop tussen beide verklaringen. Aangever heeft in zijn verklaring bij de rechter-commissaris aangegeven wat hij zich, gelet op zijn medische toestand en het feit dat het bijna een jaar later was, nog kan herinneren. De rechtbank is daarom, anders dan de raadsman, van oordeel dat de verklaringen van aangever betrouwbaar zijn en bruikbaar zijn voor het bewijs.
Feitenvaststelling
Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 22 juli 2024 rond 20:15 uur was aangever bij [eetgelegenheid] in Haarlem. Hij liep de deur uit en zag dat een auto zijn kant op kwam rijden, met daarin [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] (hierna ook: de verdachten). [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn uit de auto gestapt en aangever heeft een kettingslot van zijn fiets gepakt. [verdachte] heeft tegen [medeverdachte 2] gezegd dat hij iets uit de kofferbak moest pakken om zichzelf te verdedigen, waarop [medeverdachte 2] een metalen buis uit de kofferbak heeft gepakt. Vervolgens is [medeverdachte 2] op aangever afgelopen. Aangever heeft met het kettingslot richting [medeverdachte 2] geslagen en hem geraakt, waarna aangever het kettingslot heeft laten vallen. Aangever is daarna weggerend. [medeverdachte 2] is vervolgens achter aangever aangerend met de metalen buis in zijn handen en heeft aangever meermalen met de metalen buis op zijn lichaam en hoofd geslagen. [medeverdachte 3] is op enige afstand gevolgd met een kettingslot in zijn handen. Vervolgens is [verdachte] met de auto achter aangever, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] aangereden waarbij hij meerdere keren gevaarlijk over het trottoir is gereden. [verdachte] heeft geprobeerd aangever aan te rijden, waarbij hij er bij de tweede poging in slaagde om aangever te raken en bij de derde poging - in plaats van aangever - [medeverdachte 2] aanreed. [medeverdachte 2] bleef vervolgens gewond op de grond liggen. [verdachte] pakte de metalen buis van [medeverdachte 2] af en sloeg hiermee meerdere keren tegen het hoofd en lichaam van aangever, onder andere toen aangever op de grond lag. [medeverdachte 3] heeft zich na de aanrijding van [medeverdachte 2] bij [verdachte] gevoegd en heeft aangever meerdere keren geslagen met een kettingslot.
Op grond van bovenstaande stelt de rechtbank vast dat de verdachten de volgende geweldshandelingen hebben gepleegd:
[verdachte]: inrijden met een auto op aangever en [medeverdachte 2], meermalen aangever slaan met een metalen buis onder andere op zijn hoofd en lichaam;
[medeverdachte 2]: meermalen aangever slaan met een metalen buis op zijn lichaam en zijn hoofd;
[medeverdachte 3]: meermalen aangever slaan met een kettingslot.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot het oordeel dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] bij het uitoefenen van het zojuist beschreven geweld op aangever. Daarvoor vindt de rechtbank redengevend dat zij samen gewapend achter aangever zijn aangegaan: [verdachte] in zijn auto en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] met een metalen buis en kettingslot. Op camerabeelden is te zien dat [medeverdachte 2] achter aangever aanrent en dat [medeverdachte 3] hen op korte afstand volgt. Vervolgens wenkt [medeverdachte 3] naar [verdachte] en geeft hem aanwijzingen waar hij naartoe moet rijden, alvorens [verdachte] met de auto op aangever inrijdt. De geweldshandelingen van de verdachten vinden zeer kort op elkaar volgend en grotendeels gelijktijdig plaats. Doordat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] met wapens aangever aanvielen, kon [verdachte] op aangever inrijden. De verdachten zien het door de anderen uitgeoefende geweld en distantiëren zich hier op geen enkel moment van. Het geweld stopt niet als aangever op de grond ligt, ook dan blijft [verdachte] op hem inslaan met een metalen buis, bij welk geweld [medeverdachte 3] zich aansluit door met een kettingslot aangever te slaan. De omstandigheid dat [medeverdachte 2] op dat moment zelf was aangereden en op de grond lag, maakt niet dat hij op dat moment niet langer als medepleger kan worden aangemerkt. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt namelijk dat de verdachten gezamenlijk zijn opgetrokken om letsel aan aangever toe te brengen, waarbij zij inwisselbare rollen hadden en alle drie geweld hebben toegepast. Toen [medeverdachte 2] op de grond lag, hebben [verdachte] en [medeverdachte 3] de geweldshandelingen voortgezet waar [medeverdachte 2] eerder mee was begonnen. De rechtbank concludeert uit het voorgaande dat er sprake was van een dusdanige bewuste en nauwe samenwerking dat er sprake is van medeplegen.
De rechtbank kan niet vaststellen dat de verdachte erop uit was om aangever dodelijk letsel toe te brengen, in die zin dat hij daar ‘vol’ opzet op had. De rechtbank komt daarom toe aan de vraag of de verdachte opzet op diens dood heeft gehad in voorwaardelijke zin.
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het toebrengen van dodelijk letsel aan het slachtoffer – aanwezig is als de verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg door zijn handelen zal intreden. Of hiervan sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het moet daarbij gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Niet alleen is vereist dat de verdachte in dat geval wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachten meerdere keren met een kettingslot en een metalen buis op het hoofd van aangever hebben geslagen. Het met beide handen van boven het hoofd, met een lange en krachtige zwaai, met een metalen buis meerdere keren op het hoofd van aangever slaan, terwijl aangever op dat moment op de grond lag, kan naar algemene ervaringsregels leiden tot de dood van het slachtoffer, omdat schedel- en hersenletsel een dodelijke afloop tot gevolg kunnen hebben. Door met dergelijke voorwerpen met kracht op het hoofd - zijnde een kwetsbaar deel van het lichaam - te slaan, bestond de aanmerkelijke kans dat aangever zodanig hersenletsel zou oplopen dat hij daaraan kon overlijden. De gedragingen van de verdachte en de medeverdachten kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet anders worden uitgelegd dan dat zij met hun handelen bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat aangever dodelijk zou worden getroffen.
Het voorgaande, in samenhang bezien, leidt tot het oordeel dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen heeft geprobeerd aangever van het leven te beroven.
De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat niet bewezen kan worden dat bij het inrijden met de auto op aangever een aanmerkelijke kans op de dood bestond.
De rechtbank overweegt in dit verband dat, naar algemene ervaringsregels, de te verwachten gevolgen van een aanrijding van een voetganger door een auto in belangrijke mate worden bepaald door de snelheid van de auto. Hoewel op de beelden te zien is dat de verdachte eerder met aanzienlijke snelheid over het trottoir rijdt, waardoor mensen aan de kant moeten springen, zijn er bijvoorbeeld geen objectieve meetgegevens beschikbaar om de snelheid van de auto vast te stellen op het moment van het inrijden op aangever. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet worden vastgesteld dat de verdachte met een zodanige snelheid op de aangever is ingereden, dat de kans op de dood van de aangever aanmerkelijk was. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 15-238366-24 primair ten laste gelegde feit en de onder parketnummer 15-083960-26 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
15-238366-24
primair
hij op 22 juli 2024 te Haarlem tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om [aangever] opzettelijk van het leven te beroven,
- meermaals met een metalen buis heeft geslagen op het hoofd van [aangever] en
- meermaals met een kettingslot heeft geslagen op het hoofd van [aangever],
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
15-083960-26
feit 1
hij op 22 november 2025 te Haarlem terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten AM/B/T, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorieën was afgegeven, op de weg, de Europaweg, als bestuurder een motorrijtuig, personenauto, van die categorie heeft bestuurd;
feit 2hij op 22 november 2025 te Haarlem, [slachtoffer B] heeft mishandeld, door [slachtoffer B] te trappen tegen het lichaam, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
feit 3hij op 22 november 2025 te Haarlem opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer B] (agent bij de Eenheid Noord-Holland) en [slachtoffer C] (hoofdagent bij de Eenheid Noord-Holland), gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid mondeling en door feitelijkheden heeft beledigd door hen de woorden toe te voegen: "Kanker flikkers" en/of "kanker honden", en door te spugen tegen het lichaam van die Nijsen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

4.1
Beroep op noodweer
De verdediging heeft, voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van het onder parketnummer 15-238366-24 ten laste gelegde feit, een beroep gedaan op noodweer, zodat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft bepleit dat sprake is geweest van een noodweersituatie, omdat [medeverdachte 2] door aangever met een kettingslot werd aangevallen. In de visie van de verdediging kwam aangever met een kettingslot de snackbar uitgelopen en heeft hij vrijwel direct [medeverdachte 2] met dat kettingslot in zijn gezicht geslagen. Tegen deze ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van [medeverdachte 2] heeft de verdachte zich mogen verdedigen.
4.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie. Bij het incident bij [eetgelegenheid] ontbrak het verdedigingsbelang. Het is [medeverdachte 2] geweest die de confrontatie heeft opgezocht en de aanval heeft geopend. Indien de rechtbank deze confrontatie wel ziet als een noodweersituatie, wordt niet voldaan aan het proportionaliteitsvereiste. Nadat het hiervoor genoemde incident plaatsvond en aangever vluchtte voor [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] is op de beelden te zien dat aangever geen wapen meer heeft, terwijl [medeverdachte 2] een metalen buis vast heeft, [medeverdachte 3] een kettingslot in zijn handen heeft en [verdachte] zijn auto gebruikt als wapen. De handelingen van de verdachten zijn in de kern gezien aanvallend, waardoor een beroep op noodweer niet kan slagen.
4.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op noodweer aannemelijk moet worden dat het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. De rechtbank ziet zich dus voor de vraag gesteld of er sprake was van een dergelijke noodweersituatie.
De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een noodweersituatie. De verdachte heeft verklaard dat hij tegen [medeverdachte 2] heeft gezegd dat hij iets uit zijn kofferbak moest pakken, waarna [medeverdachte 2] een metalen buis heeft gepakt en daarmee op aangever is afgelopen. Hoewel de rechtbank het aannemelijk acht dat aangever daarna met het kettingslot richting het gezicht van [medeverdachte 2] heeft geslagen en hem daarbij ook heeft geraakt, is het [medeverdachte 2] geweest die de confrontatie heeft opgezocht door met een metalen buis op aangever af te lopen. Onder die omstandigheden, waarbij [medeverdachte 2] als agressor moet worden gezien, komt hem, en daarmee ook de verdachte, geen beroep op noodweer toe. Daarbij komt nog dat aangever het kettingslot vervolgens heeft laten vallen, waarna hij is weggerend.
Het beroep op noodweer wordt daarom verworpen.
4.4
Kwalificatie van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
15-238366-24
primair: medeplegen van poging tot doodslag;
15-083960-26
feit 1:overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
feit 2:mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
feit 3:eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Door de verdediging is een beroep gedaan op noodweerexces ten aanzien van het onder parketnummer 15-238366-24 ten laste gelegde feit. Zoals hiervoor onder 4.3 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Het beroep op noodweerexces kan in zo’n geval niet slagen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 540 dagen, waarvan 258 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van de periode die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen een contactverbod met aangever en een locatieverbod voor de [woonwijk] in Haarlem te worden verbonden. Deze voorwaarden dienen dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard. Daarnaast heeft de officier van justitie verzocht een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen op te leggen voor de duur van 24 maanden.
6.2
Standpunt van de verdediging
Voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en aan hem geen langere onvoorwaardelijke straf op te leggen dan de periode die hij reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Verder heeft de raadsman bepleit geen locatieverbod als bijzondere voorwaarde op te leggen.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door het slachtoffer meerdere keren tegen zijn hoofd te slaan met een metalen buis en een kettingslot. De verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan een zeer ernstig misdrijf. Dat het slachtoffer niet daadwerkelijk dodelijk gewond is geraakt, is een omstandigheid die niet aan de verdachte is te danken. Door op deze manier te handelen heeft de verdachte een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en op grove wijze zijn lichamelijke integriteit aangetast. Het slachtoffer is door drie personen achtervolgd en op zijn hoofd geslagen. De verdachte besloot niet de-escalerend op te treden, maar is in zijn auto achter het slachtoffer aangereden, waarbij hij meerdere keren heeft geprobeerd het slachtoffer aan te rijden. Uiteindelijk heeft de verdachte, toen het slachtoffer op de grond lag, zeer fors geweld op hem uitgeoefend. Deze gebeurtenis moet voor het slachtoffer een zeer beangstigende situatie zijn geweest, zoals ook blijkt uit de slachtofferverklaring die op de zitting naar voren is gebracht. Bovendien vond deze gebeurtenis plaats op straat, terwijl er veel omstanders aanwezig waren. Dit soort feiten zorgen voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Dit blijkt ook wel uit de op de zitting getoonde beelden, waarop veel geschreeuw van omstanders is te horen en waarop is te zien dat omstanders opzij moeten stappen als de verdachte met hoge snelheid achter aangever aanrijdt. De reden voor deze gewelddadige confrontatie is gelegen in een langlopend familieconflict. Hoewel dit conflict de zaak kleurt, rekent de rechtbank het de verdachte aan dat hij met geweld dit conflict heeft geprobeerd op te lossen en daarmee voor eigen rechter heeft gespeeld.
Daarnaast heeft de verdachte gereden met een ongeldig verklaard rijbewijs. Dit is een kwalijk feit. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij de regels voor de verkeersveiligheid aan zijn laars lapt en daarmee overige verkeersdeelnemers in gevaar brengt.
Ook heeft de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een tweetal misdrijven gepleegd tegen verbalisanten die op dat moment aan het werk waren. De verdachte heeft twee verbalisanten beledigd. Daarnaast heeft de verdachte één van deze verbalisanten mishandeld door te trappen tegen zijn lichaam. Met zijn handelen heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de ambtenaar die hij heeft mishandeld en heeft hij beide ambtenaren in hun eer en goede naam aangetast. Personen met een publieke taak moeten – in het belang van de openbare orde en de veiligheid – kunnen functioneren zonder daarbij geconfronteerd te worden met dergelijk gedrag. De verdachte heeft door zijn handelen blijk gegeven van gebrek aan respect voor het openbaar gezag.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 24 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een geweldsfeit en voor rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs. De veroordeling voor het geweldsfeit neemt de rechtbank in het nadeel van de verdachte mee bij de strafoplegging.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 15 mei 2026. In dit rapport schrijft de reclassering dat zij geen inschatting kunnen geven over de risico’s, omdat zij onvoldoende zicht hebben op het (cognitieve) functioneren van de verdachte. Hoewel de reclassering inschat dat de verdachte baat zou kunnen hebben bij begeleiding en coaching, zien zij gelet op zijn proceshouding, geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarde een contactverbod met aangever en een locatieverbod voor de [woonwijk].
De op te leggen straf
Bij het bepalen van de duur van die gevangenisstraf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Gelet op de aard en ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, is de rechtbank van oordeel dat in beginsel niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Hoewel de ernst van de poging doodslag het opleggen van een langere gevangenisstraf zou rechtvaardigen dan de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal de rechtbank volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de achtergrond van deze zaak, te weten een langlopend familieconflict, en het tijdsverloop in deze zaak. De rechtbank ziet in de rol van de verdachte en het geweld dat hij heeft toegepast aanleiding een hogere straf op te leggen dan de straf die aan de medeverdachte wordt opgelegd.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 540 dagen moet worden opgelegd, waarvan 258 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, om de verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel een contactverbod met aangever en een locatieverbod voor de [woonwijk] in Haarlem verbinden. Omdat er gelet op het doorlopende conflict tussen de verdachte en de aangever ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, beveelt de rechtbank dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.
De rechtbank zal aan de verdachte geen ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen, nu de verdachte is vrijgesproken van de poging doodslag door met een auto op aangever in te rijden.

7.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [aangever] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 7.430,97 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder parketnummer 15-238366-24 primair ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 5.000,- immateriële schade en € 2.430,97 materiële schade. De materiële schade bestaat uit vijf posten:
kleding: € 480,-;
telefoon: € 150,-;
eigen risico zorgverzekering: € 683,39;
reiskosten: € 159,89;
medische verschotten: € 957,69.
Standpunten van de partijen
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering toe te wijzen.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens de bepleite vrijspraak of een geslaagd beroep op noodweer(exces). Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de immateriële schade te ingewikkeld is, onvoldoende is onderbouwd en wordt betwist. Meer subsidiair heeft de verdediging verzocht de hoogte van die schadevergoeding te matigen, vanwege eigen schuld van de benadeelde partij. Ten aanzien van het gevorderde bedrag aan materiële schade heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens onvoldoende onderbouwing.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Het gedeelte van de vordering dat ziet op de posten kleding, telefoon, eigen risico zorgverzekering en medische verschotten is voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting stelt de rechtbank vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de reiskosten van zijn zus niet-ontvankelijk in de vordering, omdat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij heeft onvoldoende aangetoond dat hij deze kosten zelf heeft moeten maken. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een onevenredige belasting van deze strafprocedure. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Immateriële schade
De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij is gebaseerd op artikel 6:106 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW Pro is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer of goede naam of 'op andere wijze' in zijn persoon is aangetast.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte lichamelijk letsel heeft opgelopen, onder meer meerdere verwondingen op zijn hoofd en lichaam, een fractuur van zijn spaakbeenkopje en een ontsierend litteken in zijn gezicht. Daarnaast is sprake van aantasting van zijn persoon op andere wijze, te weten geestelijk letsel in de vorm van PTSS. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.
De vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2025. De vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juli 2024.
Eigen schuld
De rechtbank is anders dan de verdediging van oordeel dat geen sprake is van eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW Pro. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte, samen met anderen, de confrontatie met de benadeelde partij heeft opgezocht, waarna hevig geweld op de aangever is toegepast. Nu de benadeelde partij aan de ontstane schade niet heeft bijgedragen, ziet de rechtbank geen aanleiding het toegewezen bedrag te matigen vanwege eigen schuld.
Hoofdelijk
Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Hetzelfde geldt voor de toe te wijzen proceskosten. Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Proceskosten
De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. Verder wordt de verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op te leggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47, 57, 266, 267, 287, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht;
artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

9.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 15-238366-24 primair ten laste gelegde feit en de onder parketnummer 15-083960-26 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4.4 vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
vijfhonderdveertig (540) dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot
tweehonderdachtenvijftig (258) dagen,
nietten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op
twee (2) jarenbepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
  • op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met: [aangever], geboren op [geboortedatum aangever];
  • zich niet bevindt in de [woonwijk] in Haarlem, te weten het gebied begrensd door (in het noorden) de N205/Schipholweg (in het Oosten) de Ringvaart, (in het zuiden) de Aziëweg en (in het westen) de Europaweg.
Beveelt dat de gestelde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[aangever]geleden schade tot een bedrag van
€ 7.271,08(zevenduizend tweehonderdeenenzeventig euro en acht eurocent), bestaande uit € 2.271,08 als vergoeding voor de materiële schade en € 5.000,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over:
  • € 2.271,08 vanaf 1 januari 2025;
  • € 5.000,- vanaf 22 juli 2024;
tot aan de dag der algehele voldoening aan [aangever], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een van de medeverdachten is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [aangever] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 7.271,08, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 61 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente over:
  • € 2.271,08 vanaf 1 januari 2025;
  • € 5.000,- vanaf 22 juli 2024;
tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachten aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Rigter, voorzitter,
mr. D.J. Straathof en mr. N.B. Genemans, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.D.C. Schoenmaker,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 juni 2026.