Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:7388

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
C/15/379268
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:257 BWArt. 1:265b BWArt. 807 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging tot uithuisplaatsing minderjarige wegens mishandeling

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de kinderrechter om een voorlopige ondertoezichtstelling van de minderjarige voor drie maanden en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder voor vier weken. Dit verzoek volgde op een incident van fysieke mishandeling door de vader op 13 juni 2026, waarbij de minderjarige angstig is voor herhaling en zich onveilig voelt bij zijn vader.

De kinderrechter concludeerde dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de ontwikkeling van de minderjarige acuut en ernstig wordt bedreigd door de thuissituatie, waarin onvoldoende structuur, begrenzing en veiligheid aanwezig zijn. De moeder erkent de opvoedingsmoeilijkheden en staat achter de veiligheidsafspraken die zijn gemaakt.

Gezien de fysieke mishandeling en de ontkennende houding van de vader, acht de kinderrechter uithuisplaatsing noodzakelijk. De beslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing wordt direct uitvoerbaar verklaard. De verdere behandeling van het verzoek wordt aangehouden en een zitting zal op een later moment plaatsvinden.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige voorlopig onder toezicht en machtigt spoedige uithuisplaatsing bij de moeder wegens fysieke mishandeling door de vader.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/379268 / JU RK 26-968
Datum uitspraak: 19 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbeschermingte Haarlem,
hierna te noemen de Raad,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , [land] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers, hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 19 juni 2026.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] woont bij zijn vader.
2.3.
Op 30 april 2026 is een verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarige ingediend. Het zaaknummer is C/15/377884. Het verzoek tot ondertoezichtstelling wordt ter zitting behandeld op 25 juni 2026 bij de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de andere gezaghebbende ouder, te weten zijn moeder te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.

4.De beoordeling

4.1.
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen.
Er zijn zorgen over een incident waarbij er sprake zou zijn geweest van fysieke mishandeling vanuit vader richting [de minderjarige] , wat hij gedeeld heeft met school. Het gaat over een incident op zaterdag 13 juni 2026. Door dit incident is [de minderjarige] bang dat zijn vader hem weer gaat slaan. Moeder heeft het incident ook gezien. [de minderjarige] voelt zich niet veilig bij zijn vader. Als de melding gedeeld wordt met vader is [de minderjarige] bang dat hij buiten moet slapen of dat hij weer geslagen wordt. Bij zijn moeder voelt hij zich iets meer veilig, maar kan hij zich ook onveilig voelen. Bij zijn moeder is het minder erg, want dat is ’alleen’ schreeuwen. Volgens de Raad voor de Kinderbescherming is bovendien sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [de minderjarige] , omdat hij opgroeit in een thuissituatie waarin onvoldoende structuur, begrenzing en veiligheid wordt geboden.
4.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. De moeder heeft moeite met de opvoeding van [de minderjarige] , die zelfbepalend gedrag laat zien. De raadsonderzoekers hebben de veiligheidsafspraken met moeder en [de minderjarige] gemaakt en beiden hebben gezegd hierachter te staan. Zowel moeder als [de minderjarige] gaan zich hieraan houden en weten met wie zij contact moeten opnemen op het moment dat het uit de hand dreigt te lopen. Echter benadrukt moeder wel dat er hulpverlening nodig is.
4.3.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst. [2] Gelet op de fysieke mishandeling van [de minderjarige] door vader en de ontkennende en afhoudende reactie van vader op dit incident, alsmede de angst van [de minderjarige] voor zijn vader, kan hij op dit moment niet bij zijn vader wonen.
4.4.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom stelt de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de duur van drie maanden. Ook machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen bij de moeder voor de duur van vier weken.
4.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.6.
De Raad en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
stelt
[de minderjarige]voorlopig onder toezicht van de gecertificeerde instelling Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers met ingang van 19 juni 2026 tot 19 september 2026;
5.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige]bij de andere gezaghebbende ouder, te weten zijn moeder met ingang van 19 juni 2026 tot 17 juli 2026;
5.3.
verklaart de beslissing onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en bepaalt de voortzetting daarvan op een nader te bepalen zitting;
5.5.
bepaalt dat de griffier de Raad, GI, de vader, de moeder en [de minderjarige] tijdig op te roepen voor de zitting.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. Flipse, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026, in aanwezigheid van L. de Greef als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open. [3]

Voetnoten

1.Artikel 1:257 BW Pro.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).
3.Artikel 807 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).