ECLI:NL:RBNHO:2026:7591

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
C/15/376176
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 8 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorzieningen in zorgregeling en uitlatingsverbod na echtscheiding

Partijen zijn ex-echtgenoten met twee minderjarige kinderen en hebben een langdurig conflict over de zorgregeling en communicatie. Na meerdere procedures is een voorlopige zorgregeling vastgesteld waarbij de kinderen om de week bij een van de ouders verblijven. De man vordert onder meer nakoming van afspraken, een uitlatingsverbod voor de vrouw en vervangende toestemming voor vakanties met de kinderen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat beide partijen een spoedeisend belang hebben. De vrouw wordt verboden onrechtmatige en diffamerende uitlatingen te doen over de man en zijn verbonden rechtspersonen, met een dwangsom bij overtreding. De man krijgt vervangende toestemming voor een vakantie naar Zwitserland met de kinderen. De communicatie tussen partijen wordt beperkt tot feitelijke en relevante informatie over de kinderen.

Verder wordt bepaald dat partijen moeten meewerken aan het inschakelen van een kindbehartiger en dat de man informatie over schenkingen aan de vrouw moet verstrekken. De vorderingen van de vrouw tot wijziging van de zorgregeling en vervangende toestemming voor een vakantie naar Kos worden afgewezen. Proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: De voorzieningenrechter legt een uitlatingsverbod op, verleent vervangende toestemming voor vakantie en regelt communicatie en zorgondersteuning, met deels toegewezen en deels afgewezen vorderingen.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/376176 / KG ZA 26-159
Vonnis in kort geding van 23 juni 2026
in de zaak van
[de man],
te [plaats 1],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. S.A. Ray,
tegen
[de vrouw],
te [plaats 1],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M. Koudstaal.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 91
- de conclusie van antwoord in kort geding met betrekking tot de vakantieomgang in de meivakantie, tevens vorderingen in reconventie met producties 1 tot en met 10
- de aanvullende productie 11 van de vrouw
- productie 92 van de man met het antwoord in reconventie voor de zitting van 15 april 2026
- de aanvullende producties 93 tot en met 121 van de zijde van de man
- het proces-verbaal met afspraken van 15 april 2026
- de conclusie van antwoord deel II, tevens houdende aanvullende eisen in reconventie, tevens houdende akte overlegging producties 12 tot en met 20
- de aanvullende producties 21 tot en met 27 van de vrouw
- de mondelinge behandeling van 3 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- spreekaantekeningen van de man
- de pleitnota van de vrouw
-spreekaantekeningen van de vrouw.
1.2.
De man heeft op 1 juni 2026 een conclusie van antwoord in reconventie met aanvullende producties 121 tot en met 207 ingediend.
Mr. Koudstaal heeft op 2 juni 2026 bezwaar gemaakt tegen de omvang van de ingediende conclusie en de hoeveelheid producties. De voorzieningenrechter heeft, gelet op de omvang van de conclusie en de daarbij overgelegde producties, deze stukken op 2 juni 2026 geweigerd.
1.3.
De man heeft tegen de beslissing van de voorzieningenrechter bezwaar gemaakt en benadrukt dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn eisvermeerdering.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft op 3 juni 2026 telefonisch via de griffier aan de advocaten laten weten dat de eisvermeerdering niet als zodanig was aangekondigd en daardoor over het hoofd gezien was, maar dat de man zijn eis wel mag vermeerderen en dat de vrouw hierop ter zitting mag reageren.
1.5.
Voor de mondelinge behandeling op 3 juni 2026 zijn verschenen de man, bijgestaan door mr. Ray voornoemd en de vrouw, bijgestaan door mr. Koudstaal voornoemd. Tevens is verschenen mevrouw [betrokkene 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
1.6.
De man heeft de zitting voortijdig verlaten, evenals zijn advocaat. De man heeft meegedeeld dat hij de voorzieningenrechter niet ging wraken, maar dat hij de beschuldigingen tegen hem van de vrouw niet wilde aanhoren en dat de zitting wel door mocht gaan met de vrouw en haar advocaat. De zitting is daarna voortgezet.
1.7.
Tenslotte is vonnis bepaald op uiterlijk 17 juni 2026.
1.8.
De man heeft op 6 juni 2026 een wrakingsverzoek ingediend tegen de voorzieningenrechter. Als gevolg daarvan is de verdere behandeling van de zaak geschorst. Op 12 juni 2026 heeft de man zijn wrakingsverzoek weer ingetrokken, waarna de behandeling weer is hervat. Vervolgens is vonnis bepaald op uiterlijk 24 juni 2026.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn getrouwd geweest. Het huwelijk is op 12 oktober 2021 ontbonden door inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
Uit het huwelijk van partijen zijn twee, thans nog minderjarige, kinderen geboren, te weten:
  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [plaats 2] (10 jaar)
  • [minderjarige 2] geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [plaats 3] (6 jaar).
Partijen hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen.
2.3.
Partijen hebben op 3 mei 2021 een ouderschapsplan ondertekend.
2.4.
Naar aanleiding van geschillen over de zorgregeling hebben partijen meerdere procedures gevoerd. In zijn vonnis van 23 oktober 2024 heeft de voorzieningenrechter het volgende overwogen en beslist:
5.5
Uit de dossierstukken blijkt dat er – ook bij de overdrachtsmomenten – sprake is van steeds heftigere conflicten en escalaties tussen partijen. Partijen doen over en weer aangiftes bij de politie tegen elkaar en uit alles wat in de stukken is opgenomen blijkt hoe torenhoog de spanningen tussen partijen zijn. (…) De voorzieningenrechter wil aannemen dat beide ouders hun best doen om de kinderen daar zo min mogelijk bij te betrekken. Maar voor de voorzieningenrechter staat vast dat de kinderen veel van deze spanningen mee krijgen. (…)
5.7
De voorzieningenrechter overweegt verder dat er zo snel mogelijk een regeling dient te komen die garandeert dat de kinderen zo min mogelijk last ondervinden van de spanningen tussen de ouders. Dit belang van de kinderen is een spoedeisend belang en met het treffen van een regeling kan niet worden gewacht op de behandeling van de bodemzaak en het rapport van de Raad. Hangende het raadsonderzoek zal de voorzieningenrechter daarom een voorlopige zorgregeling vastleggen.
5.8
Op basis van algemene ervaringsregels gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat de kinderen zijn gebaat bij zo min mogelijk wisselingen en zo veel mogelijk rust en regelmaat en met een zorgregeling waarbij de ouders niet met elkaar worden geconfronteerd. (…)

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie en in reconventie
6.1
bepaalt bij wijze van voorlopige zorgregeling en in zoverre in plaats van het tussen partijen overeengekomen ouderschapsplan dat de minderjarigen:
[minderjarige 1] (…) en
[minderjarige 2] (…),
- de ene week van vrijdag uit school tot de daarop volgende week vrijdag naar school bij de ene ouder en de andere week op gelijkluidende wijze bij de andere ouder zullen verblijven, waarbij de overdracht tijdens de vakanties en feestdagen plaatsvindt op vrijdag om 12:00 uur door tussenkomst van een derde, mogelijk de nanny [betrokkene 2] of een andere bekende van partijen, maar in ieder geval zo dat beide partijen elkaar bij de overdracht niet ontmoeten;
(…)
Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld. De op dat moment aanhangige bodemprocedure over de zorgregeling is vervolgens ingetrokken.
2.5.
Op 18 december 2025 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst zorg- en overdrachtsregeling voor schooljaar 2025/2026 en zomerperiode 2026 getekend. In deze vaststellingsovereenkomst hebben zij het volgende afgesproken:
Artikel 3. Aangepast zorgschema
3.1.
Partijen zijn de overdrachtsdata, tijden en locaties overeengekomen in bijlage A:
- Afwijkingen van het bij vonnis in kort geding van de rechtbank Haarlem van 23 oktober 2024 vastgestelde standaardschema (vrijdag–vrijdag) zijn daarin aangemerkt met geel.
- Overdrachten die buiten schooltijden plaatsvinden, zijn voorzien van een
waarschuwingsicoon (⚠).
Artikel 4. Contactmomenten tijdens vakanties
4.1.
De belmomenten in de vakantie van moeder zijn dan maandag 13 juli om 13:00 uur NL-tijd en ook maandag 20 juli om 13:00 uur NL-tijd, en ook even bij aankomst. Vader belt met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de vakantie van moeder op maandag 3 en maandag 10 augustus om 12:00 uur NL-tijd, en ook even bij aankomst en vertrek. Dit mogen korte belmomenten zijn van 5–10 minuten.
Artikel 5. Toestemming vakanties binnen Europa
5.1.
Voor vakanties binnen Europa tijdens het verblijf bij de andere ouder wordt het toestemmingsformulier binnen vijf (5) werkdagen na het verzoek van de andere ouder verstrekt, zonder dat hieraan nadere voorwaarden worden gesteld.
Artikel 6. Geldigheid aanbod vader en ondertekening
6.1.
Het aanbod van vader, zoals besloten binnen deze overeenkomst, is uitsluitend geldig indien het aanbod uiterlijk op donderdag 18 december 2025 om 22:00 uur onvoorwaardelijk door de moeder is geaccepteerd door middel van ondertekening van deze overeenkomst.
(…)
Artikel 7. Slotbepalingen
7.1.
Deze overeenkomst vormt de volledige weergave van de tussen partijen gemaakte afspraken.
7.2.
Wijzigingen zijn slechts geldig indien schriftelijk en door beide partijen ondertekend in een nieuwe versie van deze overeenkomst.
2.6.
In de bijlage bij deze vaststellingsovereenkomst zijn – voor zover nu nog van belang – de volgende data/tijden geel gearceerd:

{Afbeelding 1}

2.7.
Ondanks deze afspraken is het partijen niet gelukt in onderling overleg overeenstemming te bereiken voor de wintersportvakantie van de man met de kinderen in de voorjaarsvakantie in februari 2026. De vrouw heeft hiervoor geen toestemming gegeven zodat de geplande vakantie niet kon doorgaan.
Ook voor de meivakantie konden partijen in eerste instantie in onderling overleg geen overeenstemming bereiken. De toestemming voor die vakantie maakte onderdeel uit van de onderhavige procedure. Partijen hebben hierover tijdens de eerdere zitting op 15 april 2026 alsnog overeenstemming bereikt, welke overeenstemming is vastgelegd in een proces-verbaal. De verdere behandeling van de zaak is vervolgens aangehouden tot 3 juni 2026.
2.8.
Op 7 mei 2026 heeft de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) een conceptrapport toegestuurd aan partijen over haar voornemen de rechtbank te adviseren de kinderen onder toezicht te stellen. Inmiddels is eind mei het definitieve rapport toegestuurd aan de rechtbank. Partijen en de voorzieningenrechter hebben het definitieve rapport voor deze procedure niet kunnen inzien.
Tekst

3.De vorderingen

in conventie
3.1.
De man vordert - voor zover nu nog aan de orde - dat de voorzieningenrechter:
I. Verbod interveniëren rechtspersonen
de vrouw gebiedt tot het volledig en onvoorwaardelijk nakomen van de verplichtingen uit artikel 9 van Pro het proces-verbaal van 17 november 2023 en zich te onthouden van iedere vorm van inmenging, waaronder begrepen, maar niet beperkt tot, het doen van meldingen bij instanties, rechtsmaatregelen, communicatie met de media, het schriftelijk en/of mondeling uitlaten over bestuursleden en het schriftelijk en/of mondeling uitlaten over en/of bezwaar maken tegen het (voorgenomen) beleid en governance van aan man gelieerde rechtspersonen, waarbij inbegrepen 2050 Holding B.V., 2050 Capital B.V. Stichting 2050 Foundation, Stichting Aandelen Kapitaal Oryza, Metrics Matter Holding B.V., Veriam B.V. en voorts overige toekomstige rechtspersonen die zijn verbonden aan de man als oprichter en/of bestuurder, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom, onverlet het recht op schadevergoeding.
IIa. Uitlatingsverbod
de vrouw verbiedt zich, direct dan wel indirect (waaronder begrepen via derden, publicaties of anderszins), mondeling of schriftelijk jegens derden uit te laten over de man en/of aan hem gelieerde rechtspersonen op een wijze die onrechtmatig, smadelijk, lasterlijk of anderszins diffamerend is. Onder dit verbod valt uitdrukkelijk ook het verspreiden of doen verspreiden van dergelijke uitlatingen door derden in communicatie te betrekken, waaronder begrepen het opnemen van derden in de CC of BCC van e-mailberichten. Onder derden worden in dit verband mede begrepen: de school, de oppas, familieleden, vakantieverblijven, de Belastingdienst, de gemeente, dorpsgenoten en de sociale omgeving
van de kinderen, waaronder andere ouders en sportverenigingen en daarbij tevens te bepalen dat het de vrouw in het bijzonder verboden is zich jegens derden uit te laten over vermeende zaken van medische aard van de man (waaronder begrepen persoonlijkheidsstoornissen, verslavingen en suïcide) en/of over vermeend strafrechtelijk of anderszins onrechtmatig handelen van de man en/of aan de man gelieerde rechtspersonen.
Het voorgaande laat onverlet dat de vrouw gerechtigd is om zorgen en/of klachten over
de man uitsluitend te uiten via de daartoe bevoegde instanties, dan wel via haar advocaat aan
de advocaat van de man. Een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom, onverlet het recht op schadevergoeding.
II b. Contactvoorwaarden
1. de vrouw ten aanzien van het inter-ouder overleg:
a. gebiedt de advocaten van de man uitsluitend te benaderen via haar eigen advocaat en zich te onthouden van ieder aanschrijven van de advocaten van de man,
b. verbiedt zich in directe communicatie met de man uit te laten over vermeende zaken van medische aard van de man, waaronder begrepen vermeende diagnoses, verslavingen en medicijngebruik, en
c. verbiedt zich in communicatie met de man uit te laten over door haar gedane en/of aangekondigde meldingen bij instanties, waaronder begrepen de politie en de jeugdbeschermingsketen, dan wel te verwijzen naar vermeend politieoptreden.
Een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom.
2. de vrouw verplicht binnen 72 uur of eerder indien de situatie dat noodzaakt een reactie te geven op vragen en/of voorstellen van praktische aard met betrekking tot de zorg voor de kinderen. Indien een door de man gestelde redelijke termijn wordt overschreden,
dan bepaalt de man.
3. de vrouw verplicht zich in communicatie met de man te beperken tot feitelijke en relevante informatie met betrekking tot de zorg van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], zodat constructieve inter-oudercommunicatie van constructieve aard kan starten.
III. Verzoek tot vervangende toestemming reizen buitenland voor twee reizen
1. de man vervangende toestemming verleent om met de minderjarige kinderen te reizen naar Sent, Zwitserland, in de periode van 11 juli 2026 tot en met 25 juli 2026, overeenkomstig het verzoek van de man van 16 februari 2026,
2. de vrouw veroordeelt om de kinderen aan de man over te dragen voor de reis naar Sent uiterlijk op maandag 6 juli 2026 om 12:00 uur, op straffe van een dwangsom en met bepaling dat dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad is.
IV. Vordering tot nakoming vaststellingsovereenkomst 18 december 20251. bepaalt dat incidentele afwijkingen op de zorgregeling als bepaald op 23 oktober 2024 uitsluitend tot stand kunnen komen door een door beide partijen digitaal ondertekende nieuwe versie van voornoemde vaststellingsovereenkomst, waarin de nieuwe versie in de plaats treedt van de voorgaande afspraken.
2. de vrouw gebiedt binnen 24 uur na het wijzen van dit vonnis over te gaan tot digitale ondertekening van versie zes van de vaststellingsovereenkomst bij gebreke waarvan dit vonnis in de plaats treedt van haar handtekening.
3. de vrouw veroordeelt tot nakoming van incidentele wijzigingen op de zorgregeling zoals vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst of een versie die daarvoor in de plaats treedt, zulks op straffe van een dwangsom en met bepaling dat dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad is.
V. Verzoek tot vervangende toestemming voor betrekken/aanstellen vertrouwens-persoon via school voor de kinderen en aanvullende hulpverlening in de vorm van een kinderpsycholoog of speltherapeut
de man vervangende toestemming verleent voor het inschakelen van de vertrouwenspersoon van school en aanvullende ondersteuning door een kinderpsycholoog of speltherapeut voor beide kinderen.
VI. Proceskostenveroordeling
de vrouw veroordeelt in de werkelijke kosten van deze procedure, waaronder begrepen
de volledige, daadwerkelijk door de man gemaakte proceskosten, zulks in afwijking van het
gebruikelijke liquidatietarief thans begroot op p.m. een en ander te vermeerderen met de
wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis tot aan de dag
der algehele voldoening.
in reconventie
3.2.
De vrouw vordert - voor zover nu nog aan de orde - dat de voorzieningenrechter:
I. vervangende toestemming verleent voor een vakantie met de kinderen naar Kos van 3 tot 10 juli 2026,
II. bij wijze van voorlopige voorziening bepaalt dat de kinderen voorlopig, totdat in een bodemprocedure anders is beslist, bij de man verblijven eenmaal per veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur,
III. bepaalt dat overdrachten plaatsvinden via school en, indien school gesloten is, via een neutrale derde waarbij de ouders elkaar niet treffen,
IV. de man veroordeelt om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis volledig uitvoering te geven aan punt 5 van het proces verbaal van 17 november 2023, waaronder begrepen het verstrekken van de daarin bedoelde mutaties in het certificatenregister, integrale jaarrekeningen en overige informatie omtrent de uitvoering van de schenkingsregeling,
V. bepaalt dat de man een dwangsom verbeurt per dag of gedeelte van een dag dat hij geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft aan de onder IV bedoelde veroordeling te voldoen,
VI. de man veroordeelt om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis uitvoering te geven aan artikel 6.3 van het echtscheidingsconvenant, door betaling van het bedrag van € 9.993,00 op de bankrekening ten name van de vrouw,
VII. de proceskosten in reconventie te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen
kosten draagt.

4.De standpunten van partijen

4.1.
De standpunten van partijen zullen, voor zover voor de beslissing relevant, worden weergegeven bij de beoordeling van de vorderingen.

5.De beoordeling

in conventie en in reconventie
spoedeisend belang
5.1.
Zowel in conventie als in reconventie gaat het om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor toewijzing is nodig dat de eisende partij daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
5.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat beide partijen, gelet op de aard van hun vorderingen en het daarmee samenhangende belang van de kinderen, voldoende spoedeisend belang hebben, tenzij hierna bij een afzonderlijke vordering anders wordt geoordeeld.
in conventie
de eisvermeerdering
5.3.
Tijdens de zitting op 3 juni 2026 is gesproken over de gang van zaken rond de eisvermeerdering (zie r.o. 1.2 t/m 1.4). Vervolgens is, gehoord partijen, besloten de behandeling van de eisvermeerdering aan te houden om de man in de gelegenheid te stellen die eisvermeerdering desgewenst opnieuw in te dienen, binnen de kaders die daarvoor zijn bepaald in het Landelijk Procesreglement Kort Gedingen Rechtbank (hierna: het procesreglement), waarna de vrouw een termijn gegeven zal worden om zich daartegen te verweren.
5.4.
Artikel 3.12 van het procesreglement bepaalt hierover:
De omvang van een processtuk exclusief producties (bewijsstukken) is in overeenstemming met de aard, de complexiteit en het belang van de zaak. Als een processtuk onnodig lang is, kan de kortgedingrechter bevelen om het processtuk te vervangen. De kortgedingrechter bepaalt dan de maximum omvang en stelt daarvoor een termijn. Processtukken zijn op A-4 formaat, marges rondom 2,5 cm en in 11 punts courant lettertype met regelafstand van minimaal 1. Een processtuk van meer dan 10 pagina’s begint met een samenvatting en bevat tussenkopjes. Bij een processtuk van meer dan 25 pagina’s wordt kort toegelicht waarom die omvang noodzakelijk is. Een vervangend processtuk bevat de vermelding “VERVANGEND PROCESSTUK”, de datum van indiening en de datum van het oorspronkelijke processtuk. Als datum van indiening blijft gelden de datum waarop het oorspronkelijke processtuk is ingediend. Een partij die een vervangend processtuk indient, stuurt dit aan de overige partijen op dezelfde wijze als het oorspronkelijke processtuk.
5.5.
De voorzieningenrechter zal de termijn bepalen waarbinnen de man de gelegenheid krijgt zijn eisvermeerdering desgewenst opnieuw in te dienen, zoals ter zitting besproken. Het indienen van de eisvermeerdering moet door de advocaat worden gedaan. De vrouw krijgt vervolgens een termijn van twee weken om op die eisvermeerdering te reageren. Aansluitend kunnen partijen om voortzetting van de mondelinge behandeling verzoeken of vonnis vragen op de stukken. Voor dit doel zal de verdere behandeling van de zaak in conventie pro forma worden aangehouden.
Verbod interveniëren rechtspersonen
5.6.
De man heeft gesteld dat de vrouw heeft gehandeld in strijd met de afspraak uit het proces-verbaal, opgemaakt ter zitting van 17 november 2023 dat partijen over en weer hebben toegezegd zich te zullen onthouden van inmenging van het bestuur en governance van elkanders rechtspersonen en de rechtspersonen die daaraan zijn gelieerd
.
De man heeft aangevoerd dat de vrouw verweer heeft gevoerd in verschillende gerechtelijke procedures die nodig waren voor het doorvoeren van (noodzakelijke) statutenwijziging van de aan de man gelieerde ANBI stichting, stichting 2050 Foundation, omdat zij het niet eens was met die voorgenomen statutenwijziging. De man heeft gesteld dat de vrouw zich, in strijd met de gemaakte afspraak, hierdoor toch heeft gemengd in bestuurszaken van de stichting.
5.7.
De vrouw heeft als verweer aangevoerd dat zij als gedaagde of belanghebbende in procedures werd betrokken en dat zij zich in die procedures moet kunnen verweren.
5.8.
Dit verweer van de vrouw slaagt. De vrouw was als medeoprichter van de stichting belanghebbende dan wel gedaagde in de gevoerde procedures om verlof te krijgen voor een statutenwijziging. In dergelijke procedures heeft de vrouw het recht haar standpunt naar voren te brengen en verweer te voeren, zodat ook haar standpunt in de beoordeling van het verzoek en/of de vordering kan worden meegenomen. Dit recht van de vrouw om zich te verweren in gerechtelijke procedures kan niet door de hiervoor genoemde afspraak uit het proces-verbaal van 17 november 2023 worden beperkt. Voor zover de man zijn vordering op deze grond heeft gebaseerd wordt zijn vordering afgewezen.
5.9.
Verder heeft de man gesteld dat de vrouw onrechtmatig heeft gehandeld door (direct) mee te werken aan een publicatie in Quote Magazine. Hij heeft aangevoerd dat het gerechtshof Den Haag bij beschikking van 1 juli 2025 de hiervoor bedoelde statutenwijziging (grotendeels) heeft toegestaan en dat deze beschikking in maart van dit jaar ineens onderwerp is geweest van een artikel in Quote Magazine. Hierdoor is het volledige conflict tussen partijen in de openbaarheid gekomen, inclusief eerdere publicaties en vonnissen, waarbij duidelijk was om wie het ging. Hoewel die stukken geanonimiseerd zijn heeft het nieuws zich snel verspreid in het dorp waar partijen wonen. De man heeft erop gewezen dat de inhoud van het artikel naadloos blijkt aan te sluiten bij het narratief van de vrouw, terwijl in het artikel informatie wordt betrokken die niet volgt uit de aangehaalde bronnen, zodat hij vermoedt dat de vrouw direct (extern) heeft aangestuurd op deze publicatie.
5.10.
De vrouw heeft nadrukkelijk betwist dat zij bemoeienis heeft gehad met de publicatie in Quote Magazine. Zij heeft erop gewezen dat zij juist nog moeite heeft gedaan om een onjuiste mededeling over haar onder dat artikel te laten rectificeren, juist om nieuwe geschillen te voorkomen. De vrouw heeft, met verwijzing naar haar e-mailwisseling met de journalist van Quote Magzine, betwist dat zij (actief) betrokken is geweest bij deze publicatie. Tegenover deze betwisting heeft de man zijn uitgesproken vermoeden niet nader onderbouwd. Ook op deze feitelijke grondslag kan de vordering dus niet worden toegewezen.
5.11.
De conclusie is dat dat dit deel van de vorderingen van de man zal worden afgewezen, omdat daar geen grond voor is.
Uitlatingsverbod
5.12.
De man heeft gesteld dat de vrouw al vijf jaar lang zijn volledige sociale omgeving
(familie, vrienden, buren, netwerk), de sociale omgeving van de kinderen (school, sportclubs, ouders van andere kinderen) en de kinderen zelf, voortdurend voedt met uitlatingen over hem en zich daarbij schuldig maakt aan een patroon van grensoverschrijdende communicatie en (dwingende) gedragingen. Daarbij heeft hij erop gewezen dat zij ook heeft geprobeerd het veiligheids- en jeugdbeschermingsnetwerk tegen hem op te zetten, maar dat zij daar tot op heden niet in is geslaagd.
5.13.
De vrouw heeft verklaard dat zij ook al vijf jaar lang het slachtoffer is van smaad en laster, maar dat zij zich na jaren van bedreigingen, intimidatie, suïcidale uitingen, beledigingen en escalaties bij haar woning, eindelijk openlijk durft uit te spreken over de situatie. Verder heeft zij aangevoerd dat het haar moeite kost om grenzen te stellen en melding te maken van gedrag dat zij als onveilig ervaart en dat zij uitsluitend communiceert vanuit voortdurende zorg en spanning en zo probeert grip te houden op een situatie die zij jarenlang als onveilig en onvoorspelbaar heeft ervaren. Dat zij daarbij soms derden betrekt is geen poging om de man te beschadigen, maar is het gevolg van haar eigen behoefte aan veiligheid, ondersteuning en bescherming van de kinderen, aldus de vrouw. Zij heeft verklaard dat de man met zijn vordering haar feitelijk een algemeen spreekverbod probeert op te leggen, wat zij als bijzonder beangstigend ervaart, omdat zij daardoor haar zorgen over de kinderen, de veiligheidssituatie en de uitvoering van het ouderschap niet meer met relevante derden zou kunnen delen. Zij heeft aangevoerd dat dat in strijd is met de normen die gelden in het maatschappelijk verkeer en onverenigbaar is met haar verantwoordelijkheid als ouder.
5.14.
Partijen beschuldigen elkaar over en weer van smaad en laster. Uit de inhoud van de stukken en uit wat ter zitting naar voren is gebracht is voldoende aannemelijk geworden dat partijen
beidenveelal blijven hangen in gedragingen en gebeurtenissen uit het verleden en die gedragingen en gebeurtenissen gebruiken als referentiekader voor zaken die zich in het heden afspelen. Partijen lijken niet langer, althans in onvoldoende mate, in staat te zijn objectief te kijken naar gebeurtenissen of gedragingen in het heden en naar hun eigen aandeel daarin. Omdat partijen alles beoordelen tegen de achtergrond van hun ervaringen uit het verleden worden gebeurtenissen in feite onnodig uitvergroot en voelen zij zich door mededelingen van de ander al snel in een hoek gedreven en aangevallen.
5.15.
Dit valt ook terug te lezen in het recente conceptrapport van de Raad:
De RvdK ziet binnen het raadsonderzoek dat moeder, vanuit haar zorg dat de kinderen bij vader niet veilig zijn, afwijkt van eerder gemaakte afspraken. Moeder geeft bijvoorbeeld geen toestemming voor een week skivakantie in (februari 2026), terwijl ouders (op 18 december 2025 ) nog in een vaststellingovereenkomst hebben vastgelegd. Moeder vindt het afwijken van de gemaakte afspraken reeds gerechtvaardigd omdat zij geen contact met vader (hij zou haar geblokkeerd hebben) en de kinderen heeft en dit voor haar een voorwaarde is om toestemming te geven voor een week vakantie. Wanneer de raadsonderzoekers aan moeder teruggeven dat moeder volgens vader altijd contact kan opnemen als het om de kinderen gaat, verandert moeder haar reden
voor het niet geven van toestemming door zorgen te noemen over dreiging vanuit vader richting haar en door de mentale gezondheid van vader (borderlinepersoonlijkheidsstoornis of alcohol- en drugsproblemen) te noemen.
Onder druk van het kort geding (onder andere) voor het verkrijgen van vervangende toestemming voor vakantie, stemt moeder wel in met een (volgende) vakantie. Moeder stuurt gedurende het onderzoek zeer privacy gevoelige informatie over vader door aan school met als doel de kinderen, zonder medeweten van vader, eerder op te gaan halen van school, terwijl de kinderen volgens het ouderschapsplan in die week bij vader zouden zijn. Moeder deelt een uitspraak van vader tegenover de politie, waarin vader uit onmacht desgevraagd zegt dat er een hele grote kans is hij de week erna er niet meer is. Wanneer school en de raadsmedewerkers de zorg van moeder dat vader suïcidaal is, niet delen en de RvdK geen reden heeft om de thuissituatie van vader als onveilig in te schatten, wordt moeder bepalend, dreigt ze naar de media te stappen en dient ze klachten in bij de RvdK.
Vader wil uit de strijd blijven maar probeert zich tegelijkertijd te verweren tegen de beschuldigingen van moeder. In plaats van dat vader zich terugtrekt uit de strijd probeert hij te bewijzen dat hij gelijk heeft. Vader krijgt stress wanneer hij met moeder communiceert. Hij wil daarom graag hulp (Parallel Solo Ouderschap)
om een vorm van samenwerking met moeder te vinden zonder met haar te hoeven communiceren. Ook krijgt vader individuele hulp om met de huidige situatie om te gaan. Vader probeert zich te beschermen tegen de beschuldigingen van moeder; vader wil bijvoorbeeld niet zijn vakantielocatie delen, omdat hij bang is dat moeder het hotelpersoneel of de lokale politie zal inlichten over haar zorgen over zijn mentale gezondheid. Moeder wil juist contact met vader en de kinderen om op de hoogte te blijven van hoe het met vader en de kinderen gaat, gezien haar zorgen om de veiligheid bij vader en zodat zij telkens een inschatting kan maken of de kinderen veilig zijn. Moeder lijkt niet te zien dat zij vader daarmee stress bezorgt en dat zij daarmee de situatie voor de kinderen bij vader ook minder fijn/rustig maakt. Moeders behoefte lijkt vooral zicht en controle te
hebben/houden op de situatie bij vader, vanuit haar gevoel van onveiligheid, terwijl vaders behoefte vooral rust is van moeder. Volgens vader hebben de kinderen geen behoefte aan contact met de ene ouder wanneer zij bij de andere ouder zijn, waardoor ook contact tussen moeder en de kinderen niet nodig zou hoeven zijn. Het lukt vader niet om vanuit moeders perspectief, dat zij de kinderen drie weken mogelijk niet ziet/spreekt, te zien dat wekelijks een kort belmoment voor de kinderen met moeder ook prettig kan zijn. Hij blijft daarin star in het feit dat de kinderen zeggen daar geen behoefte aan te hebben. Op het moment dat moeder behoefte heeft aan contact met de kinderen in deze drie weken dan zou vader de kinderen toch tot contact met moeder aan kunnen zetten, maar dit doet hij niet.
Hieruit komt het beeld naar voren dat partijen nog altijd vast zitten in hun strijd als ex-partners en niet in staat lijken zich terug te trekken uit die strijd. Als de man probeert zich terug te trekken uit de strijd door (direct) contact met de vrouw (anders dan over de kinderen) te blokkeren, wordt de vrouw juist dwingender, gaat zij nog meer berichten versturen en gaat zij ook derden inschakelen in de strijd.
5.16.
Anders dan de vrouw heeft gesteld strekt deze vordering van de man er niet toe om haar ‘monddood’ te maken. De man benadrukt dit ook zelf in de formulering van zijn vordering: het door hem gevorderde verbod
laat onverletdat de vrouw gerechtigd is om zorgen en/of klachten over de man, met het oog op de zorg voor de kinderen, te uiten via de daartoe bevoegde instanties, dan wel via haar advocaat aan de advocaat van de man. De vordering strekt er toe om de vrouw te dwingen zich in haar uitlatingen te beperken tot uitlatingen over de man die zij met objectief en
recentbewijs kan onderbouwen en waarbij onder objectief bewijs niet wordt verstaan het telkens opnieuw wijzen op diagnoses en/of gedragingen van de man uit het verleden.
5.17.
Dat de meldingen van de vrouw niet altijd steun vinden in aanwezig feitenmateriaal blijkt onder meer uit een e-mail van 13 april 2026 van de heer [betrokkene 3], van de politie waarin hij - naar aanleiding van bezwaren van de man - het volgende meedeelt:
Wij kunnen ons vinden in de 18 punten zoals deze nu op schrift zijn gesteld. Wel verzoeken wij u bij punt 2 het woord tientallen te veranderen in meerdere en bij punt 3 de inhoud te veranderen in: “[de vrouw] heeft in deze periode meldingen en aangiften gedaan over [de man]. Deze aangiften zijn door de politie niet in behandeling genomen.”
(…)
Bij deze e-mail zit een bijlage die het volgende inhoudt:
Op 20 maart 2026 heeft de advocaat van [de man] de bezwaren van [de man] met de politie gedeeld en verzocht daarvan proces-verbaal op te maken. Tenzij anders vermeld, zien de hieronder opgenomen bevindingen toe op de periode maart 2024 tot en met november 2024.
(…)
4. In dezelfde periode heeft [de vrouw] politiemeldingen over [de man] en aangiftes tegen [de man] gedaan, waarvan de inhoud nadien niet verifieerbaar en/of niet juist bleek te zijn. De betreft onder meer:
a. een melding van [de vrouw] inhoudende dat [de man] de voorgaande nacht dronken en in verwarde toestand voor haar woning zou hebben gestaan, terwijl uit onderzoek bleek dat [de man] op dat moment reeds enkele dagen in
het buitenland verbleef;
b. een melding van [de vrouw] inhoudende dat [de man] meermalen ’s nachts in zijn auto voor haar woning zou hebben gestaan, waarbij ook buurtbewoners de auto van [de man], te weten een zwarte Tesla, zouden hebben gezien, terwijl uit onderzoek bleek dat [de man] op dat moment in een witte leenauto reed;
c. meerdere meldingen van [de vrouw] inhoudende dat [de man] tijdens overdrachtsmomenten zou hebben geschreeuwd, gedreigd en/of geweld zou hebben gebruikt, terwijl daarvan geen bewijs werd overgelegd en [de man] in meerdere gevallen integrale geluidsopnamen heeft verstrekt die een ander beeld gaven dan uit de meldingen van [de vrouw] volgde;
d. een aangifte van [de vrouw] en [betrokkene 4] inhoudende dat [de man] op 23 september 2024 met fysiek geweld de woning van [de vrouw] was binnengedrongen, terwijl uit de verklaring van de schoonvader van [de vrouw] en uit bodycambeelden van aanwezige surveillanten bleek dat [de man] de woning niet was binnengegaan en geen geweld had gebruikt.
(…)
E-MAIL EN UITLATINGEN VAN [de man] VAN 22 SEPTEMBER 2024(5)
Op 22 september 2024 heeft [de man] de politie per e-mail, met als onderwerp “ik ga dit stoppen”, onder meer geschreven:
“Morgenochtend om 8:45 sta ik voor haar huis. Indien ik niet word tegengehouden sla ik een raam in en zal ik haar neus breken. Dit alles is uitsluitend nodig omdat politie en justitie geen enkele actie ondernemen tenzij er bloed vloeit. Ik hoop dat ik word gestopt en meld ook via 0900tuig.”
[de man] heeft deze boodschap diezelfde dag tevens gemeld aan het regionaal servicecentrum en nadien toegelicht tegenover surveillanten die in reactie hierop naar de woning van [de man] zijn gegaan.
14. Uit andere e-mails van eveneens 22 september 2024 blijkt dat [de man] later die avond onder meer heeft geschreven: “Ik zal iedere instructie van politie direct opvolgen en vorm geen enkel gevaar. Behalve een raam zal ik [[de vrouw]] niets doen.”
Vervolgens heeft [de man] hierna aangeboden om zich de volgende ochtend naar het politiebureau te begeven teneinde te worden aangehouden, dan wel zich bij de woning van [de vrouw] te laten aanhouden.
16. In de door [de man] overgelegde geluidsopname is hoorbaar dat [de man] frustratie uit over het uitblijven van directe aanhouding. Kort daarna zegt [de man]: “Wie A zegt moet ook B zeggen.”
17. In het verhoor verklaart [de man]: “Ik heb de politie van te voren gevraagd om aanwezig te zijn, mijn
onvoorwaardelijke medewerking toegezegd wat de politie zou doen. Ik had op grond hiervan de verwachting dat ik bij aankomst al aangehouden zou worden. De politie stond wel te observeren maar hield mij niet aan. Toen ben ik alsnog naar de voordeur van de woning gegaan.”
(…)
RIJDEN ONDER INVLOED / DRUGSGEBRUIK DOOR [de man]
De politie heeft in de periode van dertig jaar voorafgaand aan heden niet vastgesteld dat [de man] zich schuldig heeft gemaakt aan rijden onder invloed als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet Pro 1994. Evenmin heeft de politie op enig moment vastgesteld dat bij [de man] sprake was van drugsgebruik.
5.18.
Uit de inhoud van dat proces-verbaal is voldoende aannemelijk geworden dat van een aantal meldingen en/of aangiftes van de vrouw over de man is vastgesteld dat ze niet verifieerbaar en/of niet juist gebleken zijn. Met name punt 4 van dit proces-verbaal is ter zitting van 3 juni 2026 aan de vrouw voorgehouden. Zij bleef echter volharden in haar mening dat haar meldingen juist waren en ook dat de man op 23 september 2024 onder invloed van alcohol of andere middelen zijn auto heeft bestuurd met de kinderen daarin en de kinderen zo in gevaar heeft gebracht. Erop gewezen dat uit voornoemd proces-verbaal volgt dat de man P/A geblazen had en daarmee binnen de toegestane grenzen was gebleven, kon dit haar niet op andere gedachten brengen en haar zorgen op dit punt niet wegnemen.
5.19.
Ook is niet weersproken dat de vrouw de mededeling van de man tegenover de politie (die hij had gedaan naar aanleiding van de strijd met de vrouw over de voorjaarsvakantie) dat hij er mogelijk de volgende week niet meer zou kunnen zijn, tezamen met het strafdossier tegen de man, heeft gedeeld met de school van de kinderen, om de school ervan te overtuigen dat haar zorgen over de man terecht zijn en dat de kinderen, anders dan volgens de zorgregeling gebruikelijk, niet aan de man zouden kunnen worden meegegeven. Toen de school hierin, na overleg met de Raad, niet meeging heeft de vrouw daarover haar beklag gedaan.
Het vorenstaande bevat slechts voorbeelden van de meldingen en informatie die de vrouw over de man heeft gedeeld met derden, zoals daarvan blijkt uit de stukken. Er zijn meer voorbeelden aan te halen, maar het gaat in het kader van dit kort geding te ver om op alle meldingen afzonderlijk in te gaan. Dat is in deze procedure ook niet van belang. Zoals hiervoor al is overwogen zouden partijen er allebei goed aan doen om het verleden zoveel mogelijk te laten rusten, zich terug te trekken uit de strijd met elkaar en hun onderlinge contact te beperken tot praktische zaken over de kinderen en zich zo samen in te spannen om hun kinderen op een verantwoorde manier groot te brengen. De vrouw dient zich daarbij te realiseren dat als gevolg van het feit dat partijen uit elkaar zijn zij de zorg voor de kinderen zal moeten delen. De bestaande zorgregeling is dat de kinderen om de week bij de man en bij de vrouw verblijven. De vrouw moet accepteren dat zij niet kan en mag bepalen hoe de man daar invulling aan geeft en dat zij invloed daarop ook niet kan afdwingen door de man steeds in een kwaad daglicht te stellen tegenover derden. Daarmee handelt de vrouw onrechtmatig ten opzichte van de man en handelt zij indirect ook onrechtmatig tegenover de kinderen, die van de aanhoudende strijd tussen partijen de dupe zijn. Omdat de vrouw ter zitting geen blijk heeft gegeven van enig inzicht in haar eigen rol en kennelijk niet openstaat voor het idee dat zij bepaalde zaken niet juist ziet en dat bepaalde zorgen van haar mogelijk niet terecht zijn, is de voorzieningenrechter van oordeel dat er voldoende grond bestaat aan de vrouw een uitlatingsverbod op te leggen, op de wijze als hierna onder de beslissing zal worden vermeld. Daarbij geldt dat het verbod beperkt zal zijn tot onrechtmatige uitlatingen en ten aanzien van familieleden wordt beperkt tot familieleden van de man. Een verbod ten aanzien van de eigen familieleden van de vrouw acht de voorzieningenrechter in dit kader te verstrekkend.
5.20.
Daarbij wordt nog opgemerkt dat ook de man een aandeel heeft in het voortduren van de strijd tussen partijen. De voorzieningenrechter hecht eraan op te merken dat er zorgen zijn over de emotionele stabiliteit van de man. Gebleken is immers dat de man zich ter zitting niet kon beheersen. De uitbarsting van de man op de zitting ging ver voorbij het toelaatbare. Het gevoel van onveiligheid van de vrouw in de nabijheid van de man is dan ook begrijpelijk, maar rechtvaardigt niet het doen van onrechtmatige uitlatingen.
Uit het rapport van de Raad blijkt dat de stress bij de man met name ontstaat in het contact met de vrouw en uit de proceshouding van de man is wel voldoende aannemelijk geworden dat hij vóór de zitting al getriggerd was door het gedrag van de vrouw rond de voorjaarsvakantie waarvoor zij uiteindelijk geen toestemming heeft gegeven en door de meldingen die zij daarna heeft gedaan, en ook door het feit dat de man, ondanks de op 18 december 2025 gemaakte afspraken, met betrekking tot de meivakantie en de zomervakantie, toch opnieuw de gang naar de rechter heeft moeten maken voor de benodigde toestemming. Ook was de man getriggerd door de weigering van zijn conclusie van antwoord in reconventie zoals hiervoor in r.o. 1.2 en 1.3 besproken.
Contactvoorwaarden
5.21.
Onder 1 van deze vordering heeft de man drie afzonderlijke vorderingen ingesteld, namelijk
a. Bepalen dat de vrouw uitsluitend via haar advocaat met de advocaat van de man mag communiceren
b. verbod om zich in directe communicatie met de man uit te laten over vermeende zaken van medische aard van de man, waaronder begrepen vermeende diagnoses, verslavingen en medicijngebruik
c. verbod zich in communicatie met de man uit te laten over door haar gedane en/of aangekondigde meldingen bij instanties, waaronder begrepen de politie en de jeugdbeschermingsketen, dan wel te verwijzen naar vermeend politieoptreden
5.22.
De man heeft ten aanzien van a) gesteld dat de vrouw zijn advoca(a)t(en) veelvuldig rechtstreeks blijft aanschrijven, ondanks herhaalde verzoeken om dit niet te doen, waardoor de kosten aan zijn kant oplopen. Hij heeft verklaard dat hij daarom zijn advocaat opdracht heeft gegeven berichten van de vrouw niet langer in behandeling te nemen. Hij heeft gevorderd om daarom te bepalen dat de vrouw uitsluitend via haar eigen advocaat mag communiceren met de advocaat van de man.
5.23.
De vrouw heeft betwist dat zij de advocaat van de man veelvuldig of onnodig aanschrijft en heeft benadrukt dat haar correspondentie uitsluitend betrekking heeft op praktische en inhoudelijke zaken rond de kinderen, zoals de maandelijkse updates over het welzijn van de kinderen, de uitvoering van de zorgregeling en openstaande verplichtingen van de man met betrekking tot de kinderen zoals bijvoorbeeld feestjes, maar dat enige constructieve of inhoudelijke reactie meestal uitblijft. Zij heeft benadrukt dat zij de man zelf zou moeten kunnen benaderen voor zaken over de kinderen, dat zij dat ook geprobeerd heeft, ook via haar eigen advocaat, maar dat ook dan enige constructieve of inhoudelijke reactie meestal uitblijft. Zij heeft verklaard dat zij niet altijd een advocaat heeft gehad en benadrukt dat haar advocaat bovendien geen onderdeel is van het geschil en ook niet altijd beschikbaar is.
5.24.
Dit deel van de vordering van de man wordt afgewezen. Gebleken is dat directe communicatie tussen partijen nagenoeg niet mogelijk is en dat partijen elkaar er over en weer ervan beschuldigen dat zij berichten van de ander blokkeren. Zij zijn echter gezamenlijk de ouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid om over zaken die de kinderen betreffen met elkaar te communiceren, desgewenst via hun advocaat. Dat betekent echter niet dat de man of zijn advocaat op alle berichten van de vrouw hoeft te reageren. De enkele omstandigheid dat de man niet reageert op updates over de kinderen die de vrouw hem toestuurt of niet zo constructief en inhoudelijk als de vrouw zou willen, wil niet zeggen dat hij deze niet heeft ontvangen en gelezen en maakt niet dat de vrouw hem met verdere berichten mag blijven bestoken, al dan niet via zijn advocaat. Daar staat tegenover dat er geen reden is om te bepalen dat de vrouw de berichten alleen via haar advocaat zou mogen versturen. Vast staat dat de vrouw zich niet altijd door een advocaat laat bijstaan en dat is in deze kort geding procedure ook niet verplicht. Voor wat betreft de communicatie buiten deze procedure om voert het te ver om een partij te verplichten daarvoor een advocaat in te schakelen.
5.25.
De man heeft ten aanzien van onderdeel b) en c) van de vordering erkend dat er een vorm van contact tussen partijen moet blijven over de zorg voor de kinderen, maar heeft gesteld dat de vrouw daarbij bijzonder belastende uitlatingen doet over zijn vermeende medisch dossier en diagnoses over persoonlijkheidsstoornissen, alcoholproblematiek en medicijngebruik en dat zij deze uitlatingen ook deelt met allerlei derden. Hij heeft ernstig bezwaar gemaakt tegen deze wijze van communiceren door de vrouw en heeft daarbij nadrukkelijk betwist dat hij een alcoholprobleem heeft of drugs gebruikt.
5.26.
De vrouw heeft betwist dat haar communicatie met en over de (geestelijke) gesteldheid van de man onrechtmatig is en heeft gesteld dat zij ernstige en herhaalde zorgen heeft over de mentale stabiliteit van de man, zijn suïcidale uitingen, alcoholgebruik en het effect daarvan op de kinderen. Daarbij heeft zij aangevoerd dat een vriendje van [minderjarige 2] bij de man in huis een munt had gevonden van Narcotics Anonymous Nederland. Dit helpt volgens de vrouw niet in het licht van de al bij haar bestaande zorgen over psychische ontregeling, middelengebruik, impulsiviteit en escalaties bij de man, waardoor zij zich ernstige zorgen maakt over de stabiliteit en veiligheid binnen de opvoedsituatie. Zij heeft aangevoerd dat de man met deze vordering iedere inhoudelijke bespreking van zijn gedrag, gezondheid en functioneren als ouder onmogelijk probeert te maken, terwijl die onderwerpen direct relevant kunnen zijn voor de uitvoering van de zorgregeling en de veiligheid van de kinderen. Zij benadrukt dat zij zich daarbij niet op verzinsels baseert, maar op concrete gebeurtenissen, eigen waarnemingen, verklaringen tegenover politiefunctionarissen en berichten die de man zelf heeft gestuurd.
5.27.
Zonder iets af te willen doen aan de door de vrouw
gevoeldezorgen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat onvoldoende aannemelijk geworden is dat er,
objectief gezien, op dit moment enige noodzaak bestaat voor meldingen van de vrouw over haar zorgen aan de man. Uit de stukken blijkt immers dat de zorgen van de vrouw met name gebaseerd zijn op zaken of gebeurtenissen uit het verleden. Er is niet voldoende aannemelijk geworden dat deze zaken of gebeurtenissen nog altijd voortduren en dat haar angst dat de man zichzelf iets zal aandoen of de kinderen daarmee zal confronteren gerechtvaardigd is. In deze procedure is dan ook niet gebleken dat de meldingen aan de man, zoals in de vordering onder b en c bedoeld, noodzakelijk zijn in het kader van de zorgregeling of om een andere reden.
5.28.
Ook van belang is dat bedoelde meldingen de man triggeren. Dit draagt niet bij aan het normaliseren van de verhoudingen tussen partijen. De man heeft er belang bij dat hij van dit soort meldingen wordt gevrijwaard. Deze vordering van de man zal daarom worden toegewezen.
5.29.
De gevorderde dwangsom, als prikkel tot nakoming, zal worden toegewezen, maar deze zal wel worden gematigd op de wijze zoals onder de beslissing wordt vermeld.
2. Reactietermijn met betrekking tot vragen en/of voorstellen
5.30.
De man heeft gevorderd dat de vrouw verplicht wordt om binnen 72 uur of eerder als dat nodig is een reactie te geven op vragen en/of voorstellen van praktische aard met betrekking tot de zorg voor de kinderen en te bepalen dat als de vrouw een door de man gestelde redelijke termijn overschrijdt hij mag bepalen.
5.31.
Deze vordering wordt afgewezen omdat deze te ruim geformuleerd is. De voorzieningenrechter ziet ook geen aanleiding om op dit punt zelf een ordemaatregel te geven. Partijen moeten
elkaartijdig toestemming verlenen voor praktische zaken waarvoor formeel de toestemming van beide ouders nodig is, zoals de vakanties. Weliswaar heeft de vrouw met betrekking tot de voorjaarsvakantie pas heel laat gereageerd, maar niet is gebleken dat dit zo structureel gebeurt dat dit een voorlopige maatregel rechtvaardigt.
3. Inter-oudercommunicatie
5.32.
De man heeft gevorderd dat de vrouw haar communicatie met hem moet beperken tot feitelijke en relevante informatie met betrekking tot de zorg van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], zodat constructieve inter-oudercommunicatie kan starten.
5.33.
De voorzieningenrechter overweegt dat het gezien de huidige verhoudingen tussen partijen wenselijk is dat de communicatie tussen hen zich beperkt tot (praktische) zaken met betrekking tot de kinderen en via derden verloopt. Omdat echter (nog) geen professionele derde(n) hiervoor is of zijn aangewezen en dit in het kader van deze procedure niet mogelijk is, zal bij wijze van ordemaatregel, aan beide partijen de verplichting worden opgelegd om zich in de onderlinge communicatie te beperken tot feitelijke en relevante informatie over de kinderen.
Vakantietoestemming
5.34.
De man heeft gevorderd dat hem vervangende toestemming wordt verleend om met de kinderen te reizen naar Sent, Zwitserland, in de periode van 11 juli 2026 tot en met 25 juli 2026, een en ander overeenkomstig zijn verzoek van 16 februari 2026.
5.35.
De vrouw heeft verklaard dat zij er moeite mee heeft om toestemming te geven voor een vakantie van meer dan een week en dat zij, gelet op de uitbarsting van de man ter zitting van 3 juni 2026, er helemaal geen goed gevoel meer bij heeft om de kinderen met de man mee te laten gaan. Zij heeft aangevoerd dat de man eerst maar aan zichzelf moet werken en eerst maar moet aantonen dat hij de zorg voor de kinderen langere tijd achter elkaar aan kan, zeker wanneer dat in het buitenland is.
5.36.
Het verweer van de vrouw over het niet verlenen van vakantietoestemming gaat niet op. Zoals ook uit het recente rapport van de Raad volgt, is niet vastgesteld dat de man de zorg voor de kinderen niet aan kan. De Raad heeft zich ter zitting desgevraagd onthouden van enig advies over de voorgenomen vakantie. Wel heeft de Raad ter zitting, naar aanleiding van de uitbarsting van de man, zijn zorgen geuit over de emotionele belastbaarheid van de man. De voorzieningenrechter deelt deze zorg, maar stelt ook vast dat de man in het verleden de zorgtaken tijdelijk geheel aan de vrouw heeft gelaten op het moment dat hij zich daartoe vanwege emotionele belasting niet goed in staat achtte. Daarmee heeft de man naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter laten zien dat hij het belang van de kinderen voorop stelt en de verantwoordelijkheid voor de zorg van de kinderen aankan. Er zijn geen aanwijzingen dat dit nu niet meer zo is. Bovendien is hiervoor in r.o. 5.20 naar voren gebracht dat voor de emotionele uitbarsting van de man ter zitting enige verklaring te vinden is, in omstandigheden die los staan van de kinderen. Deze omstandigheden spelen niet tijdens de vakantie. Het is dan ook niet voldoende aannemelijk geworden dat de man (de verantwoordelijkheid voor) de zorg voor de kinderen tijdens de vakantie niet aan kan en dat er om die reden aanleiding zou bestaan in het belang van de kinderen om de eerder gemaakte vakantieafspraken te wijzigen. De gevraagde vervangende toestemming zal dan ook worden verleend.
5.37.
Daarbij zal, overeenkomstig de daarover tussen partijen gemaakte afspraken in artikel 4 van Pro de vaststellingsovereenkomst van 18 december 2025 bepaald worden dat er tijdens die vakantie belmomenten zijn van de vrouw met de kinderen op maandag 13 juli 2026 om 13:00 uur NL-tijd en op maandag 20 juli 2026 om 13:00 uur NL-tijd, en ook even bij aankomst. Dit gaat om korte belmomenten van 5–10 minuten.
Ten overvloede wordt hierbij opgemerkt dat de man tijdens het verblijf van de kinderen bij de vrouw in de zomervakantie op de afgesproken momenten (op maandag 3 en maandag 10 augustus om 12:00 uur NL-tijd, en ook even bij aankomst en vertrek) eveneens kort belcontact mag hebben met de kinderen.
5.38.
De vordering om de vrouw te veroordelen de kinderen voor de vakantie over te dragen aan de man op straffe van een dwangsom zal worden afgewezen, omdat deze vordering prematuur is ingesteld. De kinderen zijn volgens de afgesproken regeling uit de vaststellingsovereenkomst op dat moment al bij de man en niet is gesteld of gebleken dat de vrouw de regeling op dit punt tot nu toe niet is nagekomen.
Nakoming vaststellingsovereenkomst 18 december 2025
5.39.
De man heeft gevorderd dat wordt bepaald dat incidentele afwijkingen op de zorgregeling zoals vastgesteld in het vonnis van 23 oktober 2024 uitsluitend tot stand kunnen komen door een door beide partijen digitaal ondertekende nieuwe versie van vaststellingsovereenkomst van 18 december 2025, waarin de nieuwe versie in de plaats zal treden van de eerdere afspraken. In de vaststellingsovereenkomst is dit in artikel 7.2 al bepaald. De man heeft daarom geen belang bij zijn vordering. Daarom zal dit deel van de vordering worden afgewezen.
5.40.
De vrouw heeft de vernietiging ingeroepen van de vaststellingsovereenkomst van 18 december 2025. Zij heeft gesteld dat zij deze onder dwang getekend heeft. Zij heeft daarbij aangevoerd dat haar vader uit Peru in Nederland zou zijn in de periode in december dat de kinderen bij de man zouden zijn en dat zij een wijziging in het schema wilde zodat de kinderen hun opa konden zien, vooral omdat haar vader op leeftijd is en zijn gezondheid achteruit gaat waardoor het misschien de laatste keer was dat hij in Nederland is. Zij heeft verklaard dat de man alleen wilde meewerken als zij de overeenkomst zou tekenen en dat zij zich door de situatie gedwongen voelde om akkoord te gaan met de vaststellingsovereenkomst. Om die reden heeft de man volgens de vrouw van die situatie misbruik gemaakt.
5.41.
Een beroep op vernietiging van een vaststellingsovereenkomst kan in kort geding alleen worden gehonoreerd als voldoende aannemelijk geworden is dat de bodemrechter, geconfronteerd met hetzelfde feitencomplex, die vernietiging zonder meer zal uitspreken. Die situatie doet zich hier, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, niet voor. De vrouw heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de man misbruik heeft gemaakt van de omstandigheden en dat zij de overeenkomst niet vrijwillig heeft ondertekend. Dat de vrouw door de aanwezigheid van haar vader in Nederland in die periode mogelijk druk heeft gevoeld om de door haar gewenste afwijking van de regeling te bereiken, is een omstandigheid die zich geheel aan haar kant heeft voorgedaan en die de man niet verweten kan worden. Niet is gebleken dat de regeling (hiervoor in r.o. 2.5 weergegeven) op enigerlei wijze nadelig is voor de vrouw. Zij heeft aanvankelijk ook uitvoering gegeven aan deze regeling en heeft pas de vernietiging van de overeenkomst ingeroepen in de aanloop naar de meivakantie, toen de regeling haar niet paste. Om die reden gaat de voorzieningenrechter uit van de gebondenheid van partijen aan deze vaststellingsovereenkomst.
5.42.
De man heeft verder gevorderd de vrouw op te dragen binnen 24 uur na het wijzen van dit vonnis versie zes van de vaststellingsovereenkomst, zoals door hem overgelegd als productie 75 bij de dagvaarding, digitaal te ondertekenen. Deze vordering zal worden afgewezen omdat niet duidelijk gemaakt is wat het verschil is tussen de versie in de genoemde productie en de ondertekende versie van 18 december 2025 en ook niet waarom de vrouw gehouden zou zijn om de nieuwere versie te ondertekenen.
5.43.
De vordering van de man om de vrouw te veroordelen tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst of een versie die daarvoor in de plaats treedt, is te algemene geformuleerd en zal om die reden worden afgewezen.
Verzoek tot vervangende toestemming voor het betrekken/aanstellen vertrouwenspersoon
via school voor de kinderen en aanvullende hulpverlening in de vorm van een
kinderpsycholoog of speltherapeut
5.44.
De man heeft gevorderd dat hem vervangende toestemming wordt verleend voor het betrekken of aanstellen van een vertrouwenspersoon via school voor de kinderen. Deze vordering van de man wordt afgewezen bij gebrek aan belang. Uit de stukken blijkt dat beide partijen toestemming hebben gegeven voor gesprekken van de kinderen met de vertrouwenspersoon van hun school en dat die gesprekken al plaatsvinden. Weliswaar heeft de vrouw eerder haar gegeven toestemming wel eens ingetrokken, maar ter zitting heeft zij toegezegd dat de door haar gegeven toestemming voor deze gesprekken met de vertrouwenspersoon nu onbeperkt geldig is. De voorzieningenrechter gaat er vanuit dat de vrouw deze toezegging zal nakomen.
5.45.
Verder heeft de man gevorderd hem vervangende toestemming te verlenen voor het inschakelen van aanvullende hulpverlening voor de kinderen in de vorm van een kinderpsycholoog of speltherapeut. Deze vordering zal worden afgewezen, omdat niet is gebleken dat deze vorm van hulpverlening voor de kinderen nu noodzakelijk is. Daarvoor is het advies of een verwijzing van een professional nodig. De medewerker van de Raad heeft ter zitting het advies gegeven de hulp van een kindbehartiger in te schakelen omdat partijen deze hulp snel zelf kunnen regelen. Ter zitting is hierover besproken dat de voorzieningenrechter partijen bij wijze van ordemaatregel kan opdragen een kindbehartiger in te schakelen. De vrouw heeft aangegeven dat zij hiermee instemt en dat zij het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) zou kunnen benaderen om de bijstand van een kindbehartiger voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te krijgen. In een e-mail van 5 juni 2026 heeft de vrouw laten weten dat zij dat al gedaan heeft en dat het CJG haar heeft laten weten dat een met name genoemde kindbehartiger bereid is op korte termijn tijd beschikbaar te maken om als kindbehartiger voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op te treden, mits beide ouders daar toestemming voor geven. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om in navolging van het advies van de Raad bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat beide partijen moeten meewerken aan het inschakelen van een kindbehartiger van het CJG, met indeplaatsstelling van dit vonnis van de daarvoor vereiste toestemming van (een van) de ouders, als hiervoor niet op eerste verzoek van het CJG de benodigde toestemming wordt verleend. Ook zal worden bepaald dat partijen de kosten verbonden aan de bijstand van de kindbehartiger ieder voor de helft moeten dragen.
Verdere gang van zaken
5.46.
Zoals hiervoor in r.o. 5.5 al is overwogen en beslist, zal de verdere behandeling van de zaak in conventie worden aangehouden.
5.47.
Hoewel in conventie dus nog niet op alle punten eindvonnis wordt gewezen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding alvast in te gaan op de door de man gevorderde proceskostenveroordeling van de vrouw. Die vordering zal bij eindvonnis worden afgewezen, zowel voor de gevorderde werkelijk gemaakte kosten als voor de kosten op basis van het liquidatietarief. De geschillen tussen partijen vloeien voort uit de omstandigheid dat zij ex-echtgenoten zijn en de omstandigheid dat partijen nu opnieuw in een procedure zijn verwikkeld is niet in doorslaggevende mate aan een van hen toe te schrijven. Daar hebben zij beiden een aandeel in. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding af te wijken van de hoofdregel dat proceskosten in dit soort zaken worden gecompenseerd. In het eindvonnis zullen de proceskosten in conventie dan ook worden gecompenseerd.
in reconventie
Vervangende toestemming vakantie 3 tot 10 juli 2026
5.48.
De vrouw heeft vervangende toestemming gevorderd voor een vakantie met de kinderen van 3 juli tot 10 juli 2026 naar Kos.
5.49.
Deze vordering zal worden afgewezen. In de vaststellingsovereenkomst van 18 december 2025 zijn, juist om discussies daarover te voorkomen, onder meer de periodes afgesproken waarin de kinderen tijdens de zomervakantie bij de man en bij de vrouw zullen verblijven. De afspraak daarover houdt in dat de kinderen vanaf 6 juli 2026 tot 27 juli 2026 bij de man verblijven en vanaf 27 juli 2026 tot 17 augustus 2026 bij de vrouw verblijven.
De vakantie waarvoor de vrouw nu de vervangende toestemming vordert, past dan ook niet in die afspraak tussen partijen. Ter zitting is voldoende aannemelijk geworden dat afwijken van die regeling tussen partijen in onderling overleg een moeizaam proces is dat zeer waarschijnlijk zal leiden tot nieuwe geschillen. De vrouw had dit op voorhand kunnen bedenken, voordat zij deze vakantie boekte. Niet is gesteld of gebleken dat vrouw over deze vakantie vooraf met de man overleg heeft gevoerd. Ook zijn er geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat het voor de vrouw onmogelijk was de vakantie met de kinderen te plannen in de periode dat zij de kinderen volgens de regeling wel bij zich heeft. Uiteraard is er geen beletsel voor deze vakantie als partijen in onderling overleg hierover alsnog overeenstemming bereiken.
Wijziging zorgregeling naar weekendregeling
5.50.
De vrouw heeft gevorderd om de bestaande zorgregeling op basis van het vonnis van 23 oktober 2024 te wijzigen in een weekendregeling, waarbij de kinderen eenmaal per veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 17:00 uur bij de man verblijven.
Zij heeft hiervoor aangevoerd dat de week op/week af regeling uit voornoemd vonnis geprobeerd is, maar dat het niet werkt en dat voortzetting van die regeling niet in het belang van de kinderen geacht kan worden. Daarbij heeft de vrouw benadrukt dat zij de kinderen bij de regeling uit het ouderschapsplan nooit langer dan twee dagen achter elkaar niet zag, dat zij geniet van het moederschap en het belang van de kinderen voorop stelt en dat de kinderen tijdens de week bij de man hun halfzusje missen en ook de kitten die ze bij de vrouw thuis hebben. Zij heeft benadrukt dat een week zonder hun moeder voor de kinderen te lang is.
5.51.
De gevorderde wijziging van de bestaande zorgregeling zal worden afgewezen.
In het vonnis van 23 oktober 2024 is door de voorzieningenrechter een zorgregeling vastgesteld. Dat vonnis is onherroepelijk en partijen moeten die regeling naleven. Dit kan slechts anders zijn als sprake is van feiten of omstandigheden die maken dat de bestaande regeling niet langer in het belang van de kinderen geacht kan worden, of als partijen in onderling overleg tot afspraken komen over een andere regeling. In deze procedure is niet aannemelijk geworden dat die situatie zich hier voordoet. Uit de inhoud van de stukken, waaronder het recente rapport van de Raad, blijkt juist dat de kinderen ook bij de man in goede handen zijn en dat zij ook dol zijn op hun vader. Over de door de vrouw tegen voortzetting van de regeling geuite bezwaren is hiervoor al geoordeeld dat voor die bezwaren onvoldoende objectief bewijs aanwezig is.
5.52.
Er zijn geen aanwijzingen dat voortzetting van de bestaande regeling niet in het belang van de kinderen is. Ook de Raad komt in haar meest recente rapport niet tot die conclusie. Blijkens de toelichting van de Raad ter zitting is voorafgaande aan de zitting in het multidisciplinair overleg besproken dat er geen reden was om de zorgregeling aan te passen. Dat de ter zitting aanwezige raadsmedewerker geschrokken is van de emotionele uitbarsting van de man ter zitting is begrijpelijk. Het is ook begrijpelijk dat zij zich op basis daarvan geroepen voelde het advies aan te passen, in die zin dat het verzoek van de vrouw om de zorgregeling te wijzigen naar een weekendregeling zou moeten worden gevolgd. Maar, zoals ook hiervoor in conventie al is overwogen (zie 5.36), is het bezien in de totale context in dit kort geding niet aannemelijk geworden dat het met de kinderen bij de man niet goed gaat of dat de man de huidige zorgregeling niet op verantwoorde wijze kan invullen. De voorzieningenrechter sluit met zijn oordeel daarom aan bij het advies dat voorafgaande aan de zitting in het multidisciplinaire overleg van de Raad tot stand is gekomen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de onderbouwing die de vrouw geeft voor haar zorgen in het conceptrapport van de Raad voldoende tot uiting komt, zodat het ervoor moet worden gehouden dat deze onderbouwing is meegewogen door de Raad.
Overdracht via school of neutrale derden
5.53.
De vordering van de vrouw om de overdracht van de kinderen telkens te laten plaatsvinden via school of buiten school door tussenkomst van neutrale derden wordt afgewezen bij gebrek aan belang. De verplichting om de overdracht te laten verlopen via derden is al vastgesteld in het vonnis van 23 oktober 2024 en zoals blijkt uit wat hiervoor is overwogen nog onverkort van kracht.
Veroordeling om informatie te verstrekken
5.54.
De vrouw heeft gevorderd dat de man wordt veroordeeld om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis volledig uitvoering te geven aan punt 5 van het proces verbaal van 17 november 2023, waaronder begrepen het verstrekken van de daarin bedoelde mutaties in het certificatenregister, integrale jaarrekeningen en overige informatie omtrent de uitvoering van de schenkingsregeling. Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat zij inmiddels in het bezit is van de integrale jaarrekeningen en dat duidelijk is dat de schenkingen hebben plaatsgevonden, maar dat de man nog niet inzichtelijk heeft gemaakt waar het geld aan geschonken is.
5.55.
De afspraak uit het proces-verbaal van 17 november 2023 waarop de vrouw zich beroept, houdt in dat de man haar jaarlijks zal informeren over de uitvoering van de schenkingsregeling en wel door uiterlijk 31 januari van het daarop volgende jaar haar een kopie te verschaffen van de mutaties in het certificatenregister van de stichting, die betrekking hebben op de schenking die in het voorafgaande jaar is gedaan.
Uit de jaarrekeningen kan worden afgeleid dat de schenkingen hebben plaatsgevonden, maar voor de vrouw is niet duidelijk aan wie of wat de schenking is gedaan. De man heeft deze stelling niet (voldoende onderbouwd) weersproken.
De vordering zal daarom worden toegewezen, maar uitsluitend voor de wijzigingen in het certificatenregister die betrekking hebben op de schenkingen die tot en met 2025 zijn gedaan, omdat de man voor schenkingen vanaf 1 januari 2026 niet in verzuim verkeert. De hierna onder de beslissing genoemde termijn voor nakoming komt de voorzieningenrechter redelijk voor.
5.56.
De gevorderde dwangsom als prikkel tot nakoming zal worden toegewezen, maar zal wel worden gematigd.
Belastingvordering
5.57.
De vrouw heeft gevorderd dat de man wordt veroordeeld binnen zeven dagen na betekening van het vonnis uitvoering te geven aan artikel 6.3 van het echtscheidingsconvenant, door betaling van het bedrag van € 9.993,00 op haar bankrekening. Zij heeft gesteld dat er een navordering is ontvangen van de Belastingdienst over 2020 en dat in het echtscheidingsconvenant is bepaald dat alle belastingheffingen tot en met 2020 ten laste van de man komen.
5.58.
Een geldvordering is in kort geding alleen toewijsbaar als het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk geworden zijn en daarnaast sprake is van feiten of omstandigheden die meebrengen dat nu uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is, terwijl in de afweging van belangen van partijen mede betrokken moet worden het risico van onmogelijkheid tot terugbetaling.
5.59.
De vrouw heeft wel de aanslag overgelegd, maar niet aangetoond dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is, zodat alleen al om die reden deze geldvordering zal worden afgewezen.
Proceskosten
5.60.
Omdat partijen ex-echtelieden zijn zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
6.1.
verbiedt de vrouw zich direct dan wel indirect (waaronder begrepen via derden,
publicaties of anderszins), mondeling of schriftelijk jegens derden uit te laten over de man
en/of aan de man gelieerde rechtspersonen op een wijze die onrechtmatig is jegens de man, onder welk verbod uitdrukkelijk ook valt het verspreiden of doen verspreiden van dergelijke uitlatingen door derden in communicatie te betrekken, waaronder begrepen het opnemen van derden in de CC of BCC van e-mailberichten en waarbij in dit verband onder derden mede begrepen worden: de school, de oppas, familieleden van de man, vakantieverblijven, de Belastingdienst, de gemeente, dorpsgenoten en de sociale omgeving van de kinderen, waaronder andere ouders en sportverenigingen,
6.2.
verbiedt de vrouw zich jegens derden uit te laten over vermeende zaken van medische aard van de man (waaronder begrepen persoonlijkheidsstoornissen, verslavingen en suïcide) en/of over vermeend strafrechtelijk of anderszins onrechtmatig handelen van de man en/of aan de man gelieerde rechtspersonen, en zich in directe communicatie met de man uit te laten over vermeende zaken van medische aard van hem, waaronder begrepen vermeende diagnoses, verslavingen en medicijngebruik en zich tegen hem uit te laten over door haar gedane en/of aangekondigde meldingen bij instanties, waaronder begrepen de politie en de jeugdbeschermingsketen, dan wel te verwijzen naar vermeend politieoptreden,
6.3.
bepaalt dat de veroordelingen onder 6.1 en 6.2 onverlet laten dat de vrouw gerechtigd is om zorgen en/of klachten over de man te uiten, maar uitsluitend op basis van recente en objectieve bewijsstukken aan de daartoe bevoegde instanties, dan wel aan de advocaat van de man,
6.4.
bepaalt dat als de vrouw zich niet houdt aan de veroordelingen onder 6.1 tot en met 6.3 zij een dwangsom verbeurt van € 500,00 per overtreding, met een maximum aan de te verbeuren dwangsommen van € 10.000,00,
6.5.
bepaalt dat partijen zich in de onderlinge communicatie beperken tot feitelijke en relevante informatie over de kinderen,
6.6.
verleent de man vervangende toestemming van de vrouw voor de reis naar Sent met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de periode van 11 juli 2026 tot en met 25 juli 2026,
6.7.
bepaalt dat partijen elkaar in de gelegenheid moeten stellen om tijdens de weken dat de kinderen in de zomervakantie bij de ander verblijven telefonisch contact met de kinderen te hebben, zoals overeengekomen in de vaststellingsovereenkomst van 18 december 2025 en dus:
  • de vrouw op maandag 13 juli en 20 juli 2026, telkens om 13:00 uur Nederlandse tijd, alsmede bij aankomst, telkens maximaal 5 tot 10 minuten,
  • de man op maandag 3 en 10 augustus 2026, telkens om 12:00 uur Nederlandse tijd, alsmede bij aankomst en vertrek, telkens maximaal 5 tot 10 minuten,
6.8.
draagt partijen op om mee te werken aan het inschakelen van een kindbehartiger voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) door hiervoor de benodigde toestemming te geven, en bepaalt dat zij de kosten voor de kindbehartiger ieder voor de helft moeten dragen,
6.9.
bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de benodigde toestemming voor het inschakelen van een kindbehartiger als partijen of één van hen de benodigde toestemming niet op eerste verzoek van het CJG verleent,
6.10.
verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.11.
wijst af de tot op heden meer of anders gevorderde voorzieningen,
6.12.
bepaalt dat de man uiterlijk binnen twee weken na de datum van dit vonnis desgewenst door tussenkomst van zijn advocaat een vervangend stuk van zijn aanvullende eis met de onderbouwing daarvoor mag indienen, met inachtneming van wat daarover is bepaald in artikel 3.12 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken en dat de vrouw op die vermeerderde eis uiterlijk binnen twee weken nadat zij deze (digitaal) heeft ontvangen mag reageren, waarna partijen de voorzieningenrechter uiterlijk 12 augustus 2026 moeten berichten of zij een mondelinge behandeling van die aanvullende eis verlangen of vonnis vragen op de stukken,
6.13.
houdt de verdere behandeling van de conventie aan tot 12 augustus 2026 in afwachting van bericht van partijen als bedoeld in 6.12,
in reconventie
6.14.
veroordeelt de man om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis volledig uitvoering te geven aan de afspraak in punt 5 van het proces-verbaal van 17 november 2023 door aan de vrouw de mutaties in het certificatenregister van de stichting 2050 Foundation te verstrekken, voor zover deze schenkingen hebben plaatsgevonden vóór 1 januari 2026, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de man niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum aan de te verbeuren dwangsommen van € 10.000,00,
6.15.
verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.16.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.17.
wijst af de meer of anders gevorderde voorzieningen.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.
1155