ECLI:NL:RBNHO:2026:7382

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
K/4101/11919377
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:204 BWArt. 7:208 BWArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering gevolgschade lekkage en vergoeding elektraverbruik bouwdrogers

De huurders vorderden schadevergoeding voor gevolgschade door een lekkage in hun woning tijdens renovatiewerkzaamheden door de verhuurder, Stichting Woonwaard Noord-Kennemerland. De lekkage ontstond doordat een tijdelijk zeil op het dak losraakte tijdens storm Ciaran. De huurders stelden dat hierdoor hun meubels beschadigd raakten en vorderden vergoeding van deze schade en van het elektraverbruik van bouwdrogers.

De kantonrechter oordeelde dat de lekkage als gebrek in de zin van artikel 7:204 BW Pro kan worden aangemerkt, maar dat de verhuurder niet aansprakelijk is omdat de lekkage niet aan haar is toe te rekenen. De storm was een onvoorziene omstandigheid en er was geen bewijs van nalatigheid. Daarnaast hebben de huurders de schade onvoldoende onderbouwd; zij leverden geen beeldmateriaal en lieten een onafhankelijke schade-expert niet beoordelen. Ook facturen waren niet overtuigend of niet aan hen gericht.

Verder werd geoordeeld dat de vergoeding voor het elektraverbruik van bouwdrogers alleen geldt tot 1 december 2023. De bouwdrogers zijn toen uitgezet en de huurders hebben niet aangetoond dat zij daarna op verzoek van de verhuurder zijn ingeschakeld. Het feit dat de bouwdrogers aanstonden op video-opnamen is onvoldoende om vergoeding toe te kennen.

De vorderingen van de huurders werden daarom afgewezen en zij werden veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De vorderingen van de huurders worden afgewezen wegens ontbreken van toerekenbaarheid en onvoldoende onderbouwing van schade.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11919377 \ CV EXPL 25-3752 (SJ)
Vonnis van 22 april 2026(bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser 1] en [eiser 2],
te [plaats] ,
eisers,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
gemachtigde: mr. M.T.W. Wijling,
[toevoegingsnummer: [nummer] ]
tegen
Stichting Woonwaard Noord-Kennemerland,
te Alkmaar,
gedaagde,
hierna te noemen: Woonwaard,
gemachtigde: mr. M.J. Dekker.
De zaak in het kort
In deze zaak vorderen de huurders van de verhuurder onder meer de gevolgschade van een lekkage in hun woning. De kantonrechter wijst deze vordering af wegens ontbreken van toerekenbaarheid aan de verhuurder als bedoeld in artikel 7:208 BW Pro. Daarbij hebben de huurders de gestelde schade niet onderbouwd, zodat de vordering ook om die reden wordt afgewezen. Dit maakt dat niet wordt toegekomen aan de beoordeling of sprake is van een onrechtmatige daad van de verhuurder. Verder oordeelt de kantonrechter dat de huurders na 1 december 2023 geen vergoeding voor het elektraverbruik voor de inzet van bouwdrogers toekomt.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 24 december 2025;
- de brief van 30 maart 2026 van [eisers] met aanvullende producties;
- de mondelinge behandeling van 10 april 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft bijgehouden;
- de pleitnota van mr. Wijling;
- de pleitnota van mr. Dekker.

2.De feiten

2.1.
[eisers] huren sinds december 1995 van Woonwaard de woning aan [adres] te [plaats] (hierna: de woning).
2.2.
Op 16 oktober 2023 is Woonwaard gestart met de renovatie van de woning van [eisers]
2.3.
Op 3 november 2023 hebben [eisers] bij Woonwaard gemeld dat in hun woning een lekkage is ontstaan.
2.4.
Op 3 november 2023 heeft Woonwaard de lekkageschade opgenomen, de lekkage verholpen en vier bouwdrogers in de woning geplaatst om het resterende vocht uit de woning te halen. Verder heeft Woonwaard een logeerwoning aan [eisers] aangeboden. Van dit aanbod hebben [eisers] gebruik gemaakt.
2.5.
Op 1 december 2023 hebben de projectbegeleider van Woonwaard en de uitvoerder van de aannemer van Woonwaard bij een bezoek aan de woning van [eisers] geconstateerd dat [eisers] een dragende muur tussen de keuken en de woonkamer hebben verwijderd.
2.6.
Op 16 januari 2024 heeft Woonwaard aan [eisers] laten weten dat er een vergoeding van € 1.120,00 zou worden betaald voor de extra elektriciteitskosten door de bouwdrogers voor de periode van 3 november 2023 tot 1 december 2023.
2.7.
Op 15 maart 2024 heeft Woonwaard een inventarislijst via de dochter van [eisers] ontvangen.
2.8.
Op 16 april 2024 hebben de projectbegeleider en de bewonersbegeleider van Woonwaard met uitvoerder van de aannemer van Woonwaard nogmaals de woning van [eisers] bezocht.
2.9.
Eind april 2024 zijn [eisers] naar hun eigen huurwoning terug gegaan.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vorderen om Woonwaard te veroordelen tot betaling van € 7.780,00 vanwege schade aan de meubels en tot betaling van € 1.000,00 op grond van nakoming van de overeenkomst met betrekking tot de bouwdrogers, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele betaling. [eisers] vorderen ook dat Woonwaard in de proceskosten wordt veroordeeld.
3.2.
[eisers] stellen – kort weergegeven – dat hun woning in opdracht van Woonwaard is gerenoveerd en dat tijdens de renovatie een lekkage is ontstaan. De hoge luchtvochtigheid, die hierdoor is ontstaan, heeft ervoor gezorgd dat hun meubilair is gaan schimmelen. Volgens [eisers] is Woonwaard primair op grond van artikel 7:204 en Pro 7:208 BW en subsidiair op grond van artikel 6:162 BW Pro verplicht om de schade te vergoeden. De schade hebben [eisers] geraamd op € 7.679,00 en zij wijzen op de inventarislijst die zij hebben opgesteld. Verder vorderen zij nakoming van de afspraak van een vergoeding voor het energieverbruik van € 10,00 per dag dat de bouwdrogers hebben aangestaan voor de periode van 1 december 2023 tot 15 maart 2024. [eisers] stellen dat de door Woonwaard geplaatste bouwdrogers tot 15 maart 2024 hebben aangestaan. Zij betwisten dat de bouwdrogers op 1 december 2023 zijn uitgezet omdat de woning droog was. De bouwdrogers hebben een hygrostaat, zodat de bouwdrogers uitschakelen als de luchtvochtigheid onder een bepaald niveau komt. Het feit dat de drogers aanstonden, houdt volgens [eisers] in dat de woning nog vochtig was. [eisers] wijzen in dit verband op de video-opnamen van 16 januari 2024 en 22 maart 2024, waarop is te zien dat de bouwdrogers aanstonden.
3.3.
Woonwaard voert als verweer – kort weergegeven – aan dat met de inventarislijst niet wordt aangetoond dat de daarop vermelde goederen beschadigd waren door de lekkage. Er is een zeil op het dak losgeraakt en hierdoor zijn vochtplekken ontstaan. Het zeil is vastgezet, er zijn bouwdrogers geplaatst, de vochtplekken zijn hersteld, er is een nieuwe keuken geplaatst en nieuw laminaat gelegd en er heeft zich geen nieuwe lekkage voorgedaan. De vermeende beschadigde goederen heeft Woonwaard bij haar diverse bezoeken aan de woning niet gezien. Verder voert Woonwaard aan dat van toerekening in de zin van artikel 7:208 BW Pro geen sprake is omdat geen sprake is van schuld of enige verwijtbaarheid en [eisers] ook niet hebben bewezen dat het losraken van het zeil is te wijten aan nalatigheid van Woonwaard. De slechte weersomstandigheden zijn debet geweest aan het losraken van het zeil. Volgens Woonwaard hebben [eisers] ook geen recht op een vergoeding voor de elektrakosten. Woonwaard voert aan dat zij de bouwdrogers op 1 december 2023 heeft uitgezet omdat de woning droog was. Zij heeft de bouwdrogers niet opnieuw ingeschakeld en [eisers] geadviseerd om dat ook niet zelf te doen. Dat [eisers] dit advies niet hebben opgevolgd is Woonwaard niet aan te rekenen. [eisers] hebben niet onderbouwd dat het nodig was om de bouwdrogers na 1 december 2023 aan te zetten of dat dit op verzoek van Woonwaard was.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna – voor zover nodig voor de beoordeling van de zaak – nader ingegaan.

4.De beoordeling

Woonwaard is niet aansprakelijk voor de gevolgschade van de lekkage
4.1.
Niet in geschil is dat in de nacht van 3 november 2023 een lekkage in de woning van [eisers] heeft plaatsgevonden doordat het zeil, dat vanwege werkzaamheden aan het dak als tijdelijke afdichting diende, is losgeraakt. De lekkage is naar het oordeel van de kantonrechter als een gebrek in de zin van artikel 7:204 BW Pro aan te merken.
4.2.
De vraag die ter beoordeling voorligt, is of Woonwaard ten aanzien van [eisers] aansprakelijk is voor de door het gebrek veroorzaakte schade. Vooropgesteld wordt dat de verhuurder op grond van artikel 7:208 BW Pro tot vergoeding van de door een gebrek veroorzaakte schade verplicht is, indien het gebrek na het aangaan van de overeenkomst is ontstaan en aan hem is toe te rekenen, alsmede indien het gebrek bij het aangaan van de overeenkomst aanwezig was en de verhuurder het toen kende of had behoren te kennen, of toen aan de huurder heeft te kennen gegeven dat de zaak het gebrek niet had.
4.3.
Niet is gesteld of gebleken dat er sprake is van een gebrek dat bij het aangaan van de overeenkomst in 1995 aanwezig was. Verder is de kantonrechter van oordeel dat [eisers] niet voldoende hebben gesteld of bewezen dat er sprake is van nalatigheid of ander verwijtbaar gedrag op grond waarvan Woonwaard aansprakelijk zou moeten worden gehouden voor de lekkage. Als onweersproken staat vast dat in de nacht van 3 november 2023 sprake was van uitzonderlijke en onverwachte weersomstandigheden omdat toen storm Ciaran, gepaard gaande met zware windstoten en veel regen, Noord-Holland passeerde. De kantonrechter acht het met Woonwaard aannemelijk dat het zeil hierdoor is losgeraakt. Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de lekkage niet aan Woonwaard is toe te rekenen. Woonwaard is dus niet op grond van artikel 7:208 BW Pro aansprakelijk voor de door [eisers] gestelde schade. [eisers] hebben op de zitting nog wel verklaard dat zij op 29 oktober 2023 en 29 december 2023 ook een (ernstige) lekkage hadden. Voor zover [eisers] hiermee bedoelen te stellen dat Woonwaard de lekkage niet goed heeft hersteld en daarom aansprakelijk is voor de gevolgschade, gaat de kantonrechter aan deze verklaring voorbij omdat deze pas voor het eerst op zitting naar voren is gebracht, niet is onderbouwd en door Woonwaard gemotiveerd is weersproken.
4.4.
Afgezien van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [eisers] de gestelde schade niet hebben onderbouwd. De vordering moet ook om die reden worden afgewezen. Zo hebben [eisers] nagelaten om van de meeste spullen, die op de inventarislijst van [eisers] staan, beeldmateriaal over te leggen. Daarnaast hebben zij geen gebruik gemaakt van de door Woonwaard geboden mogelijkheid om de gestelde schadeposten door een onafhankelijk schade-expert te laten beoordelen. [eisers] hebben geen afspraak gemaakt met de schade-expert om langs te komen, terwijl dat wel op hun weg had gelegen en van hun had mogen worden verlangd. Bovendien hebben zij hun spullen, volgens eigen zeggen, weggegooid voordat Woonwaard (of een onafhankelijk schade-expert) de gestelde schade kon beoordelen. Niet weersproken is dat zij dat op eigen initiatief hebben gedaan. Dit maakt ook dat het voor rekening en risico van [eisers] komt dat niet kan worden beoordeeld of er sprake is van schade ten gevolge van de lekkage van 3 november 2023.
4.5.
Ook de door [eisers] overgelegde facturen kunnen niet dienen ter onderbouwing van de door hen gestelde schade. Het gaat onder meer om een factuur van
€ 2.700,00 voor stuc- en schilderwerk in de woonkamer, terwijl onbetwist is dat er in de woonkamer geen schade was als gevolg van de lekkage. Daarmee hebben [eisers] in strijd met de waarheidsplicht gehandeld. Bovendien had Woonwaard alle muren in de woonkamer al uit coulance laten stucen. Verder hebben [eisers] een factuur van
€ 3.000,00 voor horren en raambekleding overgelegd. Maar deze factuur is niet aan hen gericht. Een en ander doet afbreuk aan hun geloofwaardigheid.
4.6.
Bovenstaand oordeel heeft tot gevolg dat de subsidiaire grondslag, te weten: schadevergoeding op grond een onrechtmatige daad, verder onbesproken kan blijven.
Woonwaard hoeft geen vergoeding voor elektriciteitskosten na 1 december 2023 te betalen
4.7.
Niet in geschil is dat Woonwaard aan [eisers] een vergoeding van
€ 10,00 per dag per bouwdroger aan [eisers] zou betalen als compensatie voor het elektraverbruik. Vast staat dat Woonwaard voor de periode van 3 november 2023 tot 1 december 2023 de afgesproken vergoeding aan [eisers] heeft betaald.
4.8.
De kantonrechter is met Woonwaard van oordeel dat [eisers] na 1 december 2023 geen vergoeding voor het electraverbruik van de bouwdrogers toekomt. Hiervoor is redengevend dat [eisers] niet gemotiveerd hebben betwist dat Woonwaard de bouwdrogers op 1 december 2023 heeft uitgezet. [eisers] hebben ook niet onderbouwd dat de bouwdrogers na 1 december 2023 op verzoek van Woonwaard zijn aangezet en dat het nodig was om de bouwdrogers aan te zetten in verband met resterend vocht in de woning als gevolg van de lekkage van 3 november 2023. De omstandigheid dat de bouwdrogers een hygrostaat hebben, wat hier ook van zij, en dat op video-opnamen is te zien dat de bouwdrogers 16 januari 2024 en 22 maart 2024 aanstonden, maakt het voorgaande niet anders. Hiermee is immers niet gezegd dat het eventuele vocht afkomstig was van de lekkage. Feit is dat Woonwaard [eisers] in januari 2024 heeft geadviseerd om de bouwdrogers niet aan te zetten en een afspraak te maken om de bouwdrogers te laten ophalen en dat [eisers] hieraan geen gevolg hebben gegeven. Het is dan ook Woonwaard niet aan te rekenen dat de bouwdrogers na 1 december 2023 zijn aangezet. Dit deel van de vordering van [eisers] zal daarom ook worden afgewezen.
4.9.
Gelet op het voorgaande komt de kantonrechter niet toe aan het beoordelen van de door [eisers] overgelegde nota’s waaruit het elektriciteitsverbruik blijkt.
De proceskosten
4.10.
[eisers] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Woonwaard worden begroot op:
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
864,00
4.11.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vordering van [eisers] af;
5.2.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van € 864,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Merkus en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.