Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:7334

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
15-238402-24 en 15-252395-25
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag en diefstal in vereniging met gevangenisstraf en schadevergoeding

De rechtbank Noord-Holland heeft op 17 juni 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen verdachte die samen met anderen werd verdacht van poging tot doodslag en diefstal in vereniging. Op 22 juli 2024 sloeg verdachte het slachtoffer meerdere malen met een metalen buis en kettingslot, en werd het slachtoffer ook aangereden door een medeverdachte. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte medepleger was van de poging tot doodslag en veroordeelde hem tot een gevangenisstraf van 365 dagen, waarvan 181 dagen voorwaardelijk.

Daarnaast werd verdachte veroordeeld voor diefstal van winkelgoederen op 24 september 2025. De rechtbank wees de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding toe, bestaande uit €2.271,08 materiële schade en €5.000,- immateriële schade wegens lichamelijk en geestelijk letsel. De rechtbank legde een schadevergoedingsmaatregel op en bepaalde dat verdachte hoofdelijk aansprakelijk is samen met medeverdachten.

De rechtbank motiveerde de straf door de ernst van het geweld, de impact op het slachtoffer en de samenleving, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder een beperkt intellect en een langlopend familieconflict. De opgelegde straf houdt rekening met het reeds doorgebrachte voorarrest en de rol van verdachte in het geweldsincident.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 365 dagen gevangenisstraf, waarvan 181 dagen voorwaardelijk, en betaling van €7.271,08 schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummers: 15-238402-24 en 15-252395-25 (gev. ttz.) (P)
Uitspraakdatum: 17 juni 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 3 juni 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres].
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. A.C. Lub, en van wat de verdachte en zijn raadslieden, mr. A. Çimen, advocaat te Amsterdam, en mr. J.R.V. van der Vinne, advocaat te Hoofddorp, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
15-238402-24
primair
hij op of omstreeks 22 juli 2024 te Haarlem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [aangever] opzettelijk van het leven te beroven,
- meermaals met een metalen buis, althans een hard voorwerp, heeft geslagen op het hoofd, het bovenlijf, de armen en/of benen van [aangever] en/of
- meermaals met hoge/aanzienlijke snelheid met een personenauto is ingereden op [aangever], althans tegen/over [aangever] is (aan)gereden,
- meermaals met een kettingslot, althans een hard voorwerp, heeft geslagen op het hoofd, het bovenlijf, de armen en/of benen van [aangever], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 22 juli 2024 te Haarlem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door
- meermaals met een metalen buis, althans een hard voorwerp, te slaan op het hoofd, het bovenlijf, de armen en/of benen van [aangever] en/of
- meermaals met hoge/aanzienlijke snelheid met een personenauto in te rijden op [aangever], althans tegen/over [aangever] (aan) te rijden en/of
- meermaals met een kettingslot, althans een hard voorwerp, te slaan op het hoofd, het bovenlijf, de armen en/of benen van [aangever];
meer subsidiair
hij op of omstreeks 22 juli 2024 te Haarlem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- meermaals met een metalen buis, althans een hard voorwerp, heeft geslagen op het hoofd, het bovenlijf, de armen en/of benen van [aangever] en/of
- meermaals met hoge/aanzienlijke snelheid met een personenauto is ingereden op [aangever], althans tegen/over [aangever] is (aan)gereden en/of
- meermaals met een kettingslot, althans een hard voorwerp, heeft geslagen op het hoofd, het bovenlijf, de armen en/of benen van [aangever], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
15-252395-25
hij op of omstreeks 24 september 2025 te Haarlem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere winkelgoederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan De Liede, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder parketnummer 15-238366-24 primair ten laste gelegde feit en van het onder parketnummer 15-252395-25 ten laste gelegde feit.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit van de onder parketnummer 15-238366-24 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde feiten. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat er geen sprake was van opzet op het toebrengen van dodelijk letsel en dat er geen sprake is van een voltooide zware mishandeling, zodat de verdachte van de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. Op het standpunt van de raadsvrouw zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van het onder parketnummer 15-252395-25 ten laste gelegde feit. Op het standpunt van de raadsman zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder parketnummer 15-238402-24 primair ten laste gelegde feit en het onder parketnummer 15-252395-25 ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
3.3.2
Bewijsmotivering
Parketnummer 15-238366-24
Feitenvaststelling
Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 22 juli 2024 rond 20:15 uur was aangever bij [eetgelegenheid] in Haarlem. Hij liep de deur uit en zag dat een auto zijn kant op kwam rijden, met daarin [medeverdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 3] (hierna ook: de verdachten). [verdachte] en [medeverdachte 3] zijn uit de auto gestapt en aangever heeft een kettingslot van zijn fiets gepakt. [medeverdachte 2] heeft tegen [verdachte] gezegd dat hij iets uit de kofferbak moest pakken om zichzelf te verdedigen, waarop [verdachte] een metalen buis uit de kofferbak heeft gepakt. Vervolgens is [verdachte] op aangever afgelopen. Aangever heeft met het kettingslot richting [verdachte] heeft geslagen en hem geraakt, waarna aangever het kettingslot heeft laten vallen. Aangever is daarna weggerend. [verdachte] is vervolgens achter aangever aangerend met de metalen buis in zijn handen en heeft aangever meermalen met de metalen buis op zijn lichaam en hoofd geslagen. [medeverdachte 3] is enige afstand gevolgd met een kettingslot in zijn handen. Vervolgens is [medeverdachte 2] met de auto achter aangever, [verdachte] en [medeverdachte 3] aangereden waarbij hij meerdere keren gevaarlijk over het trottoir is gereden. [medeverdachte 2] heeft geprobeerd aangever aan te rijden, waarbij hij er bij de tweede poging in slaagde om aangever te raken en bij de derde poging - in plaats van aangever - [verdachte] aanreed. [verdachte] bleef vervolgens gewond op de grond liggen. [medeverdachte 2] pakte de metalen buis van [verdachte] af en sloeg hiermee meerdere keren tegen het hoofd en lichaam van aangever, onder andere toen aangever op de grond lag. [medeverdachte 3] heeft zich na de aanrijding van [verdachte] bij [medeverdachte 2] gevoegd en heeft aangever meerdere keren geslagen met een kettingslot.
Op grond van bovenstaande stelt de rechtbank vast dat de verdachten de volgende geweldshandelingen hebben gepleegd:
[medeverdachte 2]: inrijden met een auto op aangever en [verdachte], meermalen aangever slaan met een metalen buis onder andere op zijn hoofd en lichaam;
[verdachte]: meermalen aangever slaan met een metalen buis op zijn lichaam en zijn hoofd;
[medeverdachte 3]: meermalen aangever slaan met een kettingslot.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot het oordeel dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 3] bij het uitoefenen van het zojuist beschreven geweld op aangever. Daarvoor vindt de rechtbank redengevend dat zij samen gewapend achter aangever zijn aangegaan: [medeverdachte 2] in zijn auto en [verdachte] en [medeverdachte 3] met een metalen buis en kettingslot. Op camerabeelden is te zien dat [verdachte] achter aangever aanrent en dat [medeverdachte 3] hen op korte afstand volgt. Vervolgens wenkt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 2] en geeft hem aanwijzingen waar hij naartoe moet rijden, alvorens [medeverdachte 2] met de auto op aangever inrijdt. De geweldshandelingen van de verdachten vinden zeer kort op elkaar volgend en grotendeels gelijktijdig plaats. Doordat [medeverdachte 3] en [verdachte] met wapens aangever aanvielen, kon [medeverdachte 2] op aangever inrijden. De verdachten zien het door de anderen uitgeoefende geweld en distantiëren zich hier op geen enkel moment van. Het geweld stopt niet als aangever op de grond ligt, ook dan blijft [medeverdachte 2] op hem inslaan met een metalen buis, bij welk geweld [medeverdachte 3] zich aansluit door met een kettingslot aangever te slaan. De omstandigheid dat [verdachte] op dat moment zelf was aangereden en op de grond lag, maakt niet dat hij op dat moment niet langer als medepleger kan worden aangemerkt. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt namelijk dat de verdachten gezamenlijk zijn opgetrokken om letsel aan aangever toe te brengen, waarbij zij inwisselbare rollen hadden en alle drie geweld hebben toegepast. Toen [verdachte] op de grond lag, hebben [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] de geweldshandelingen voortgezet waar [verdachte] eerder mee was begonnen. De rechtbank concludeert uit het voorgaande dat er sprake was van een dusdanige bewuste en nauwe samenwerking dat er sprake is van medeplegen.
De rechtbank kan niet vaststellen dat de verdachte erop uit was om aangever dodelijk letsel toe te brengen, in die zin dat hij daar ‘vol’ opzet op had. De rechtbank komt daarom toe aan de vraag of de verdachte opzet op diens dood heeft gehad in voorwaardelijke zin.
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het toebrengen van dodelijk letsel aan het slachtoffer – aanwezig is als de verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg door zijn handelen zal intreden. Of hiervan sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het moet daarbij gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Niet alleen is vereist dat de verdachte in dat geval wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachten meerdere keren met een kettingslot en een metalen buis op het hoofd van aangever hebben geslagen. Het met beide handen van boven het hoofd, met een lange en krachtige zwaai, met een metalen buis meerdere keren op het hoofd van aangever slaan, terwijl aangever op dat moment op de grond lag, kan naar algemene ervaringsregels leiden tot de dood van het slachtoffer, omdat schedel- en hersenletsel een dodelijke afloop tot gevolg kunnen hebben. Door met dergelijke voorwerpen met kracht op het hoofd - zijnde een kwetsbaar deel van het lichaam - te slaan, bestond de aanmerkelijke kans dat aangever zodanig hersenletsel zou oplopen dat hij daaraan kon overlijden. De gedragingen van de verdachte en de medeverdachten kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet anders worden uitgelegd dan dat zij met hun handelen bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat aangever dodelijk zou worden getroffen.
Het voorgaande, in samenhang bezien, leidt tot het oordeel dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen heeft geprobeerd aangever van het leven te beroven.
De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat niet bewezen kan worden dat bij het inrijden met de auto op aangever een aanmerkelijke kans op de dood bestond.
De rechtbank overweegt in dit verband dat, naar algemene ervaringsregels, de te verwachten gevolgen van een aanrijding van een voetganger door een auto in belangrijke mate worden bepaald door de snelheid van de auto. Hoewel op de beelden te zien is dat de verdachte eerder met aanzienlijke snelheid over het trottoir rijdt, waardoor mensen aan de kant moeten springen, zijn er bijvoorbeeld geen objectieve meetgegevens beschikbaar om de snelheid van de auto vast te stellen op het moment van het inrijden op aangever. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet worden vastgesteld dat de verdachte met een zodanige snelheid op de aangever is ingereden, dat de kans op de dood van de aangever aanmerkelijk was. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.
Parketnummer 15-252395-25
De rechtbank acht, anders dan de raadsman, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de winkelgoederen heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen. De verdachte heeft samen met een ander in totaal 31 six-packs Coca Cola weggenomen. Gelet op de hoeveelheid van de weggenomen blikjes en de duidelijk zichtbare actiemarkering op het pallet waar de blikjes op stonden, acht de rechtbank de verklaring van de verdachte dat hij dacht dat de blikjes gratis waren, niet aannemelijk.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 15-238402-24 primair ten laste gelegde feit en het onder parketnummer 15-252395-25 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
15-238402-24
primair
hij op 22 juli 2024 te Haarlem tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om [aangever] opzettelijk van het leven te beroven,
- meermaals met een metalen buis heeft geslagen op het hoofd van [aangever] en
- meermaals met een kettingslot heeft geslagen op het hoofd van [aangever],
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
15-252395-25
hij op 24 september 2025 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander, winkelgoederen, die aan De Liede, toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
15-238402-24
primair: medeplegen van poging tot doodslag;
15-252395-25
diefstal door twee of meer verenigde personen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen, waarvan 181 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de periode die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijk strafdeel dient een contactverbod met aangever te worden verboden. De officier van justitie heeft gevorderd dat deze voorwaarde dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de verdachte heeft verzocht om rekening te houden met zijn persoonlijke omstandigheden en bij een bewezenverklaring geen straf hoger dan het voorarrest op te leggen.
De raadsman van de verdachte heeft primair verzocht om toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Subsidiair heeft de raadsman verzocht een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door het slachtoffer meerdere keren tegen zijn hoofd te slaan met een metalen buis en een kettingslot. De verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan een zeer ernstig misdrijf. Dat het slachtoffer niet daadwerkelijk dodelijk gewond is geraakt, is een omstandigheid die niet aan de verdachte is te danken. Door op deze manier te handelen heeft de verdachte een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en op grove wijze zijn lichamelijke integriteit aangetast. De verdachte besloot, toen hij aangever zag, een metalen buis uit de auto te pakken en achter aangever aan te gaan, waarna hij meerdere keren op onder andere het hoofd van het slachtoffer heeft geslagen. Deze gebeurtenis moet voor het slachtoffer een zeer beangstigende situatie zijn geweest, zoals ook blijkt uit de slachtofferverklaring die op de zitting naar voren is gebracht. Bovendien vond deze gebeurtenis plaats op straat, terwijl er veel omstanders aanwezig waren. Dit soort feiten zorgen voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Dit blijkt ook wel uit de op de zitting getoonde beelden, waarop veel geschreeuw van omstanders is te horen. De reden voor deze gewelddadige confrontatie is gelegen in een langlopend familieconflict. Hoewel dit conflict de zaak kleurt, rekent de rechtbank het de verdachte aan dat hij met geweld dit conflict heeft geprobeerd op te lossen en daarmee voor eigen rechter heeft gespeeld.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een diefstal in vereniging. Hiermee heeft hij inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van een ander. Winkeldiefstallen zijn ergerlijke feiten die doorgaans veel overlast en financiële schade geven voor betrokkenen.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 24 april 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. De rechtbank zal het strafblad van de verdachte daarom niet in zijn nadeel meewegen. Wel is de verdachte in 2025 veroordeeld voor lachgasbezit, waardoor artikel 63 Sr Pro aan de orde is.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het consult rechtspleging van 17 oktober 2024 en de Pro Justitia rapportage van 25 november 2024. Hieruit volgt dat er aanwijzingen zijn dat bij de verdachte sprake is van een beperkt intellect, al dan niet op basis van eerder vastgesteld niet aangeboren hersenletsel. Daarnaast zou sprake zijn van een beperkt probleemoplossend vermogen. Een onderliggend gemankeerde persoonlijkheidsontwikkeling kan bij de verdachte evenmin worden uitgesloten. Omdat de verdachte niet heeft willen meewerken aan het onderzoek, kan niet worden beoordeeld of de verdachte lijdt aan een psychische stoornis, verstandelijke beperking en/of psychogeriatrische aandoening.
De reclassering heeft op 23 april 2025 bericht dat de verdachte niet heeft willen meewerken aan een gesprek met de reclassering, waardoor zij geen rapport hebben kunnen opstellen.
De op te leggen straf
Bij het bepalen van de duur van die gevangenisstraf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Gelet op de aard en ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, is de rechtbank van oordeel dat in beginsel niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Hoewel de ernst van de poging doodslag het opleggen van een langere gevangenisstraf zou rechtvaardigen dan de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal de rechtbank volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de achtergrond van deze zaak, te weten een langlopend familieconflict, en het tijdsverloop in deze zaak. De rechtbank ziet in de rol van de verdachte aanleiding een lagere straf op te leggen dan de straf die aan de medeverdachte wordt opgelegd.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 365 dagen moet worden opgelegd, waarvan 181 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, om de verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel enkel een contactverbod met aangever - en geen locatieverbod - verbinden. Omdat er gelet op het doorlopende conflict tussen de verdachte en de aangever ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, beveelt de rechtbank dat de bijzondere voorwaarde dadelijk uitvoerbaar is.

7.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [aangever] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 7.430,97 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder parketnummer 15-238402-24 primair ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 5.000,- immateriële schade en € 2.430,97 materiële schade. De materiële schade bestaat uit vijf posten:
kleding: € 480,-;
telefoon: € 150,-;
eigen risico zorgverzekering: 683,39;
reiskosten: € 159,89;
medische verschotten: € 957,69.
Standpunten van de partijen
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering toe te wijzen.
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, wegens de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de materieel verzochte schade. Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding heeft zij verzocht het bedrag te matigen.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Het gedeelte van de vordering dat ziet op de posten kleding, telefoon, eigen risico zorgverzekering en medische verschotten is voldoende onderbouwd en niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting stelt de rechtbank vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de reiskosten van zijn zus niet-ontvankelijk in de vordering, omdat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij heeft onvoldoende aangetoond dat hij deze kosten zelf heeft moeten maken. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een onevenredige belasting van deze strafprocedure. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Immateriële schade
De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij is gebaseerd op artikel 6:106 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW Pro is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer of goede naam of 'op andere wijze' in zijn persoon is aangetast.​
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte lichamelijk letsel heeft opgelopen, onder meer meerdere verwondingen op zijn hoofd en lichaam, een fractuur van zijn spaakbeenkopje en een ontsierend litteken in zijn gezicht. Daarnaast is sprake van aantasting van zijn persoon op andere wijze, te weten geestelijk letsel in de vorm van PTSS. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.
De vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2025. De vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juli 2024.
Hoofdelijk
Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Hetzelfde geldt voor de toe te wijzen proceskosten. Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Proceskosten
De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. Verder wordt de verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47, 57, 63, 287 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 15-238402-24 primair ten laste gelegde feit en het onder parketnummer 15-252395-25 ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
driehonderdvijfenzestig (365) dagen,met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot
honderdeenentachtig (181) dagen,nietten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op
twee (2) jarenbepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte:
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met: [aangever], geboren op [geboortedatum aangever].
Beveelt dat de gestelde bijzondere voorwaarde dadelijk uitvoerbaar is.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[aangever]geleden schade tot een bedrag van
€ 7.271,08(zevenduizend tweehonderdeenenzeventig euro en acht eurocent), bestaande uit € 2.271,08 als vergoeding voor de materiële en € 5.000,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over:
  • € 2.271,08 vanaf 1 januari 2025;
  • € 5.000,- vanaf 22 juli 2024;
tot aan de dag der algehele voldoening aan [aangever], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een van de medeverdachten is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [aangever] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 7.271,08, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 61 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente over:
  • € 2.271,08 vanaf 1 januari 2025;
  • € 5.000,- vanaf 22 juli 2024;
tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachten aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Rigter, voorzitter,
mr. D.J. Straathof en mr. N.B. Genemans, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.D.C. Schoenmaker,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 juni 2026.