Uitspraak
1.POWERGO PUBLIC I B.V.,
POWERGO B.V.,
De kantonrechter oordeelt dat de feiten en omstandigheden in deze zaak voldoende duidelijk en aannemelijk zijn en nader onderzoek of bewijslevering is niet nodig. Ook is voldoende gebleken dat PTW een spoedeisend belang heeft bij haar vordering en dat het restitutierisico wordt ondervangen.
De vorderingen zijn toewijsbaar. PTW kon en mocht in dit geval uit de gedragingen van Powergo c.s. afleiden dat zij zich niet op de voorwaarde zoals genoemd in artikel 2.2 (en artikel 8.1) van de huurovereenkomst zou beroepen. Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat Powergo c.s. zich nu alsnog hierop beroept.
1.De procedure
- de conclusie van antwoord met producties
- de mondelinge behandeling van 2 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van PTW.
2.De feiten
- locatieovereenkomst perceel A8501, Fase 1, waarbij PTW over de periode 1 september 2024 tot 1 september 2044 aan Powergo Public het gebruik van het perceel aan de Noorderweg 15 heeft verleend tegen betaling van een vaste huurprijs van € 750,- per parkeerplaats met een maximum van € 5.000,- per maand en een variabele huurprijs van
€ 0,04 per geladen kWh, alles met een minimumhuur van € 3.300,- in het eerste jaar naar
€ 10.000,- vanaf het achtste jaar.
- locatieovereenkomst perceel A9605, Fase 2, waarbij PTW over de periode vanaf ingebruikname van een 2000 kVA netaansluiting tot 1 september 2044 aan Powergo Public het gebruik van het perceel aan de Noorderweg 13A en 15 heeft verleend tegen betaling van een vaste huurprijs van € 750,- per parkeerplaats met een maximum van € 5.000,- per maand en een variabele huurprijs van € 0,04 per geladen kWh, alles met een minimumhuur van
€ 3.300,- in het eerste jaar naar € 10.000,- vanaf het achtste jaar.
“
2.2. (…) Deze Overeenkomst en de Fase 2 Overeenkomst worden aangegaan onder de voorwaarde dat Grondeigenaar binnen 2 maanden na heden van de hypotheekhouder toestemming krijgt voor het vestigen van een huurafhankelijk opstalrecht zoals opgenomen in artikel 8.1. van deze Overeenkomst. (…)8.1. Grondeigenaar verleent op verzoek van PowerGo zijn medewerking om ervoor te zorgen dat PowerGo eigenaar een exploitant blijft van de EV-laadinfrastructuur. Dit kan geschieden door middel van het vestigen van een huurafhankelijk recht van opstal (of een vergelijkbaar recht naar lokaal recht waarbij het eigendom van haar bezittingen zeker gesteld kunnen worden). Grondeigenaar maakt daarbij het voorbehoud dat de hypotheekhouder daarmee dient in te stemmen. Deze Overeenkomst wordt aangegaan onder de voorwaarde dat Grondeigenaar binnen 2 maanden na heden toestemming van de hypotheekhouder ontvangt voor het vestigen van dit recht van opstal. PowerGo draagt de kosten voor het vestigen van een recht van opstal.(…)”.
Ook geregeld dit.”
3.Het geschil
€ 300,00, het voorgaande vermeerderd met de rente en kosten.
Volgens PTW is sprake van een onvoorwaardelijke huurovereenkomst en heeft Powergo Public ondanks aanmaningen nagelaten de verschuldigde huur tijdig en volledig te voldoen, zodat tot 1 maart 2026 sprake is van een huurachterstand van € 26.499,-. Op grond van de overeenkomsten [4] is zij daarom naast de achterstallige huur ook de buitengerechtelijke incassokosten en de contractuele boete verschuldigd [5] . Powergo BV is op grond van de verleende concerngarantie eveneens voormelde bedragen verschuldigd.
Volgens Powergo c.s. is de locatieovereenkomst Fase 1 aangegaan onder een opschortende voorwaarde dat PTW binnen twee maanden na ondertekening een schriftelijke toestemming van de hypotheekhouder zou krijgen voor het vestigen van een huurafhankelijk opstalrecht, welke voorwaarde niet is vervuld. Daarom zijn de overeenkomsten [6] uiteindelijk nooit tot stand gekomen en is zij geen huur of verdere kosten verschuldigd.
4.De beoordeling
- het bestaan en de omvang van de vordering in voldoende mate aannemelijk zijn;
- uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en;
- het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, bij afweging van de belangen van partijen, aan toewijzing niet in de weg staat.
Ook hier is sprake van communicerende vaten waarin het hoge niveau van de ene factor het lage niveau van een andere factor kan opheffen: bij een onbestreden of harde vordering kunnen aan de spoedeisendheid minder hoge eisen worden gesteld dan als sprake is van een (gemotiveerd) bestreden vordering.