Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:7571

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
15/145520-25
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzetverkrachting met gevangenisstraf en schadevergoeding

De rechtbank Noord-Holland heeft op 9 juni 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte die op 2 juli 2024 te Grootebroek een opzetverkrachting heeft gepleegd. De verdachte heeft seksuele handelingen verricht, waaronder het binnendringen van de vagina van het slachtoffer, terwijl hij wist dat haar wil daartoe ontbrak. De rechtbank achtte de verklaringen van het slachtoffer betrouwbaar en vond het uitvoerige Snapchatgesprek tussen partijen als steunbewijs overtuigend.

De rechtbank kwalificeerde het bewezenverklaarde feit als opzetverkrachting en verwierp het verweer van de verdachte dat het Snapchatgesprek gemanipuleerd zou zijn. Gelet op de ernst van het feit en de gevolgen voor het slachtoffer, legde de rechtbank een gevangenisstraf van 18 maanden op, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Hierbij werd rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder een belast verleden en mentale gezondheidsproblemen.

Daarnaast werd een schadevergoeding van in totaal €6.755 toegewezen aan het slachtoffer, bestaande uit €1.755 aan materiële schade voor reeds gemaakte therapiekosten en €5.000 aan immateriële schade wegens psychisch letsel. De vordering voor toekomstige therapiekosten werd niet-ontvankelijk verklaard. De verdachte is verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen, die het vervolgens aan het slachtoffer zal uitkeren.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, en betaling van €6.755 schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/145520-25 (P)
Uitspraakdatum: 9 juni 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 26 mei 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.G.T. Kramer, en van wat de verdachte naar voren heeft gebracht.

1.Tenlastelegging

De verdachte wordt – samengevat - verweten dat hij op 2 juli 2024 in Grootebroek [slachtoffer] heeft verkracht (kort gezegd: haar vagina is binnengedrongen terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij dat niet wilde).
De volledige tekst van de tenlastelegging is als
bijlage Iaan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat de verdachte de verkrachting heeft gepleegd en dat dit moet worden gekwalificeerd als schuldverkrachting.
3.2
Standpunt van de verdediging
De verdachte heeft verklaard dat hij zich niet kan vinden in de verklaring van [slachtoffer] (hierna: de aangeefster). Daarnaast heeft de verdachte zich op het standpunt gesteld dat – zo begrijpt de rechtbank – het Snapchatgesprek dat na het incident tussen hem en de aangeefster is gevoerd, niet als steunbewijs kan dienen, omdat dit gesprek door de aangeefster zou zijn gemanipuleerd: er zouden berichten zijn weggelaten, aangepast en/of niet door hem zijn verstuurd.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot het oordeel dat het tenlastegelegde feit kan worden bewezen op grond van de bewijsmiddelen die in
bijlage IIbij dit vonnis zijn opgenomen. Zij licht dit oordeel als volgt toe.
3.3.2
Bewijsmotivering
Bewijsminimum in zedenzaken
In zedenzaken zijn doorgaans maar twee personen betrokken: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. In de kern gaat het dan ook vaak om het woord van de aangeefster tegenover dat van de verdachte. Dat geldt ook voor deze zaak: de beschuldiging van de aangeefster staat tegenover de ontkenning van de verdachte. Het is de rechtbank volgens de wet niet toegestaan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, uitsluitend te baseren op de verklaring van één getuige (in dit geval: de aangeefster). Er moet altijd ander bewijs (steunbewijs) in het dossier zitten.
Er moet zorgvuldig en behoedzaam worden omgegaan met verklaringen van (vermeende) slachtoffers in zedenzaken, zeker als de verdachte het tenlastegelegde feit ontkent en er geen directe getuigen zijn. De rechtbank zal daarom eerst de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster toetsen, door te beoordelen of deze consistent en voldoende gedetailleerd zijn en of sprake is van omstandigheden die een contra-indicatie opleveren voor de betrouwbaarheid van haar verklaringen.
Vervolgens zal de rechtbank beoordelen of de verklaringen van de aangeefster in voldoende mate steun vinden in ander bewijs.
Feiten en omstandigheden
De verdachte en de aangeefster hebben allebei verklaard dat de aangeefster twee nachten bij de verdachte heeft geslapen, omdat zij ruzie had met de jongen die zij destijds leuk vond en daarom niet goed in haar vel zat. De verdachte en de aangeefster waren goed bevriend en de aangeefster zocht troost bij de verdachte, omdat haar ouders op vakantie waren. In de nacht van 1 op 2 juli 2024 zou de aangeefster boven in het bed van de verdachte slapen en de verdachte beneden op de bank. Op het moment dat de aangeefster wilde gaan slapen, zijn zij samen naar boven gegaan, waarna seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Vervolgens hebben zij buiten een sigaret gerookt, waarna de verdachte op de bank is gaan slapen en de aangeefster in het bed van de verdachte. De volgende dag heeft de verdachte de aangeefster naar huis gebracht. Na het incident hebben de verdachte en de aangeefster via Snapchat berichten naar elkaar verstuurd over wat er in de nacht van 1 op 2 juli 2024 is gebeurd. In zoverre komen de verklaringen van de verdachte en de aangeefster met elkaar overeen.
De betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de verklaringen van de aangeefster
De aangeefster heeft verklaard dat zij in de nacht van 1 op 2 juli 2024 in slaap is gevallen in het bed van de verdachte. De verdachte is, zonder dat de aangeefster dit merkte, naast haar komen liggen. De aangeefster schrok op enig moment wakker en voelde dat de verdachte zijn hand op haar borst had. Zij heeft zijn hand weggelegd en is weer in slaap gevallen. Even later schrok zij opnieuw wakker en merkte dat de verdachte met twee vingers in haar vagina zat. Vervolgens heeft de verdachte haar borsten betast en zijn penis in haar vagina gebracht.
De aangeefster heeft verklaard dat zij in shock was, de arm van de verdachte heeft vastgepakt en eenmaal zijn naam heeft genoemd.
De verdachte heeft daar tegenovergesteld dat de aangeefster degene was die zijn hand naar haar vagina bracht en dat dit voor hem als dwang aanvoelde. Vanwege zijn PTSS raakte hij in paniek en kan hij zich echter vrijwel niets meer herinneren van de nacht.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar zijn. Zij heeft consistent en gedetailleerd verklaard over de seksuele handelingen die de verdachte bij haar heeft verricht. Daarnaast komt haar verklaring op specifieke en relevante punten overeen met wat zij de dag na het incident aan een vriendin heeft verteld. Verder draagt het Snapchatgesprek tussen de verdachte en de aangeefster bij aan de betrouwbaarheid van haar verklaringen. De inhoud van die berichten passen namelijk bij haar verklaringen over wat er die nacht is gebeurd. De rechtbank heeft dan ook geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster en zal deze daarom als uitgangspunt nemen voor het bewijs.
De rechtbank zal niet uitgaan van de lezing van de verdachte, nu de verdachte dit niet aannemelijk heeft gemaakt en zijn lezing van de gebeurtenissen in strijd is met de inhoud van de hierna te behandelen Snapchatberichten.
Aanwezigheid van steunbewijs
Op 3 juli 2024 heeft de aangeefster een informatief zedengesprek gevoerd met de politie over het voorval. Zij heeft ter ondersteuning van haar verhaal een groot aantal foto’s van een Snapchatconversatie tussen haar en de verdachte aan de politie overhandigd. De rechtbank leidt hieruit af dat dit chatgesprek moet hebben plaatsgevonden op 2 of 3 juli 2024, ofwel zeer kort na het incident.
Uit de aangeleverde afbeeldingen blijkt onder meer dat de aangeefster het volgende bericht aan de verdachte heeft gestuurd: ‘Hey ik zit toch wel met het fijt dat ik heb geneukt met je en dinge heb gedaan terwijl ik sliep ik was in shok en ja klopt ik zie geen nee maar ik wou het echt ni.’ De verdachte heeft daarop geantwoord: ‘Hmm oke dat snap ik het gaat niet meer gebeuren dat beloof ik je.’ De aangeefster heeft vervolgens aangegeven dat zij de verdachte niet meer vertrouwt, waarop de verdachte heeft gereageerd: ‘Dat snap ik. Sorry.’ Daarnaast blijkt uit de berichten dat de aangeefster tegen de verdachte heeft gezegd dat zij aangifte wilde doen, waarop de verdachte heeft gereageerd: ‘Denk er gewoon even over na want ja als het doet dan ga je wel mijn leven ruïneren en dat gaat me waarschijnlijk alles kosten me baan me woonplek alles. En ja ik kan het niet goedpraten dat weet ik ook.’ Tot slot heeft de aangeefster tegen de verdachte gezegd dat zij tegen [getuige], de moeder van een vriend van de verdachte, heeft verteld wat er tussen haar en de verdachte is gebeurd. De verdachte heeft daarop gereageerd dat hij het niet fijn vindt dat de aangeefster dit heeft verteld en heeft onder meer gezegd: ‘Misschien zie je het niet aan mij maar ja ik ben zwaar en zwaar depressief. En dat zie nu ook ik was zo fucking moe en dan ga ik verkeerde keuzes maken.’ De rechtbank is van oordeel dat uit de inhoud van deze berichten blijkt dat de verdachte de verklaring van de aangeefster bevestigt en erkent dat wat er is voorgevallen niet had mogen gebeuren en niet meer zal gebeuren. De rechtbank ziet in deze en de vele overige berichten een uitvoerig gesprek, waarin de verdachte geen moment aangeeft dat het niet gebeurd is zoals de aangeefster aangeeft, maar haar juist bevestigt en meermalen verzoekt om geen aangifte te doen vanwege de ernstige gevolgen die een aangifte voor hem zouden hebben. Voor zover de verdachte heeft aangevoerd dat hij deze berichten heeft gestuurd uit angst dat de aangeefster zichzelf van het leven zou beroven, volgt de rechtbank hem daarin niet, nu dit niet uit de inhoud van de berichten blijkt en het in het gesprek juist de verdachte zelf is die daarmee dreigt.
De verdachte heeft verder aangevoerd dat het Snapchatgesprek dat kort na het incident tussen hem en de aangeefster is gevoerd, niet voor het bewijs kan worden gebruikt, omdat dit gesprek door de aangeefster zou zijn gemanipuleerd. Dit verweer wordt door de rechtbank niet gevolgd. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen aanleiding om te veronderstellen dat de inhoud van deze Snapchatberichten is gemanipuleerd. De verdachte heeft niet duidelijk gemaakt waar dit uit blijkt, wat er onjuist zou zijn aan de inhoud van het gesprek of welke berichten zouden zijn weggelaten. Ook heeft de verdachte niet duidelijk gemaakt wat dan wel de inhoud van het Snapchatgesprek zou zijn geweest. Het gesprek komt op de rechtbank over als een normaal doorlopend gesprek, waarbij er geen aanleiding is om te veronderstellen dat op sommige momenten berichten zouden zijn weggelaten, laat staan dat dat afbreuk zou doen aan de inhoud van het uitvoerige en voor de verdachte belastende gesprek. Dit betekent dat de rechtbank het gesprek als bewijsmiddel zal gebruiken.
Tussenconclusie
Het uitvoerige Snapchatgesprek vormt steunbewijs voor de verklaring van de aangeefster dat zij en de verdachte seks hebben gehad (geneukt) terwijl zij dit niet wilde. De verdachte ontkent dit niet, maar bevestigt dit juist. Daarmee is er voldoende steunbewijs dat deze seksuele handelingen hebben plaatsgevonden op de manier zoals de aangeefster heeft gesteld. Meer specifiek – over de handelingen die hebben plaatsgevonden – acht de rechtbank bewezen dat de verdachte met zijn vingers en zijn penis de vagina van de aangeefster is binnengedrongen. Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen hoe dit handelen van de verdachte juridisch moet worden gekwalificeerd.
Opzetverkrachting
Van opzetverkrachting is sprake als de verdachte seksuele handelingen verricht die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, in de wetenschap dat de wil van de ander daartoe ontbreekt. Daarbij is sprake van vol opzet als de verdachte daadwerkelijk weet dat de wil daartoe bij de ander ontbreekt, maar kan ook sprake zijn van voorwaardelijk opzet. Daarvan is sprake indien de verdachte zich bewust is van de mogelijkheid dat de wil van de ander ontbreekt en die mogelijkheid negeert of voor lief neemt.
De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de wil tot penetratie bij de aangeefster ontbrak. De verdachte heeft namelijk twee vingers in de vagina van de aangeefster gestoken op het moment dat zij lag te slapen. Door zo te handelen heeft de verdachte het onvermogen van de aangeefster om haar wil vrij te uiten genegeerd en daarmee dus opzettelijk gehandeld.
Conclusie
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetverkrachting.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat:
hij op 2 juli 2024 te Grootebroek, gemeente Stede Broec, met een persoon, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2]) seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het:
- betasten van de borsten van die [slachtoffer], en
- met zijn, verdachtes, vingers binnendringen in de vagina van die [slachtoffer], en
- met zijn, verdachtes, penis binnendringen in de vagina van die [slachtoffer],
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op: opzetverkrachting.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
6.2
Standpunt van de verdachte
De verdachte heeft verklaard dat hij zich zorgen maakt over zijn mentale gezondheid op het moment dat hij een gevangenisstraf zou moeten ondergaan.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetverkrachting. In de nacht van 1 op 2 juli 2024 heeft de verdachte seksuele handelingen verricht bij het slachtoffer, terwijl hij wist dat haar wil daartoe ontbrak. Deze handelingen bestonden onder meer uit het betasten van haar borsten, het met zijn vingers binnendringen in haar vagina en het met zijn penis binnendringen in haar vagina.
De verdachte heeft met deze gedragingen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. De verdachte heeft kennelijk alleen oog gehad voor de bevrediging van zijn eigen lustgevoelens. In het algemeen blijven bij slachtoffers van verkrachting langdurig gevoelens van angst en onveiligheid bestaan. Ook voor het slachtoffer in deze zaak is de verkrachting een zeer ingrijpende gebeurtenis geweest, zoals blijkt uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring, waarin zij beschrijft welke gevolgen het handelen van de verdachte voor haar heeft gehad en nog steeds heeft.
De persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 29 april 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de reclasseringsrapporten van Reclassering Nederland van 11 september 2025 en 13 mei 2026. Uit het rapport van 13 mei 2026 blijkt dat het recidiverisico ten aanzien van een seksueel delict als laag wordt ingeschat. De reclassering adviseert bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, omdat interventies of toezicht, gelet op het lage recidiverisico en de beperkte risicofactoren, niet noodzakelijk zijn.
Verder blijkt uit het rapport dat de verdachte een belast verleden heeft, bestaande uit seksueel misbruik door zijn ouders, verwaarlozing en mishandeling, hetgeen heeft geleid tot uithuisplaatsingen en jarenlange therapie. Vanwege de trauma’s uit het verleden ervaart de verdachte hechtingsproblemen en is hij communicatief en affectief in beperkte mate ontwikkeld. De reclassering uit daarnaast zorgen over de mentale gezondheid van de verdachte op het moment dat hij een gevangenisstraf zal moeten ondergaan.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft opzetverkrachting bewezen verklaard. Dat is een ernstiger feit dan schuldverkrachting, waar de officier van justitie uitging. De straf die de officier had geëist, doet geen recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde feit.
De rechtbank vindt het feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer zo ernstig, dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur gerechtvaardigd is. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals geschetst door de verdachte en de reclassering. Deze persoonlijke omstandigheden – voortvloeiend uit een zeer belast verleden – maken dat een gevangenisstraf (mogelijk) nadelige gevolgen heeft voor zijn mentale gezondheid. Dit heeft de rechtbank in aanzienlijke mate meegewogen in het voordeel van de verdachte.
Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van achttien maanden moet worden opgelegd. De rechtbank zal een deel daarvan – te weten: acht maanden – voorwaardelijk opleggen. Dat betekent dat deze acht maanden vooralsnog niet ten uitvoer zullen worden gelegd. De rechtbank verbindt hieraan een proeftijd van twee jaar, opdat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit.

7.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De advocaat van de benadeelde partij [slachtoffer], mr. J.W.E. Groot, heeft een vordering tot schadevergoeding van € 8.547,50 ingediend tegen de verdachte. De gestelde schade bestaat uit € 2.047,50 aan materiële schade, bestaande uit therapiekosten (€ 1.755) en toekomstige therapiekosten (€ 292,50), en € 6.500 aan immateriële schade.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade bestaande uit de therapiekosten (€ 1.755) en de immateriële schade (€ 6.500) moet worden toegewezen. Ten aanzien van de overige gevorderde materiële schade, bestaande uit toekomstige therapiekosten, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering op dit punt niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Ten aanzien van de gevorderde materiële kosten overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank is van oordeel dat de reeds gemaakte therapiekosten (EMDR-behandeling en bokstherapie), die niet door de zorgverzekering zijn vergoed, voldoende zijn onderbouwd. Deze kosten zijn het rechtstreekse gevolg van het bewezenverklaarde feit en zullen worden toegewezen (€ 1.755).
Dat is anders voor de toekomstige therapiekosten (€ 292,50). Op grond van artikel 6:105 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de begroting van nog niet ingetreden schade bij voorbaat geschieden als voldoende is onderbouwd dat de gevorderde schade ook in de toekomst daadwerkelijk zal worden geleden. De rechtbank is van oordeel dat daarvan geen sprake is, omdat de noodzaak van die toekomstige behandelingen en de daarmee samenhangende kosten onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank zal de vordering voor zover het toekomstige schade betreft dan ook niet-ontvankelijk verklaren, onder vermelding dat deze vordering eventueel nog aan de burgerlijke rechter kan worden voorgelegd.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW Pro mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
In dit geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zo’n uitzonderlijke situatie, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade
.
Voor de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de rechtbank gekeken naar de Rotterdamse schaal en in het bijzonder naar paragraaf 15.1 (verkrachting). De rechtbank is van oordeel dat sprake is van categorie c (tamelijk ernstig), omdat sprake is van een eenmalige verkrachting. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een immateriële schadevergoeding van € 5.000 billijk is en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
Conclusie
De vordering van de benadeelde partij zal dus worden toegewezen tot een bedrag van € 6.755 bestaande uit € 1.755 als vergoeding voor materiële schade en € 5.000 als vergoeding voor immateriële schade. Dit laatste bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor de materiele schadevergoeding van € 1.755 wordt de wettelijke rente vanaf 1 januari 2025 toegewezen. De vordering wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 6.755 aan de Staat moet betalen.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
14a, 14b, 14c, 36f, 63, 243 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
18 [achttien] maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot
8 [acht] maanden,
nietten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op
2 [twee] jaarbepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering benadeelde partij
Wijst toede vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[slachtoffer]geleden schade tot een bedrag van
€ 6.755, bestaande uit € 1.755 als vergoeding voor de materiële en € 5.000 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. De wettelijke rente is over het bedrag van € 5.000 verschuldigd vanaf 2 juli 2024 en over het bedrag van € 1.755 vanaf 1 januari 2025.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 6.755, bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 58 dagen en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening. De wettelijke rente is over het bedrag van € 5.000 verschuldigd vanaf 2 juli 2024 en over het bedrag van € 1.755 vanaf 1 januari 2025. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. I.A.M. Tel, voorzitter,
mr. P. Hesselink en mr. S.H. Bouwers, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier, mr. D. Koppe,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 juni 2026.
Bijlage I
De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op een of meerdere tijdstip(pen) op of omstreeks 2 juli 2024 te Grootebroek, gemeente Stede Broec, althans in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer] (geboren op 08 januari 2007) een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het
seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het een en/of meermalen:
- betasten van de borsten van die [slachtoffer] en/of
- betasten van de vagina van die [slachtoffer] en/of met zijn, verdachtes, vingers binnendringen in de vagina van die [slachtoffer], en/of vingeren van die [slachtoffer] en/of
- met zijn, verdachtes, penis binnendringen in de vagina van die [slachtoffer] en/of vaginale gemeenschap hebben met die [slachtoffer],
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.
Bijlage II
De bewijsmiddelen
(..)