Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:7552

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
13/180077-25
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i SrArt. 77m Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugddetentie en werkstraf voor meerdere straatroven en heling door verdachte

De rechtbank Noord-Holland heeft op 16 juni 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een minderjarige verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere straatroven en heling in Amsterdam en Diemen in juni 2025. De verdachte werd onder meer verdacht van diefstal met geweld, poging daartoe, afpersing en opzetheling.

Na beoordeling van het bewijs, waaronder verklaringen van slachtoffers, getuigen, medeverdachten en camerabeelden, achtte de rechtbank bewezen dat de verdachte samen met anderen de feiten heeft gepleegd. De rechtbank verwierp de ontkenningen en alternatieve scenario's van de verdachte en concludeerde dat sprake was van nauwe en bewuste samenwerking (medeplegen).

De rechtbank nam de ernst van de feiten, de impact op de jonge slachtoffers en de maatschappelijke onveiligheid zwaar mee. Hoewel de verdachte een positieve ontwikkeling doormaakte en geen eerdere veroordelingen had, nam hij onvoldoende verantwoordelijkheid. De rechtbank legde een geheel voorwaardelijke jeugddetentie van 3 maanden op met een proeftijd van twee jaar, bijzondere voorwaarden waaronder toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering, en een onvoorwaardelijke werkstraf van 150 uur. Het contact met slachtoffers en medeverdachten werd verboden.

De verdachte werd vrijgesproken van één feit wegens onvoldoende bewijs. De opgelegde sancties zijn bedoeld om de verdachte te laten reflecteren op zijn gedrag en herhaling te voorkomen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot voorwaardelijke jeugddetentie van 3 maanden met bijzondere voorwaarden en onvoorwaardelijke werkstraf van 150 uur voor meerdere straatroven en heling.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd
Locatie Haarlem
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 13/180077-25
Uitspraakdatum: 16 juni 2026
Tegenspraak
Vonnis(P)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 2 juni 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] ,
De rechtbank Amsterdam heeft de zaak per beslissing van 16 juni 2025 naar de rechtbank Noord-Holland verwezen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
[officier van justitie] .
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat:
  • de verdachte en zijn raadsman, mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam;
  • [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad),
  • [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] , namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: de jeugdreclassering),
  • [IFA-coach] (IFA-coach),
  • [de moeder van de verdachte] , de moeder van de verdachte,
naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1 (hierna: feit 1)

hij op of omstreeks 1 juni 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, op of aan
de openbare weg, de [de openbare weg] , in elk geval op of aan een openbare weg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een (mobiele) telefoon (Iphone 12), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [de benadeelde partij 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te
maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door tegen voornoemde [de benadeelde partij 1] te zeggen; "Ey bro, ik heb een vraagje voor je kan je met ons meelopen in een steegje" en/of "wat bedoel je je hebt niks, dat is disrespectvol" en/of "welk model telefoon heb je" en/of "je moet niet wegrennen. je mag niet om hulp roepen anders gaat het heel fout" en/of (vervolgens) (onverhoeds) een telefoon uit de handen van voornoemde [de benadeelde partij 1] te rukken en/of te trekken en/of vervolgens tegen vernoemde [de benadeelde partij 1] te zeggen; "ik gooi je in de sloot als je niet de code van je telefoon geeft" en/of tegen [de benadeelde partij 1] te zeggen "dat hij mee moest lopen" en/of vervolgens een klap tegen het gezicht van
voornoemde [de benadeelde partij 1] te geven en/of daarbij te zeggen "dat dit een voorbeeld was
van wat er zou gebeuren als [de benadeelde partij 1] niet zou meewerken" en/of "je wilt niet dat ik
mijn grote chop ga gebruiken." en/of " het kan heel snel verlopen of heel snel fout
gaan", in elk geval woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking;

2. (hierna: feit 2):

hij op of omstreeks 1 juni 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, op of aan de openbare weg, de [de openbare weg] , in elk geval op of aan een openbare weg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een (mobiele) telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [de benadeelde partij 2] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, naar [de benadeelde partij 2] is/zijn toegegaan en/of (vervolgens) tegen voornoemde [de benadeelde partij 2] heeft/hebben gezegd; "je moet niet zulke zure gezichten trekken. Je gaat sowieso aangifte doen, ik geef je platte hand!", in elk geval woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of (vervolgens) de kleding van voornoemde [de benadeelde partij 2] heeft/hebben doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3. (hierna: feit 3):

hij op of omstreeks 1 juni 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, op of aan de openbare weg, [de openbare weg] , in elk geval op of aan een openbare weg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld
[de benadeelde partij 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een (mobiele) telefoon (merk Apple Iphone 14) , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [de benadeelde partij 3] en/of een derde toebehoorde(n) door tegen voornoemde [de benadeelde partij 3] te zeggen, "welke telefoon heb jij" en/of vervolgens (op korte afstand) een handvat van een mes, in elk geval van een scherp en/of puntig voorwerp aan voornoemde [de benadeelde partij 3] te tonen en/of voor te houden en/of (vervolgens) daarbij te zeggen "we doen het of op de makkelijke manier of op deze manier", in elk geval woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking;

4. (hierna: feit 4):

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 mei 2025 tot en met 2 juni 2025 te Diemen, in elk geval in Nederland, op of aan de openbare weg bij het [treinstation] treinstation, in elk geval op of aan een openbare weg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld eenmaal of meermalen [de benadeelde partij 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een (mobiele) telefoon (merk Apple Iphone 12), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [de benadeelde partij 4] en/of een derde toebehoorde(n) door tegen voornoemde [de benadeelde partij 4] te zeggen "Eyy stil staan" en/of vervolgens met verdachte zijn fiets de weg voor voornoemde [de benadeelde partij 4] te blokkeren en/of tegen voornoemde [de benadeelde partij 4] te zeggen; "herken je mij nog van de vorige keer, je ging om hulp roepen toch" en/of (vervolgens) een klap tegen het gezicht, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [de benadeelde partij 4] te geven en/of tegen voornoemde [de benadeelde partij 4] te zeggen; "welke telefoon heb je" en/of (vervolgens) zijn verdachtes hand in de broekzak van voornoemde [de benadeelde partij 4] te steken en/of (daarbij) te zeggen "geef mij je telefoon" en/of tegen voornoemde [de benadeelde partij 4] te zeggen dat hij mee moest lopen en zijn Apple ID code moest geven, in elk geval woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking;

5. (hierna: feit 5):

hij op of omstreeks 2 juni 2025 te Amsterdam, op of aan de openbare weg [de openbare weg]
, in elk geval op of aan een openbare weg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [de benadeelde partij 5] heeft gedwongen tot de afgifte van een (mobiele) telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [de benadeelde partij 5] en/of een derde toebehoorde(n) door tegen voornoemde [de benadeelde partij 5] te zeggen; "Ey jongen" en/of (vervolgens) de weg voor voornoemde [de benadeelde partij 5] te blokkeren met verdachte zijn fatbike en/of (vervolgens) de fietskrat van [de benadeelde partij 5] zijn fiets vast te pakken en/of vast te houden en/of (vervolgens) tegen voornoemde [de benadeelde partij 5] te zeggen "geef je telefoon en je code" en/of "maak je tas open" en/of (vervolgens) meermalen een klap in het gezicht, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [de benadeelde partij 5] te geven en/of daarbij te zeggen "geef je telefoon en je code" en/of "Bro je gaat je telefoon en je code geven anders ga ik je beaten", in elk geval woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking;

6. (hierna: feit 6):

Primair
hij op of omstreeks 8 juni 2025 te Amsterdam, op of aan de openbare weg de [de openbare weg] , in elk geval op of aan een openbare weg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld
( a) [de benadeelde partij 6] en/of (b) [de benadeelde partij 7] heeft gedwongen tot de afgifte van
ad a) een (mobiele) telefoon en/of
ad b) een (mobiele) telefoon en/of een geldbedrag van (ongeveer) 10 euro,
in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan die [de benadeelde partij 6]
en/of [de benadeelde partij 7] en/of een derde toebehoorde(n) door tegen voornoemde [de benadeelde partij 6] en/of [de benadeelde partij 7] te zeggen; "wat voor telefoon heb je" en/of "geef je telefoon en/of zet hem in fabrieksinstellingen" en/of (vervolgens)(daarbij) de weg voor voornoemde [de benadeelde partij 6] en/of [de benadeelde partij 7] te blokkeren met verdachte zijn fatbike en/of (vervolgens) tegen voornoemde [de benadeelde partij 6] te zeggen "Log uit met je AppleID en reset je telefoon" en/of "Als je naar de politie gaat, dan gaat het anders aflopen", in elk geval woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking;
Subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 8 juni 2025 tot en met 12 juni 2025 te Amsterdam,
in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,een telefoon (merk Apple Iphone)(goednummer [goednummer] ) , althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs hadden moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

7. (hierna: feit 7):

Primair
hij op of omstreeks 9 juni 2025 te Diemen, op of aan de openbare weg het
[de openbare weg] , in elk geval op of aan een openbare weg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een (mobiele) telefoon (merk Apple Iphone), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 8] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [de benadeelde partij 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door de weg voor voornoemde [de benadeelde partij 8] te blokkeren met verdachte zijn fatbike en/of
(vervolgens) tegen voornoemde [de benadeelde partij 8] te zeggen; "wat voor telefoon heb je" en/of "dat hij moest meelopen naar een steegje" en/of "dat hij zijn schoenen moest uittrekken" en/of "dat hij zijn telefoon moest resetten" en/of (vervolgens) een of meer klappen in/tegen het gezicht en/of een vuistslag in de buik, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [de benadeelde partij 8] te geven en/of (vervolgens) te zeggen "als je je wachtwoord niet meer weet dan gaan we je schoenen meenemen" en/of "als je de politie belt dan heb je een probleem" , in elk geval woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking;
Subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 9 juni 2025 tot en met 12 juni 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een telefoon (merk Apple Iphone)(goednummer [goednummer] ) , althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs hadden moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde (primaire) feiten.
3.2.
Standpunt van de verdediging
Door de verdediging is vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde feiten 1, 2, 3, 4, 5, 6 primair en 7 primair. De verdediging heeft zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde onder feit 6 en feit 7.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Vrijspraak ten laste gelegde feit 6 primair
Uit het dossier en het verhandelde ter zitting kan naar het oordeel van de rechtbank – gelijk betoogd door de verdediging – onvoldoende worden vastgesteld dat de verdachte een van de overvallers is geweest. Daarbij is van belang dat de verdachte stellig ontkent dat hij een van de twee daders is. De verklaringen van de medeverdachte [de medeverdachte 1] (proces-verbaal aanvullend verhoor dossierpagina 971 e.v.), waarbij de medeverdachte de verdachte aanwijst als de dader die geslagen zou hebben, acht de rechtbank onvoldoende (betrouwbaar) om het daderschap van de verdachte te kunnen vaststellen. De medeverdachte belast zichzelf namelijk nauwelijks en zijn verklaring dat ze met zijn drieën waren, komt niet overeen met de verklaring van de aangevers [de benadeelde partij 6] en [de benadeelde partij 7] dat er twee jongens betrokken waren bij de straatroof. Verder blijkt uit de beelden volgens de politie dat een van de daders een grijs/groene jas draagt (proces-verbaal van bevindingen dossierpagina 798 e.v.) en spreken de aangevers over een groene jas van het merk “In gold we trust”. Een groene of grijze jas, al dan niet van het merk “In gold we trust”, is echter niet aangetroffen bij de verdachte thuis, wel een blauwe. Verder is de andere dader niet te zien op de beelden. Daarnaast is het door de aangevers opgegeven signalement van de daders te algemeen en summier om de verdachte als dader te linken aan deze straatroof. Dat de werkwijze (modus operandi) bij deze straatroof vrijwel identiek is aan de werkwijze bij feiten 4, 5 en 7, zoals hierna onder 3.3.5 is beschreven en de telefoon van aangever [de benadeelde partij 6] in de woning van de verdachte is aangetroffen, maakt het voorgaande niet anders.
3.3.2
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de (primair) ten laste gelegde feiten 1, 2, 3, 4, 5 en 7 en het subsidiair ten laste gelegde feit 6, op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
3.3.3
Bewijsmotivering feiten 1 en 2
Anders dan de verdediging heeft bepleit, blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende uit het dossier dat de verdachte niet alleen aanwezig was bij deze ten laste gelegde feiten, maar daar net als de twee mededaders ook een wezenlijke en significante bijdrage aan heeft geleverd. Hiervoor is het volgende van belang.
De verdachte heeft bekend dat hij samen met twee andere jongens de hele tijd bij het incident aanwezig was en ook heeft gezien dat de telefoon is afgepakt van de aangever. De verdachte verklaart echter op zitting dat hij, hoewel hij er wel de hele tijd bij was, pas op het moment dat de telefoon van de aangever gevraagd werd door een van de andere jongens, doorhad dat die persoon de telefoon wilde stelen, maar dat hij dit zelf niet wilde. Daarna zou de verdachte wel telkens zijn meegelopen (onder druk), maar niet mee hebben gedaan aan de (poging) diefstal. Sterker nog, de verdachte verklaart dat hij de aangever probeerde te helpen en dat hij erg aangedaan was door het incident.
De rechtbank acht dit alternatieve scenario van de verdachte ongeloofwaardig en gaat hieraan voorbij. Uit de verklaringen van de aangever [de benadeelde partij 1] (hierna: de aangever), en de getuige [de benadeelde partij 2] (hierna: de getuige) blijkt weliswaar niet precies welke jongen wat heeft gedaan, maar wel dat de drie jongens gezamenlijk de aangever en de getuige achtervolgen, benaderen en mee laten lopen naar een steegje waar de telefoon van de aangever wordt afgepakt. Daarna laten de jongens de aangever en de getuige meelopen naar een andere straat waar de aangever handelingen moet verrichten aan zijn telefoon en een foto van hem wordt gemaakt. De aangever krijgt ook een klap en er wordt gedreigd met het gebruik van een mes. Tegelijkertijd wordt de getuige bevraagd, bedreigd en gefouilleerd, maar op hem vinden ze geen telefoon. Daarna vluchten de drie jongens samen. De aangever noch de getuige spreekt over een jongen die hen probeert te helpen, zoals de verdachte heeft verklaard.
Gelet op de verklaringen van de aangever en de getuige is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een gezamenlijke uitvoering van het ten laste gelegde en daarmee van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de mededaders. Deze samenwerking blijkt ook uit de beelden, waarvan stills in het dossier zitten, van vlak voor en vlak na de (poging) diefstal (proces-verbaal dossierpagina 50 e.v.). Deze beelden ondersteunen de verklaringen van de aangever en de getuige. Op deze beelden is namelijk te zien dat de verdachte, samen met de twee andere jongens, vlak achter de aangever en de getuige aanloopt met een snelle pas. De verdachte en de jongen met de zwartgrijze jas lopen voorop. De derde jongen loopt daar net iets achter. Op deze beelden is ook duidelijk te zien dat de drie jongens na het incident samen weglopen. Zij zijn vlak daarna namelijk met zijn drieën te zien op de beelden van het metrostation. Daarbij bedekken ze bij de roltrap hun gezichten voor een camera. Verderop (beelden perron) is vervolgens duidelijk te zien dat ze aan het lachen zijn. De verdachte loopt ook op het perron voorop. De gedragingen op de beelden zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht op de (poging) diefstal en duiden op een gezamenlijke uitvoering, waarbij de jongens een gelijkwaardige rol hebben bij de uitvoering. De door de verdachte gestelde druk en impact die het incident op hem zou hebben gemaakt, blijkt niet uit de beelden, sterker nog, daaruit blijkt het tegendeel. Daarbij komt dat de gestolen telefoon van de aangever bij de verdachte is aangetroffen (processen-verbaal van bevindingen dossierpagina 74 e.v. en dossierpagina 318 e.v.).
De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten 1 en 2 in vereniging met twee anderen heeft gepleegd.
3.3.4
Bewijsmotivering feit 3
Anders dan de verdediging heeft bepleit, leidt de rechtbank uit het dossier af dat de verdachte niet alleen aanwezig was bij het ten laste gelegde feit 3, maar daar ook een wezenlijke en significante bijdrage aan heeft geleverd, gelet op het volgende.
De verdachte heeft ter zitting en bij de politie verklaard dat er andere personen betrokken waren bij deze straatroof en dat hij niet een van de jongens is die iets heeft gedaan, maar dat hij al snel was vertrokken. De verdachte verklaart daartoe dat de aangever hem ter plekke herkende toen hij op een afstand stond en dat de aangever hem om hulp heeft gevraagd. De rechtbank acht deze verklaring van de verdachte niet aannemelijk. De aangever [de benadeelde partij 3] (hierna: de aangever) heeft namelijk verklaard dat de straatroof is gepleegd door twee jongens en dat deze jongens ook samen zijn weggegaan, waarbij zij zeiden dat ‘deze makkelijker ging dan de vorige’. Dezelfde twee jongens heeft de aangever een kwartier eerder ook gezien. Hij heeft van deze twee jongens ook een signalement opgegeven en heeft dader 2 (NN2) pas later op een TikTok filmpje (op het TikTok account van de verdachte) herkend. De verdachte past ook bij het signalement dat de aangever geeft van NN2. Daarbij is van belang dat de verdachte eerder op die dag (bij feiten 1 en 2) een grijze hoodie aanhad. Bij dit alles is nog van belang dat de verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij daar bij die voetbalvereniging was én ook dicht bij de aangever is gekomen. De aangever heeft – in weerwil van de verklaringen van de verdachte – niet verklaard dat er nog andere jongens bij waren of omheen stonden waarvan hij er één herkende van voetbal en dat hij die jongen om hulp heeft gevraagd. Anders dan de verdediging heeft betoogd, ziet de rechtbank gelet op het voorgaande geen aanleiding om niet uit te gaan van de verklaring van de aangever en de herkenning van de verdachte door de aangever op een TikTok filmpje.
De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit 3 in vereniging met een ander heeft gepleegd.
3.3.5
Bewijsmotivering feiten 4 en 5
Door de verdediging is bepleit dat het signalement van de daders van beide straatroven dusdanig algemeen is dat veel jongens in dit signalement passen. Ook heeft de verdediging bepleit dat de dader aan wie de verdachte wordt gelinkt, volgens de verklaring van beide aangevers, een bodywarmer aanhad, terwijl uit de beelden bij de school later op die dag blijkt dat de verdachte die dag een zwarte jas aanhad. Volgens de verdediging past hij dus niet in dit signalement.
Op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank het volgende vast.
De aangevers van feiten 4 en 5 (te weten [de benadeelde partij 4] en [de benadeelde partij 5] ) verklaren dat zij zijn beroofd door twee jongens. Het signalement dat door de aangevers van de twee daders wordt gegeven komt overeen en de verdachte past volledig bij het signalement van één van de daders, te weten de jongen met de zwarte bodywarmer die op een Ouxi v20 reed. Het betoog van de verdediging dat hij gelet op de beelden van school later die dag een zwarte jas aanhad en daarom niet voldoet aan het signalement van de jongen met de bodywarmer slaagt niet. De verdachte heeft zelf namelijk verklaard dat hij een van de twee jongens is die betrokken was bij het incident van feit 4 (hij was de jongen op de fatbike Ouxi v20) en over die jongen is duidelijk door de aangever verklaard dat die een zwarte bodywarmer aanheeft. De verdachte erkent ter zitting ook dat hij een donkere bodywarmer had in die periode, wat ook blijkt uit de beelden van 1 juni 2025 (bij feiten 1 en 2). Er is ook een zwarte bodywarmer bij hem thuis gevonden en meegenomen (proces-verbaal van bevindingen pg 297 e.v.). Daar komt bij dat beide aangevers na de straatroven samen met de politie naar het [school] te Amsterdam zijn gegaan, omdat de gestolen Iphone van de aangever [de benadeelde partij 4] daar uitpeilde. Onderweg zagen zij een jongen en een meisje op een fatbike. De aangevers herkenden deze
jongen als de verdachte van de straatroven. Op de beelden van de school is zien dat er twee jongens (waarvan er een door de school wordt herkend als de verdachte) op een fatbike aan komen rijden en een telefoon in de school achterlaten en dat de verdachte, samen met een meisje, op een fatbike wegfietst. De politie herkent de verdachte (op de beelden) als de jongen die door de aangevers op de heenweg naar de school was herkend als een van de daders.
Bovendien stelt de rechtbank vast dat het incident van feit 5 ongeveer 15 minuten voor het incident van feit 4 heeft plaatsgevonden. Beide incidenten hebben zich dus binnen een kort tijdsbestek afgespeeld. Zoals ook is voorgehouden ter zitting, is volgens de openbare bron ‘google maps’ de afstand tussen beide plaatsen in minder dan 10 minuten af te leggen op een normale (niet elektrische) fiets. De verdachte en de mededader fietsten die dag beiden op een elektrische fatbike en konden deze afstand dus binnen 15 minuten afleggen. De verdachte heeft ter zitting verklaard aanwezig te zijn geweest bij het incident van feit 4. Ook heeft hij verklaard op de bewuste 2 juni 2025 uren met de mededader te hebben doorgebracht. De mededader heeft verklaard bij de incidenten van feiten 4 en 5 betrokken te zijn geweest (proces-verbaal dossierpagina 688 e.v.). Het is niet waarschijnlijk dat de mededader feit 5 met een ander dan de verdachte heeft gepleegd dan wel dat de mededader tussendoor kort met een ander was. Dit blijkt ook niet uit het dossier.
Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de modus operandi, de werkwijze, in beide
straatroven vrijwel identiek is:
‐ twee jongens, op twee verschillende fatbikes spreken vanaf hun fietsen de slachtoffers aan;
‐ ze gaan naast de slachtoffers rijden en snijden hen af zodat zij stil komen te staan;
‐ vervolgens worden de fatbikes zodanig geparkeerd dat de slachtoffers niet weg kunnen;
‐ dan wordt gevraagd welke telefoons de slachtoffers hebben;
‐ daarna wordt de slachtoffers opgedragen om hun telefoons af te staan;
‐ de slachtoffers krijgen een klap als zij niet doen wat hen wordt gevraagd en als de telefoons zijn afgegeven wordt geprobeerd de telefoons terug te zetten naar de fabrieksinstellingen.
Gelet op al het voorgaande is er voldoende wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte bij de uitvoering van beide straatroven betrokken is. Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op het voorgaande dus wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten 4 en 5 in vereniging met een ander heeft gepleegd.
3.3.6
Bewijsmotivering feit 7
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen specifieke aanknopingspunten zijn dat de verdachte deze straatroof heeft gepleegd.
De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van de verdachte over zijn aanwezigheid bij deze straatroof wisselen. Zo heeft hij tijdens het verhoor bij de politie verklaard hier wel bij te zijn geweest, maar ter zitting heeft hij verklaard dat hij niet aanwezig was en vanwege spanning tijdens het verhoor bij de politie onjuist heeft verklaard over zijn aanwezigheid.
Tegenover de wisselende verklaringen van de verdachte, staat de verklaring van de medeverdachte [de medeverdachte 1] (hierna: de medeverdachte) dat de verdachte erbij was. De medeverdachte belast zichzelf ook (gefilmd en dingen gezegd). Er is verder een kort filmpje aangetroffen in de telefoon van de verdachte waarop de aangever [de benadeelde partij 8] (hierna: de aangever) te zien is (proces-verbaal van dossierpagina 404 e.v.). Ook is de telefoon van de aangever bij de verdachte thuis gevonden. De rechtbank schuift terzijde de verklaring van de verdachte bij de politie dat hij die telefoon de dag erna heeft gekregen van de neef van ene [naam] , omdat deze verklaring vaag is en in strijd is met zijn verklaring ter zitting dat hij deze van [naam] heeft gekregen. De rechtbank gaat er, op basis van het voorgaande in samenhang met de verklaring van de aangever waaruit blijkt dat hij door twee daders is overvallen, van uit dat de verdachte dit feit samen met de medeverdachte heeft gepleegd.
De verklaringen over [naam] zijn overigens ongeloofwaardig wegens gebrek aan nadere onderbouwing door de verdachte en de medeverdachte en bij gebrek aan steun daarvoor in het dossier. De rechtbank acht het dan ook onaannemelijk dat er ook een persoon genaamd [naam] bij was.
Daarbij komt dat de werkwijze (modus operandi) bij deze straatroof vrijwel identiek is aan de werkwijze bij feiten 4 en 5, zoals hiervoor onder 3.3.5 is beschreven.
De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit 7 in vereniging met een ander heeft gepleegd.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de (primair) ten laste gelegde feiten 1, 2, 3, 4, 5 en 7 en het subsidiair ten laste gelegde feit 6 heeft begaan, met dien verstande dat:
Feit 1:
hij op 1 juni 2025 te Amsterdam op de openbare weg, de [de openbare weg] , tezamen en in vereniging met anderen, een mobiele telefoon (Iphone 12), die aan [de benadeelde partij 1] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [de benadeelde partij 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken door tegen voornoemde [de benadeelde partij 1] te zeggen: "Ey bro, ik heb een vraagje voor je kan je met ons meelopen in een steegje" en "wat bedoel je je hebt niks,
dat is disrespectvol" en "welk model telefoon heb je" en "je moet niet wegrennen” en “je mag niet om hulp roepen anders gaat het heel fout" en vervolgens onverhoeds een telefoon uit de handen van voornoemde [de benadeelde partij 1] te trekken en vervolgens tegen vernoemde [de benadeelde partij 1] te zeggen: "ik gooi je in de sloot als je niet de code van je telefoon geeft" en tegen [de benadeelde partij 1] te zeggen "dat hij mee moest lopen" en vervolgens een klap tegen het gezicht van voornoemde [de benadeelde partij 1] te geven en daarbij te zeggen: "dat dit een voorbeeld was
van wat er zou gebeuren als [de benadeelde partij 1] niet zou meewerken" en " het kan heel snel verlopen of heel snel fout gaan".
Feit 2:
hij op 1 juni 2025 te Amsterdam op de openbare weg, de [de openbare weg] ,
tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om een mobiele telefoon, die aan [de benadeelde partij 2] toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen
en deze poging diefstal te doen vergezellen van bedreiging met geweld tegen [de benadeelde partij 2] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal gemakkelijk te maken, naar [de benadeelde partij 2] zijn toegegaan en vervolgens tegen voornoemde [de benadeelde partij 2] hebben gezegd: "je moet niet zulke zure gezichten trekken. Je gaat sowieso aangifte doen, ik geef je platte hand!" en vervolgens de kleding van voornoemde [de benadeelde partij 2] hebben doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Feit 3:
hij op 1 juni 2025 te Amsterdam op de openbare weg, [de openbare weg] , tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [de benadeelde partij 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon (merk Apple Iphone 14) die aan die [de benadeelde partij 3] toebehoorde door tegen voornoemde [de benadeelde partij 3] te zeggen: "welke telefoon heb jij" en vervolgens (op korte afstand) een handvat van een mes, aan voornoemde [de benadeelde partij 3] te tonen en vervolgens daarbij te zeggen: "we doen het of op de makkelijke manier of op deze manier".
Feit 4:
hij op 2 juni 2025 te Diemen op de openbare weg bij het [treinstation] treinstation,
tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [de benadeelde partij 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon (merk Apple Iphone 12) die aan die [de benadeelde partij 4] toebehoorde door tegen voornoemde [de benadeelde partij 4] te zeggen: "Eyy stil staan" en vervolgens met verdachte zijn fiets de weg voor voornoemde [de benadeelde partij 4] te blokkeren en tegen voornoemde [de benadeelde partij 4] te zeggen: "herken je mij nog van de vorige keer, je ging om hulp roepen toch" en vervolgens een klap tegen het gezicht van voornoemde [de benadeelde partij 4] te geven en tegen voornoemde [de benadeelde partij 4] te zeggen: "welke telefoon heb je" en vervolgens verdachtes hand in de broekzak van voornoemde [de benadeelde partij 4] te steken en daarbij te zeggen: "geef mij je telefoon" en tegen voornoemde [de benadeelde partij 4] te zeggen dat hij mee moest lopen en zijn Apple ID code moest geven.
Feit 5:
hij op 2 juni 2025 te Amsterdam, op de openbare weg [de openbare weg] , tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [de benadeelde partij 5] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon die aan die [de benadeelde partij 5] toebehoorde door tegen voornoemde [de benadeelde partij 5] te zeggen: "Ey jongen" en vervolgens de weg voor voornoemde [de benadeelde partij 5] te blokkeren met verdachte zijn fatbike en vervolgens de fietskrat van [de benadeelde partij 5] zijn fiets vast te pakken en vast te houden en vervolgens tegen voornoemde [de benadeelde partij 5] te zeggen: "geef je telefoon en je code" en "maak je tas open" en vervolgens meermalen een klap in het gezicht van voornoemde [de benadeelde partij 5] te geven en daarbij te zeggen: "geef je telefoon en je code" en "Bro je gaat je telefoon en je code geven anders ga ik je beaten”.
Feit 6 subsidiair:
hij in de periode van 8 juni 2025 tot en met 12 juni 2025 te Amsterdam,
een telefoon (merk Apple Iphone) (goednummer [goednummer] ) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Feit 7 primair:
hij op 9 juni 2025 te Diemen, op de openbare weg het [de openbare weg] , tezamen en in vereniging met een ander, een mobiele telefoon (merk Apple Iphone) die aan [de benadeelde partij 8] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [de benadeelde partij 8] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door de weg voor voornoemde [de benadeelde partij 8] te blokkeren met verdachte zijn fatbike en vervolgens tegen voornoemde [de benadeelde partij 8] te zeggen: "wat voor telefoon heb je" en "dat hij moest meelopen naar een steegje" en "dat hij zijn schoenen moest
uittrekken" en "dat hij zijn telefoon moest resetten" en vervolgens klappen in het gezicht en een vuistslag in de buik van voornoemde [de benadeelde partij 8] te geven en vervolgens te zeggen: "als je je wachtwoord niet meer weet dan gaan we je schoenen meenemen" en "als je de politie belt dan heb je een probleem".
In de tenlastelegging van feit 7 is eenmaal de naam [de benadeelde partij 1] vermeld in plaats van de naam [de benadeelde partij 8] . De rechtbank zal de tenlastelegging op dit punt verbeterd lezen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1 en 7 (primair): telkens diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Feit 2: poging tot diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Feit 3, 4, 5: telkens afpersing, gepleegd op de openbare weg, gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Feit 6 subsidiair: opzetheling.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6.Motivering van de sancties

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte veroordeeld wordt tot een jeugddetentie voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en – in weerwil van het advies van de Raad – naast de algemene voorwaarde onder de bijzondere voorwaarde van toezicht en begeleiding van de jeugdreclassering. Ook heeft de officier van justitie een contactverbod met de slachtoffers en een contactverbod met medeverdachten [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 1] gevorderd als bijzondere voorwaarden.
6.2
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich (subsidiair) op het standpunt gesteld dat in het geval van een bewezenverklaring van de feiten 1, 2, 3, 4, 5, 6 primair en 7 primair, een voorwaardelijke jeugddetentie niet passend is. De verdediging heeft bepleit dat dan een al dan niet deels voorwaardelijke werkstraf een passende straf is.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Inleiding
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft zich in een periode van ruim een week schuldig gemaakt aan het samen met anderen plegen van zes straatroven (waarvan één poging daartoe) op jonge slachtoffers en een heling van een telefoon. Er zijn zelfs meerdere straatroven op één dag gepleegd. Daarbij is door de verdachte en zijn mededaders niet alleen gedreigd met geweld, maar bij een aantal straatroven is ook daadwerkelijk geweld gebruikt. Bij één straatroof hebben zij hun gezichten ook bedekt, wat een extra gevoel van onveiligheid veroorzaakt. Straatroven zijn ernstige, nare feiten die een grote impact hebben op de slachtoffers en hun gevoel van veiligheid. Dat daar ook in het onderhavige geval sprake van is, blijkt uit de aangiftes/verhoren van de slachtoffers waarin zij beschrijven dat zij erg angstig zijn geweest. De verdachte en zijn mededaders hebben enkel gehandeld met het oog op eigen financieel gewin, zonder oog te hebben voor de impact die hun handelen heeft op de jonge slachtoffers. Bovendien zorgen straatroven voor gevoelens van angst, onveiligheid en onrust in de samenleving. De rechtbank rekent dit alles de verdachte aan.
De rechtbank leidt uit het dossier af dat de rol van de verdachte bij de bewezenverklaarde feiten groter is geweest dan dat de verdachte doet voorkomen. Uit de social media berichten in het dossier valt namelijk af te leiden dat de verdachte geen ondergeschikte rol maar een leidende rol had bij de straatroven en wat er daarna met de buit gebeurde. Daarbij acht de rechtbank de verklaring van de verdachte dat hij onder druk van ene [naam] heeft gehandeld ook ongeloofwaardig.
Persoon en persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:
- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 14 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.
- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 29 april 2026 van [raadsonderzoeker] , als raadsonderzoeker verbonden aan de Raad.
De Raad heeft bij de totstandkoming van het rapport de verdenking van de straatroven van 2 juni 2025 (feiten 4 en 5) in aanmerking genomen. In het rapport wordt geadviseerd om de verdachte hiervoor een taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen. De Raad acht de voortzetting van toezicht en begeleiding niet nodig, aangezien de verdachte sinds de verdenking een zeer positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt en geen sprake meer is van politiecontacten. Er zijn veel beschermende risicofactoren aanwezig, zoals school, netwerk, vrije tijdsbesteding en thuissituatie. De verdachte staat verder in goed contact met zijn IFA-coach en de jeugdreclasseerder. Hij komt volgens de Raad alle afspraken na, is beleefd in contact en goed bereikbaar.
Ter zitting is vastgesteld dat in het rapport van de Raad alleen de feiten van 2 juni 2025 zijn meegenomen en dat ook de jeugdreclassering niet op de hoogte was van de verdenking van de andere vijf feiten. Desondanks heeft de Raad (na de bespreking van de andere vijf feiten) ter zitting het strafadvies onderschreven, in die zin dat hij een werkstraf de meest passende afdoening vindt. Een onvoorwaardelijke jeugddetentie vindt de Raad, gelet op de goede ontwikkeling van de verdachte, niet geïndiceerd. De Raad adviseert, gelet op de nieuwe informatie ter zitting, naast de werkstraf nog wel een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen. Tenslotte heeft de Raad het standpunt gehandhaafd dat toezicht van de jeugdreclassering niet langer nodig is, nu voor de verdachte geen nadere doelen worden gezien waaraan in dat kader gewerkt kan worden. De IFA-coach heeft ter zitting toegelicht wel een volledig beeld te hebben van de verdenkingen tegen de verdachte en daarmee ook aan de slag te zijn gegaan. Volgens de IFA-coach is het hulpplafond voor de verdachte bereikt en is nadere begeleiding niet nodig. De jeugdreclassering heeft zich ter zitting, mede gelet op de informatie van de IFA-coach, aangesloten bij het advies van de Raad.
Tot slot heeft de rechtbank in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij tot op heden zijn betrokkenheid bij de feiten ontkent dan wel zijn rol kleiner maakt. Door zijn eigen rol te minimaliseren neemt de verdachte geen volle verantwoordelijkheid voor zijn handelen. De verdachte geeft er onvoldoende blijk van het laakbare van zijn handelen in te zien en bereid te zijn de consequenties daarvan te aanvaarden. Dit weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee bij de strafoplegging.
Conclusie
De verdachte heeft zich onder meer schuldig gemaakt aan vijf straatroven, één poging daartoe. Voor straatroven wordt doorgaans onvoorwaardelijke jeugddetentie opgelegd. Gelet op de positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte, acht de rechtbank – anders dan is geëist door de officier van justitie – een geheel voorwaardelijke jeugddetentie voor de verdachte een passende strafmodaliteit. De rechtbank zal aan deze voorwaardelijke jeugddetentie een proeftijd verbinden van twee jaren, mede zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich tijdens die proeftijd opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit.
Naast de algemene voorwaarde zal de rechtbank aan de proeftijd bijzondere voorwaarden verbinden. Ondanks het feit dat de verdachte zich goed aan zijn schorsingsvoorwaarden heeft gehouden en een positieve ontwikkeling lijkt door te maken, ziet de rechtbank – in tegenstelling tot de Raad, de jeugdreclassering en de IFA-coach – nog wel de nodige zorgen. Het strafadvies van de Raad vindt de rechtbank niet passend bij die zorgen en de ernst van de feiten. Zo acht de rechtbank het zorgwekkend dat de verdachte weinig tot geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden en geen inzicht heeft gegeven in wat hem daadwerkelijk heeft bewogen tot het meermalen plegen van ernstige strafbare feiten in een zeer kort tijdsbestek. Door zijn proceshouding is ook de omvang van zijn rol onduidelijk gebleven. De rechtbank acht een delictanalyse, waarmee meer zicht komt hierop en duidelijk wordt of nog nadere hulpverlening/begeleiding noodzakelijk is voor de verdachte, samen met verplicht toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering, daarom noodzakelijk. Een dergelijke verplichting zal als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.
Daarnaast ziet de rechtbank aanleiding om aan de verdachte een contactverbod op te leggen met de slachtoffers van de bewezen verklaarde straatroven (tenzij met goedvinden van de jeugdreclassering en onder begeleiding van professioneel betrokkenen contact eventueel nodig is in het kader van herstelbemiddeling). Ook ziet de rechtbank, gelet op de hiervoor genoemde zorgen en onduidelijkheden, aanleiding om aan de verdachte een contactverbod op te leggen met de medeverdachten [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 1] . Dit verbod zal als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.
Ook is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 150 uren moet worden opgelegd, zodat de verdachte de consequenties van zijn daden ook voelt.
De rechtbank zal daarbij bepalen dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, te weten twee (2) dagen, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, in mindering wordt gebracht.

11.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77w,77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 312, 317 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

12.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte als feit 6 primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte de overige ten laste gelegde feiten 1, 2, 3, 4, 5, 6 subsidiair en 7 primair heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
jeugddetentievoor de duur van
3 (drie) maanden.
Beveelt dat deze jeugddetentie
nietten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich zal melden bij de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam, afdeling jeugdreclassering, en zich daarna gedurende de proeftijd en op de door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal blijven melden bij deze instelling, zo vaak en zo lang die instelling dat noodzakelijk acht;
- zal meewerken aan het maken van een delictanalyse en zal meewerken aan de daaruit voortvloeiende begeleiding of hulpverlening indien en zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal hebben of zoeken met de medeverdachten,
- [de medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum] ;
- [de medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] ;
zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met de hierna te noemen slachtoffers, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, tenzij met goedvinden van de jeugdreclassering en onder begeleiding van professioneel betrokkenen contact eventueel nodig is in het kader van herstelbemiddeling:
- [de benadeelde partij 1] , geboren op [geboortedatum] ;
- [de benadeelde partij 2] , geboren op [geboortedatum] ;
- [de benadeelde partij 3] , geboren op [geboortedatum] ;
- [de benadeelde partij 4] , geboren op [geboortedatum] ;
- [de benadeelde partij 5] , geboren op [geboortedatum] ;
- [de benadeelde partij 8] , geboren op [geboortedatum] .
Geeft opdracht aan Jeugdbescherming regio Amsterdam, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde daarvan te begeleiden.
Stelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van
150 (honderdvijftig) urentaakstraf in de vorm van een
werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen jeugddetentie.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf in mindering worden gebracht.
Beslissing over voorlopige hechtenis
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. S. Ok, voorzitter,
mr. J. Lintjer en mr. M.E. Kleijn, rechters, allen tevens kinderrechter,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. G.J.M. Loos,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 juni 2026.