ECLI:NL:RBNHO:2026:7500

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
HAA 25/369
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OwArt. 5.5 OwArt. 11.46 BalArt. 11.54 BalArt. 5:39 Awb
Verwijzingen
736 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herroeping last onder dwangsom wegens ontbreken overtreding beschermde diersoorten

Het college van gedeputeerde staten legde aan eiseres een last onder dwangsom op om het doden van beschermde dieren binnen haar bouwproject te voorkomen. Eiseres betwistte dit en stelde dat zij handelde conform de ontheffingsvoorschriften en het ecologisch werkprotocol.

De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van overtreding van artikel 5.5 van de Omgevingswet, omdat het voorschrift dat de afvangemmers minimaal twee keer per etmaal gecontroleerd moeten worden, niet impliceert dat vaker controleren verplicht is. Ook bleek uit controles dat eiseres deze controlefrequentie naleefde.

Voorts stelde de rechtbank vast dat er geen sprake was van overtreding van artikel 5.1, tweede lid, onder g, van de Omgevingswet, gelezen in samenhang met artikel 11.46 van het Besluit activiteiten leefomgeving, omdat niet was gebleken dat eiseres bewust de aanmerkelijke kans op het doden van beschermde dieren had aanvaard.

Daarom was het college niet bevoegd de last onder dwangsom op te leggen. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, herroept de last met terugwerkende kracht, vernietigt het invorderingsbesluit en veroordeelt het college tot terugbetaling van de betaalde dwangsommen en vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De last onder dwangsom en het invorderingsbesluit worden vernietigd omdat geen overtreding is vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/369

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen

de commanditaire vennootschap GEM Bloemendalerpolder C.V., uit Amsterdam, eiseres
(gemachtigde: mr. J.C. Ellerman en mr. F. Onrust),
en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

(gemachtigde: mr. J. Benz en mr. F. Sassen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan eiseres opgelegde last onder dwangsom en het besluit tot invordering van de van rechtswege verbeurde dwangsommen. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de bestreden besluiten.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college niet bevoegd was om de last op te leggen omdat geen sprake was van een overtreding. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de bestreden besluiten. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank eerst in op de vraag of sprake is van een overtreding van de voorschriften van de ontheffing, zoals bedoeld in artikel 5.5 van de Omgevingswet (Ow). Vervolgens beoordeelt de rechtbank onder 5 of sprake is van overtreding van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, Ow, gelezen in samenhang met artikel 11.46 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) door het opzettelijk doden van dieren. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
1.3.
Wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2.1
In een besluit van 9 augustus 2024 heeft het college aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd om (in essentie) het doden van beschermde dieren op de bouwvelden binnen het projectgebied Bloemendalerpolder van eiseres te voorkomen.
2.2
In het bestreden besluit van 19 december 2024 heeft het college het door eiseres tegen de last ingediende bezwaar ongegrond verklaard.
2.3
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4
Het college heeft op 12 juni 2025 een verweerschrift ingediend.
2.5
Eiseres heeft op 1 december 2025 schriftelijk op dit verweerschrift gereageerd.
2.6
Op 5 juni 2025 heeft het college besloten om tot invordering van verbeurde dwangsommen van in totaal € 9.000,- over te gaan. Op grond van artikel 5:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen de last onder dwangsom mede betrekking op het invorderingsbesluit.
2.7
Eiseres heeft op 1 december 2025 schriftelijk hierop gereageerd.
2.8
Het college heeft op 25 maart 2026 een verweerschrift over de invordering ingediend.
2.9
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens eiseres: de gemachtigden van eiseres, [naam 1] (directeur bij eiseres) en [naam 2] (ecoloog en opsteller van het werkprotocol). Namens het college hebben de gemachtigden van het college deelgenomen alsmede [naam 3] (inspecteur) en [naam 4] .

Totstandkoming van de bestreden besluiten

3.1
Eiseres realiseert in de Bloemendalerpolder in Weesp een woonwijk met 2.750 woningen met bijbehorende voorzieningen. Het project is onderverdeeld in een aantal gebiedsdelen en fasen waarin de werkzaamheden plaatsvinden.
3.2
Omdat de Bloemendalerpolder het leefgebied is van verschillende beschermde diersoorten heeft het college aan eiseres voor het project verschillende ontheffingen verleend van een aantal verbodsbepalingen in de toen nog geldende Wet natuurbescherming, waaronder een ontheffing van 1 november 2017 die laatstelijk op 11 juli 2022 is verlengd tot 30 september 2027. De ontheffing ziet onder meer op het afvangen en het verstoren van exemplaren van de beschermde diersoorten heikikker, rugstreeppad, hermelijn, wezel en ringslang en het vernielen van hun leefgebied. In de bouwvelden van eiseres staan voor het afvangen van de rugstreeppad ongeveer 1.000 afvangemmers.
3.3
In de ontheffing zijn de volgende, relevante voorschriften opgenomen:
Voorschrift 29:
Wanneer exemplaren van de rugstreeppad in het projectgebied (binnen het scherm) worden aangetroffen, worden de werkzaamheden binnen het betreffende scherm direct stilgelegd en:
Worden de aangetroffen exemplaren van de soort afgevangen en vervoerd naar een geschikte locatie buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden en;
Worden conform het ecologisch werkprotocol emmers of andere inloopvallen geplaatst om overige exemplaren af te vangen;
Worden de werkzaamheden pas hervat wanneer er na minimaal 5 aaneengesloten dagen en onder gunstige weersomstandigheden geen exemplaren van de soort meer zijn aangetroffen;
Worden na het eindigen van de afvangrondes de emmers of andere inloopvallen direct op dezelfde dag verwijderd dan wel afgesloten om onnodig inlopen en sterfte van andere soorten te voorkomen;
Worden bij het verwijderen van de emmers of andere inloopvallen de gaten in de bodem weer gesloten.
Voorschrift 30:
Bij het afvangen van amfibieën in geschikt landbiotoop dient te worden gewerkt conform de methode zoals is beschreven in het ecologisch werkprotocol en is bijgevoegd bij de ontheffing van 1 november 2017.
Voorschrift 31:
Bij het afvangen van amfibieën in geschikt landbiotoop dient eiseres bij het gebruik van ingegraven emmers of andere inloopvallen minimaal twee maal per etmaal te controleren of dieren in de vallen aanwezig zijn. Aangetroffen dieren dient eiseres direct te verplaatsen naar geschikt leefgebied buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden.
Voorschrift 32:
Indien het niet mogelijk is om minimaal twee maal per etmaal de inloopvallen te controleren, dient eiseres de vallen gedurende de periode dat eiseres geen dieren gaat afvangen af te sluiten om het inlopen en onnodige sterfte van dieren te voorkomen.
Voorschrift 50:
De werkzaamheden en bovengenoemde voorschriften dienen te worden uitgevoerd onder begeleiding van een deskundige op het gebeid van de soorten waarvoor ontheffing is verleend.
3.4
In het werkprotocol van 14 maart 2017 dat bij de ontheffing hoort staat:
“4. Voor het afvangen worden in een raster emmers ingegraven, waarbij de emmers op een onderlinge afstand van 50 meter komen te staan (zie hiervoor een schema). In deze emmers wordt - ter voorkoming van dode dieren - aas en dekking aangebracht (als aas voor de muizen is een mengsel van havermout en pindakaas aangevuld mrt stukjes appel of wortel en meelwormen geschikt om dode dieren te voorkomen). Een pluk hooi geeft een goede dekking voor de muizen.
5. De emmers worden iedere ochtend nagelopen en geleegd.”
3.5
Op 26 juni 2024 hebben toezichthouders van het college op bouwveld 5B1 (onder meer) geconstateerd dat in de afvangemmers op het terrein ongeveer 340 veelal juveniele rugstreeppadden zaten, waarvan ongeveer 122 dood waren. Ook hebben de toezichthouders twee volwassen padden in de afvangemmers gevonden, waarvan een dood was. De emmers bevatten ten onrechte ook geen hooi of ander materiaal waar de rugstreeppadden onder konden schuilen. Ook was er geen voedsel/aas aanwezig in de emmers. Het college heeft eiseres per e-mail hierover geïnformeerd op 26 juni 2024 en 1 juli 2024.
3.6
Op 5 juli en 9 juli 2024 hebben toezichthouders weer controles uitgevoerd op de bouwterreinen van eiseres en geconstateerd dat afvangemmers op bouwvelden waren volgelopen met water. Ook hiervan zijn controlerapporten opgemaakt.
3.7
Op 11 juli 2024 heeft het college een brief naar eiseres gestuurd en eiseres gewezen op deze constateringen, de voorschriften in de ontheffingen en de zorgplichtbepalingen. Daarbij is ook aangegeven dat bij een herhaalde constatering handhavend zal worden opgetreden.
3.8
Tijdens een controle op 30 juli 2024 hebben toezichthouders van het college op bouwveld 5B1 wederom in twee emmers een aantal dode rugstreeppadden aangetroffen. Deze dieren waren opgedroogd. Hiervan is een controlerapport opgemaakt.
3.9
In een besluit van 9 augustus 2024 heeft het college aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd om (verdere herhaling van de) overtreding van artikel 5.1, tweede lid aanhef en onder g, Ow en artikel 5.5, eerste lid, aanhef en onder g, Ow, alsmede artikel 11.46, eerste lid, aanhef en onder a, Bal op alle bouwvelden van de Bloemendalerpolder waar dieren afgevangen worden met vangemmers, te voorkomen. Tijdens controles op 26 juni 2024, 5 juli en 9 juli 2024 is geconstateerd dat rugstreeppadden in afvangemmers waren overleden en dat afvangemmers waren volgelopen met water. Op 30 juli 2024 hebben toezichthouders in meerdere emmers op bouwveld 5B1 weer dode exemplaren van de rugstreeppad aangetroffen. Er zijn geen bijzondere omstandigheden om van het opleggen van de last af te zien. Het doden van de beschermde rugstreeppad is niet toegestaan met de ontheffing en dient te worden voorkomen. Eiseres kan de verdere overtreding voorkomen door de ingegraven (afvang)emmers in alle af te vangen bouwvelden iedere dag en zo nodig vaker te controleren en te legen en daarbij ook rekening te houden met de specifieke weersomstandigheden, zoals regen, die ervoor kunnen zorgen dat emmers vollopen of hogere temperaturen waardoor dieren sneller dood kunnen gaan in de emmers. Vaker de emmers controleren en legen is bij dergelijke weersomstandigheden vereist om dode dieren te voorkomen.
Bij overtreding is eiseres een dwangsom verschuldigd van € 500,- per constatering per emmer dat een of meerdere dode dieren (waaronder ook gedeelte(n)/resten van dode dieren moeten worden verstaan) in een afvangemmer worden aangetroffen (met dien verstande dat de dwangsom maximaal één keer per dag per emmer kan worden verbeurd), met een maximum van € 50.000,-. De last vangt aan een dag na de datum van verzending van de last. Omdat er geen feitelijke werkzaamheden moeten worden verricht om aan de last te voldoen, is een langere begunstigingstermijn niet nodig.
3.1
Op 7 november 2024 heeft de bezwaaradviescommissie van de provincie Noord-Holland naar aanleiding van het bezwaar van eiseres, het college geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren, de last niet te herroepen, maar de formulering wel aan te passen. De commissie stelt dat niet uit te sluiten valt dat als eiseres de voorschriften van de ontheffing en het werkprotocol wel in acht neemt, toch sprake kan zijn van overtreding van de last. Geadviseerd wordt om de last zodanig te wijzigen dat exact wordt omschreven bij welk handelen/nalaten de last wordt overtreden. Daarbij kan gedacht worden aan het aantal controlerondes, het vastleggen daarvan, de tijdstippen waarop de controlerondes moeten worden uitgevoerd, welke handelingen eiseres dient te verrichten bij bepaalde weeromstandigheden, zoals het sluiten van de emmers, een en ander op een wijze die meetbaar en/of controleerbaar is. In ieder geval dient de formulering van de last aan te sluiten bij de voorschriften van de ontheffing en het werkprotocol. Tot slot adviseert de commissie om in de last niet van “dode dieren” maar specifiek van “rugstreeppadden” te spreken.
3.11
In het bestreden besluit van 19 december 2024 heeft het college het advies van de bezwaaradviescommissie deels overgenomen en de formulering van de last deels aangepast. Het bezwaar is ongegrond verklaard.
De formulering van de last wordt aangepast in die zin dat “dode dieren” is vervangen door “dode amfibieën of zoogdieren”. Het benoemen van alleen de rugstreeppad is te beperkt omdat de ontheffing is verleend voor meer diersoorten en op eiseres ook de zorgplicht voor niet ontheven dieren rust. De andere door de commissie voorgestelde aanpassing van de last volgt het college niet. De werkzaamheden dienen op grond van voorschrift 50 van de ontheffing uitgevoerd te worden onder begeleiding van een deskundig ecoloog. Van een deskundig ecoloog mag worden verwacht dat hij de voorschriften en kennisdocumenten kent en capabel is om deze in samenhang met alle factoren rond het afvangen (temperatuur, neerslag, grondwater) op een goede manier toe te passen, zodat in ieder geval aan de zorgplicht en de voorschriften wordt voldaan. Het wijzigen van de last zodat exact wordt opgeschreven wanneer de last wordt overtreden, is onmogelijk en niet nodig. Het is aan de ecoloog om te bepalen welke maatregelen in welke situatie noodzakelijk zijn om aan de voorschriften en de zorgplicht te voldoen.
3.12
In een besluit van 5 juni 2025 heeft het college op grond van constateringen van de toezichthouders op 23 september 2024 en 6 maart 2025 waarbij dode amfibieën en zoogdieren in emmers zaten, gesteld dat op grond van de last van 9 augustus 2024 van rechtswege dwangsommen zijn verbeurd. Dat betekent dat € 9.000,- wordt ingevorderd, namelijk respectievelijk 14 emmers x € 500,- = € 7.000 en 4 emmers x € 500,- = € 2.000,-. Alleen in bijzondere omstandigheden kan van invordering worden afgezien. Daarvan is geen sprake.

Beoordeling door de rechtbank

Is sprake van een overtreding van artikel 5.5 Ow?
4.1
Eiseres voert (samengevat) aan dat de last ten onrechte is opgelegd omdat sprake zou zijn van een overtreding van artikel 5.5 Ow. Eiseres heeft wel conform de voorschriften van de ontheffing en het werkprotocol gehandeld door de emmers minimaal twee keer per etmaal te controleren. Op sommige momenten zijn de emmers zelfs drie keer per dag gecontroleerd. Eiseres leest in voorschrift 31 niet dat er redenen kunnen zijn (zoals weersomstandigheden) om vaker de emmers te controleren. Als het college dat had gewild, had dit in het voorschrift moeten staan.
4.2
Het college stelt (samengevat) in het verweer dat voorschrift 31 van de ontheffing bepaalt dat de emmers “minimaal twee maal per etmaal” moeten worden gecontroleerd. Hieruit blijkt dus dat er redenen kunnen zijn om vaker de emmers te controleren. Het werkprotocol is een uitwerking van de voorschriften van de ontheffing, maar de voorschriften van de ontheffing gaan te allen tijde voor. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in een uitspraak [1] van 8 mei 2019 geoordeeld dat niet het werkprotocol maar de ontheffing bindend is. Oftewel, ook als wordt voldaan aan het werkprotocol, is het mogelijk dat de voorschriften van de ontheffing worden overtreden. Indien vaker controleren niet mogelijk is, moet eiseres het afvangen staken door de emmers te sluiten. Ook had eiseres oplossingen kunnen bedenken om de dieren in de emmers te beschermen tegen de zon. Dit heeft eiseres niet gedaan.
Het college benadrukt ten slotte dat de ontheffing geen inspanningsverplichting betreft, maar een resultaatsverplichting. Voorkomen moet worden dat dieren tijdens het afvangen worden gedood. Het doden van dieren is ook niet ontheven in de ontheffing, met uitzondering van de platte schijfhoren.
4.3
De rechtbank is van oordeel dat artikel 5.5 Ow niet is overtreden en legt dat als volgt uit. In dit artikel is bepaald dat het verboden is om te handelen in strijd met de voorschriften voor een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit, oftewel in deze zaak de verleende ontheffing. Voorschrift 31 van de ontheffing geeft aan dat de afvangemmers “minimaal twee keer per etmaal” moeten worden gecontroleerd. In tegenstelling tot hetgeen het college stelt, is de rechtbank van oordeel dat “minimaal twee keer per etmaal” betekent dat door twee maal per dag te controleren al aan dit voorschrift wordt voldaan. “Minimaal” betekent immers “niet minder dan die bepaalde grens”. Dat uit het woord “minimaal” inderdaad volgt dat de afvangemmers ook vaker gecontroleerd kunnen worden, maakt niet dat daartoe ook een verplichting bestaat. In geen van de voorschriften van de ontheffing of in het werkprotocol is immers opgenomen dat eiseres de emmers vaker moet controleren. In het werkprotocol staat zelfs dat de afvangemmers “iedere ochtend” gecontroleerd moeten worden, oftewel slechts één maal per dag. Ook hieruit volgt dus geen verplichting om vaker te controleren. Dat voor eiseres onder bepaalde weeromstandigheden de verplichting zou bestaan om vaker dan twee maal per etmaal de afvangemmers te controleren, volgt de rechtbank evenmin. Dit staat namelijk ook niet in de voorschriften of het werkprotocol. Indien het college aan eiseres die verplichting op had willen leggen, had in voorschrift 31 bijvoorbeeld moeten staan “minimaal twee maal en zo nodig meer”.
4.4
Eiseres heeft gesteld dat haar ecoloog de afvangemmers op de bouwvelden minimaal twee maal per dag controleerde. Het college heeft dit niet expliciet betwist en haar toezichthouders hebben niet vastgesteld dat de afvangemmers niet tweemaal per dag door de ecoloog van eiseres werden gecontroleerd. Dat op 30 juli 2024 in de ochtend twee afvangemmers met in totaal een tot vijf dode, opgedroogde rugstreeppadden en twee kapotte afvangemmers zijn aangetroffen, is onvoldoende om te constateren dat de eiseres niet tweemaal per dag de afvangemmers laat controleren. Daarbij betrekt de rechtbank dat over de percelen van eiseres rond de duizend afvangemmers zijn geplaatst. Naar aanleiding van deze constatering is de last echter wel opgelegd. Overigens zijn de kapotte emmers ook niet aan de oplegging van de last ten grondslag gelegd.
4.5
Dit betekent dat niet is gebleken dat sprake was van een overtreding van de voorschriften van de ontheffing, zoals bedoeld in artikel 5.5 Ow. Deze beroepsgrond slaagt.
Is sprake van een overtreding van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, Ow, gelezen in samenhang met 11.46, eerste lid, aanhef en onder a, Bal?
5.1
Eiseres voert (samengevat) het volgende aan. Het college stelt dat ook sprake is van overtreding van het verbod om zonder omgevingsvergunning dieren opzettelijk te doden. Eiseres werkt conform het werkprotocol en mag er dus van uitgaan dat daarmee wordt voorkomen dat dieren worden gedood. Er is dus geen sprake van opzet of het minimaal vereiste voorwaardelijk opzet.
5.2
Het college stelt (samengevat) in het verweerschrift dat werken conform het werkprotocol niet betekent dat dus ook is voldaan aan de ontheffing. Het college stelt verder dat wel sprake is van voorwaardelijk opzet omdat, ondanks waarschuwingen van het college en vanwege het niet voldoen aan de ontheffing, door eiseres willens en wetens de aanmerkelijke kans is aanvaard dat het handelen/nalaten van eiseres tot de dood van dieren kan leiden. Omdat bekend was dat eerder dieren in de afvangemmers zijn overleden en nog steeds onvoldoende voorzorgmaatregelen werden genomen, heeft eiseres de kans op het doden van dieren bewust aanvaard.
5.3
De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat sprake is van overtreding van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, Ow, gelezen in samenhang met artikel 11.46, eerste lid, aanhef en onder a, Bal, te weten het opzettelijk doden van dieren zonder flora- en faunavergunning.
Allereerst stelt de rechtbank vast dat het hierbij niet gaat om het opzettelijk doden van alle dieren, maar alleen om het opzettelijk doden van beschermde dieren genoemd in bijlage IV onder a van de Habitatrichtlijn. De rugstreeppad wordt in die bijlage genoemd en eiseres heeft inderdaad geen ontheffing voor het doden van de rugstreeppad.
Verder is op grond van artikel 11.46, eerste lid, aanhef en onder a, Bal voor een overtreding vereist dat minimaal sprake is van voorwaardelijk opzet, oftewel dat eiseres bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het verboden gevolg optreedt.
5.4
Eiseres stelt dat zij haar werkwijze na de constateringen op 26 juni 2024 heeft aangepast en dat zij sindsdien steeds conform de voorschriften en het werkprotocol heeft gewerkt. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat uit het verslag van de controle van 30 juli 2024, naar aanleiding waarvan de last is opgelegd, niet blijkt dat eiseres bij het afvangen van de rugstreeppadden niet heeft gewerkt conform de voorschriften van de ontheffing en het werkprotocol. De rechtbank is verder van oordeel dat eiseres ervan uit mocht gaan dat als zij bij het afvangen handelde conform de voorschriften van de ontheffing en het werkprotocol, het doden van rugstreeppadden kon worden voorkomen. Het college stelt dat wel sprake is van voorwaardelijk opzet omdat eiseres na de eerdere controles van 26 juni, 5 juli en 9 juli 2024 meerdere keren per e-mail is gewaarschuwd voor de overtredingen. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Allereerst hebben deze controles niet tot oplegging van de last geleid, maar enkel de controle van 30 juli 2024. Daarbij komt dat eiseres in reactie op die e-mails op 28 juni 2024 heeft aangegeven dat zij de door het college aangegeven kritiekpunten oppakt, door onder meer het voorzien van afvangemmers van stro als beschutting, het toevoegen van aas en het vroeger op de dag afvangen. Uit de foto’s bij de controle van 30 juli 2024 is ook te zien dat de emmers stro bevatten. Eiseres heeft dus na de controles van 26 juni, 5 juli en 9 juli 2024 haar werkwijze aangepast. Ook hieruit blijkt dus niet dat eiseres niet handelde conform de voorschriften en het werkprotocol en dat zij dus de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat rugstreeppadden gedood zouden worden.
5.5
Dat eiseres dus het voorwaardelijk opzet had op het doden van de rugstreeppad, is daarom niet gebleken. Er is dus geen sprake van overtreding van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, Ow, gelezen in samenhang met artikel 11.46, eerste lid, aanhef en onder a, Bal. Ook deze beroepsgrond slaagt.
Conclusie
6. Het voorgaande betekent dat voor het opleggen van de last onder dwangsom geen sprake was van een door eiseres gepleegde overtreding. Het college had daarom niet de bevoegdheid om de last onder dwangsom op te leggen.
7. Het beroep is reeds daarom gegrond. De overige gronden van beroep behoeven daarom geen bespreking meer.

Conclusie beroep en gevolgen

De last
8. Het beroep met betrekking tot de last onder dwangsom is gegrond. Het bestreden besluit van 19 december 2024 wordt daarom vernietigd. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, Awb zelf een beslissing en bepaalt dat het besluit van 9 augustus 2024 waarbij de last is opgelegd, wordt herroepen. Dat betekent dat de last onder dwangsom met terugwerkende kracht ongedaan is gemaakt.
Het invorderingsbesluit
9. Omdat de opgelegde last onder dwangsom met terugwerkende kracht ongedaan is gemaakt, is de grondslag voor het invorderingsbesluit van 5 juni 2025 komen te vervallen. Daarom zal de rechtbank het beroep voor zover gericht tegen het invorderingsbesluit ook gegrond verklaren en dit invorderingsbesluit vernietigen. Dit betekent dat het college de reeds door eiseres betaalde dwangsommen van € 9.000,- dient terug te betalen.
Proceskosten
10.1
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding van de proceskosten wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door de gemachtigde van eiseres als beroepsmatige rechtsbijstandverlener levert drie punten op. Eén punt voor het indienen van het beroepschrift, één punt voor de schriftelijke reactie op het invorderingsbesluit en één punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- bij een wegingsfactor 1. Het totaal is daarom € 2.802,-.
10.2
Omdat de last onder dwangsom wordt herroepen, dienen ook de kosten van bezwaar op grond van artikel 7:15, tweede lid, Awb te worden vergoed. De vergoeding bedraagt in totaal € 1.332,- (één punt is € 666,-, waarbij twee punten worden toegekend namelijk een voor het indienen van het bezwaarschrift en een voor het deelnemen aan de hoorzitting).
10.3
De totale hoogte van de proceskostenvergoeding bedraagt daarom € 4.134,-.

Beslissing rechtbank

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 19 december 2024;
- herroept de opgelegde last van 9 augustus 2024;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 19 december 2024;
- vernietigt het invorderingsbesluit van 5 juni 2025;
- bepaalt dat het college het griffierecht € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot een betaling van € 4.134,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Brouwer, voorzitter, en mr. J.M. Janse van Mantgem en mr. drs. J. de Vries, leden, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Omgevingswet
Artikel 5.1
2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
(…)
g. een flora- en fauna-activiteit,
voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
Artikel 5.5
1. Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning voor:
(…)
g. een flora- en fauna-activiteit.
Besluit activiteiten leefomgeving
Artikel 11.46
1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor:
a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn;
b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a;
c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a;
d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en
(…)
Artikel 11.54
1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor:
a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A;
(…)