Uitspraak
1.De procedure
- de e-mail van 12 maart 2026 van [gedaagde] ;
2.De feiten
3.Het geschil
€ 1.335,65, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.143,45 vanaf 26 augustus 2025 tot de dag van algehele betaling en tot betaling van de proceskosten. [eiser] wil de mogelijkheid krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.
4.De beoordeling
wij[ [eiser] en Kemmers, toevoeging kantonrechter]
gaan beoordelen of en zo ja hoe wij jou[ [gedaagde] , toevoeging kantonrechter]
het beste kunnen bijstaan.’ Deze bewoordingen ‘
of en zo ja hoe’ zijn duidelijk en niet voor een andere uitleg vatbaar. Weliswaar staat in de opdrachtomschrijving ook vermeld dat [eiser] op basis van de door [gedaagde] verstrekte informatie en de nog te verstrekken documenten berekeningen voor hem zou maken. Maar op grond van de bewoordingen in de opdrachtomschrijving staat voor de kantonrechter vast dat dit afhankelijk is van de uitkomst van de beoordeling van [eiser] en Kemmers of zij [gedaagde] zouden bijstaan. Bovendien staat als onweersproken vast dat [gedaagde] op 6 maart 2025 slechts een mondelinge toelichting op zijn zaak heeft gegeven, zodat er op dat moment nog geen beoordeling kon worden gemaakt van de proceskansen van [gedaagde] . Het maken van berekeningen was dan ook nog niet aan de orde.