Art. 287 SrArt. 300 lid 1 SrArt. 302 lid 1 SrArt. 36f SrArt. 37a Sr
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vrijspraak poging doodslag, veroordeling zware mishandeling met tbs-maatregel
Op 18 oktober 2025 vond een ernstig geweldsincident plaats in Den Helder waarbij de verdachte en de benadeelde partij betrokken waren. De verdachte werd primair beschuldigd van poging tot doodslag, subsidiair van zware mishandeling. Na onderzoek en getuigenverklaringen stelde de rechtbank vast dat de verdachte de benadeelde meermalen met kracht heeft geslagen, wat leidde tot zwaar lichamelijk letsel.
De rechtbank sprak de verdachte vrij van poging tot doodslag vanwege onvoldoende bewijs voor opzet op de dood van het slachtoffer. Wel werd bewezen verklaard dat de verdachte zware mishandeling heeft gepleegd. De verdachte was verminderd toerekeningsvatbaar door psychische stoornissen en middelengebruik, wat meegewogen werd bij de strafoplegging.
De rechtbank veroordeelde de verdachte tot tien maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en tot terbeschikkingstelling met dwangverpleging (tbs). Tevens werd de vordering van de benadeelde partij tot materiële en immateriële schadevergoeding van €44.290,81 toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.
Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van poging tot doodslag, veroordeeld tot 10 maanden gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging voor zware mishandeling, met volledige toewijzing van schadevergoeding aan benadeelde partij.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15.277932.25 (P)
Uitspraakdatum: 25 juni 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 juni 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
thans gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad, Smeet 1, 1551 NG Westzaan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. T. Fikkers en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. M. Jonk, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
1.Tenlastelegging
Aan de verdachte is – kort en zakelijk weergegeven – ten laste gelegd dat hij zich op 18 oktober 2025 te Den Helder schuldig heeft gemaakt aan een poging doodslag op [benadeelde], door die [benadeelde] meermalen (met een baksteen of een hamer of een ander voorwerp) in het gezicht, tegen het hoofd of tegen het lichaam te slaan. Dit feit is subsidiair ten laste gelegd als een zware mishandeling, meer subsidiair als een poging zware mishandeling en meest subsidiair als eenvoudige mishandeling.
Een afschrift van de tenlastelegging wordt bijgevoegd als bijlage I bij dit vonnis.
2.Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3.Beoordeling van het bewijs
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit in die zin dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte meerdere malen heeft geslagen met een baksteen in het gezicht van de aangever. Hierdoor is de aangever zwaar gewond geraakt en had hij dood kunnen gaan.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor het primair, subsidiair en meer subsidiair aan de verdachte ten laste gelegde, omdat er onvoldoende bewijs is. Ten aanzien van de meest subsidiaire ten laste gelegde mishandeling stelt de raadsman zich op het standpunt dat sprake is geweest van noodweer, zodat de verdachte ook van dit feit moet worden vrijgesproken.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Inleiding
Op grond van de bewijsmiddelen in het dossier en het verhandelde op de terechtzitting gaat de rechtbank uit van het volgende.
Op 18 oktober 2025 omstreeks 03:36 uur treft de politie na een melding de aangever aan op het bed in zijn kamer. De aangever heeft dan enorm ernstig letsel in zijn gezicht. Bij de aangever in de kamer is de verdachte aanwezig. Hij heeft ook letsel in het gezicht en mist zijn voortanden.
Getuigen [getuige 1] en [getuige 2] verklaren dat rond 01:30 uur de verdachte bij hen in de kamer kwam. De verdachte was obstinaat en er ontstond een worsteling tussen hem en [getuige 2], waarbij [getuige 2] de verdachte in een nekklem heeft genomen. Hierop zou de verdachte [getuige 2] met dartpijltjes hebben gestoken en de dartpijltjes richting [getuige 1] hebben gegooid. De politie ziet op de borst van [getuige 2] verwondingen in de vorm van twee puntjes. De verdachte heeft ter zitting bevestigd dat een dergelijk incident met dartpijltjes heeft plaatsgevonden.
Ook getuige [getuige 3] verklaart over het incident dat in de kamer bij [getuige 1] heeft plaatsgevonden. Hij is naar die kamer gegaan en zou daar de verdachte van [getuige 2] hebben afgetrokken. Hij verklaart dat de verdachte hierna de trap is afgelopen. [getuige 3] is boven gebleven en hoorde een paar schoppen. Toen hij is gaan kijken, zag hij dat de verdachte tegen de deur van de aangever stond te trappen. Hij hoorde de verdachte een paar keer roepen: “Ik wil mijn spullen terug” en toen zag hij dat de verdachte met een brandblusser tegen de deur sloeg. Ook dit incident, het trappen en slaan met de brandblusser tegen de deur van de aangever, heeft de verdachte ter zitting bevestigd.
Wat opvalt is dat geen van deze getuigen verklaart dat de verdachte toen al gewond was en zijn voortanden miste. Wel verklaart [getuige 3] dat hij toen hij weer binnen was (de rechtbank begrijpt: weer terug in zijn kamer) de verdachte hoorde zeggen: “je slaat al mijn tanden uit mijn bek”. Dit past bij de verklaring die de aangever in zijn aangifte ruim twee maanden na het voorval heeft afgelegd, nadat hij zich naar eigen zeggen alles weer kon herinneren. Hij verklaart dat die avond een conflict ontstond met de verdachte. De verdachte trapte tegen de deur van de aangever, waarna de aangever een baksteen in het gezicht van de verdachte gooide.
De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de aangever, nadat de verdachte tegen zijn deur heeft geschopt en geslagen met de brandblusser, de deur heeft geopend en een baksteen tegen het hoofd van de verdachte heeft gegooid of geslagen. Ook gaat de rechtbank ervan uit dat dit het moment is geweest waarop de verdachte zijn voortanden is kwijtgeraakt. Dit past ook bij het aantreffen van de tanden van de verdachte op de grond van de hal voor de deur van de kamer van de aangever.
Getuigen [getuige 2] en [getuige 1] verklaren verder dat zij, nadat de verdachte naar beneden was gelopen, beneden een ruzie hoorden. Zij hoorden veel geschreeuw tussen de verdachte en de aangever. Vervolgens hoorden zij veel kabaal vanuit het appartement van de aangever komen. Het klonk alsof de hele keuken verbouwd werd. Even later hoorden zij de aangever slecht praten, zij hoorden hem brabbelen en hij klonk onverstaanbaar. De verdachte zou later ook naar boven zijn gelopen en aan [getuige 1] hebben gevraagd om de aangever in de gaten te houden, omdat het slecht met hem ging. In een nader verhoor verklaren zij dat zij alleen de stemmen van de verdachte en de aangever hebben gehoord.
Gelet op deze verklaringen gaat de rechtbank ervan uit dat er, nadat de verdachte door de aangever met een baksteen is geslagen, een ruzie is ontstaan die zich heeft verplaatst naar de woning van de aangever, waarbij door de verdachte fors geweld op de aangever is uitgeoefend. De aangever is door de ambulance afgevoerd naar het ziekenhuis. Daar is vastgesteld dat sprake is van zeer uitgebreide botbreuken van het aangezicht, meerdere gebroken ribben aan beide kanten, bloedingen in het hoofd, een klaplong en een bloeding in de borstkas en lucht in het weefsel onder de huid, vanaf het linkeroor tot aan het bekkenbot. De aangever is opgenomen op de intensive care afdeling van het ziekenhuis en heeft 12 nachten in het ziekenhuis gelegen. Hij is aan de botbreuken van het aangezicht geopereerd.
Dat binnen in de woning geweld is uitgeoefend, past ook bij het beeld van de woning, zoals door de verbalisanten die ter plaatse kwamen wordt beschreven. Zij zagen bloedspetters in de kamer achter en naast het bed, bij de ingang en in de badkamer. Ook zagen zij op de grond een deur van een magnetron liggen, waar bloed op zat. Op het kastje stond een magnetron met daarop ook bloed, waarvan de deur miste en het frame kapot was. Achter het voeteneinde van het bed lag een baksteen met bloed op diverse uiteinden daarvan.
Op grond van de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 1], de bevindingen in de woning en de aard en ernst van het letsel van de aangever, acht de rechtbank het door de raadsman aangevoerde scenario dat het letsel is veroorzaakt doordat de aangever na een vuistslag van de verdachte buiten westen is geraakt en op zijn bed is gevallen en daarbij botbreuken in zijn aangezicht heeft bekomen, niet aannemelijk.
3.3.2
Vrijspraak poging doodslagNaar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het (voorwaardelijk) opzet had op de dood van de aangever, zodat hij moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De verdachte heeft van meet af aan ontkend dat hij de aangever met de baksteen of een ander voorwerp heeft geslagen. Hier staat tegenover dat de aangever wisselende verklaringen heeft afgelegd over wat heeft plaatsgevonden. Op 22 oktober 2025 wordt de aangever gehoord in het ziekenhuis. De verbalisanten laten de aangever zijn antwoorden op een whiteboard schrijven omdat hij wegens een tracheacanule in zijn keel niet kan praten. De aangever schrijft op dat er sprake was van een honkbalknuppel en dat hij door de verdachte en een andere persoon is geslagen. In zijn aangifte van 29 oktober 2025 verklaart de aangever dat hij van [getuige 4] (de rechtbank begrijpt: de getuige [getuige 4]) heeft gehoord dat hij door de verdachte is geslagen met een baksteen. Even later verklaart de aangever dat hij alles een beetje vaag heeft gezien. Bij de rechter-commissaris heeft de aangever als getuige verklaard dat hij gedeeltelijk heeft gezien dat de verdachte die baksteen vast had.
Al met al is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van de aangever ten aanzien van het slaan door de verdachte met een baksteen in zijn gezicht teveel tegenstrijdigheden bevatten en aldus onvoldoende zijn om te gebruiken voor het bewijs van het primair ten laste gelegde. Ook het forensisch onderzoek in de woning en aan de veiliggestelde baksteen is daarvoor onvoldoende. Er is weliswaar bloed van de aangever op de baksteen aangetroffen, maar niet vastgesteld kan worden hoe dit bloed op de baksteen is gekomen. Dat het DNA van de verdachte op de baksteen zat, kan ook verklaard worden doordat de aangever de baksteen in het gezicht van de verdachte heeft gegooid of geslagen.
Tot slot ontbreekt een forensisch onderzoek naar het letsel van de aangever, zodat ook niet vastgesteld kan worden waarmee en op welke wijze dit letsel aan de aangever is toegebracht. Weliswaar kan op grond van het letsel vastgesteld worden dat door de verdachte fors geweld is uitgeoefend op het hoofd en het lichaam van de aangever, maar niet vastgesteld kan worden hoe hij dit heeft gedaan. De verklaring van de verdachte ter zitting dat hij de aangever heeft geslagen en een elleboogstoot in het gezicht heeft gegeven is, ook in samenhang met het letsel, onvoldoende om vast te stellen dat de verdachte daarmee het opzet had op de dood van de aangever. De rechtbank heeft bij dit oordeel ook acht geslagen op het feit dat het de verdachte zelf is geweest die 112 heeft gebeld en hulp heeft ingeroepen voor de aangever. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de verdachte het slachtoffer wilde doden.
Het vorenstaande, brengt mee dat evenmin kan worden vastgesteld dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer ten gevolge van zijn handelen zou komen te overlijden. Ook van opzet in voorwaardelijke zin is daarom geen sprake, zodat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde.
3.3.2
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit, de zware mishandeling, op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat. Hierbij gaat de rechtbank uit van de vaststellingen die zij hiervoor onder 3.3.1 heeft gedaan, in combinatie met de verklaring van de verdachte dat hij de aangever heeft geslagen en een elleboogstoot in het gezicht heeft gegeven. Het omschreven letsel van de aangever kan zonder meer als zwaar lichamelijk letsel worden aangemerkt.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 18 oktober 2025 te Den Helder, aan een ander, te weten [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [benadeelde], meerdere malen, met kracht in het gezicht en tegen het hoofd en het lichaam van die [benadeelde] te stompen.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4.Kwalificatie van het feit
Het bewezenverklaarde levert op: zware mishandeling.
5.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte, indien een bewezenverklaring voor de meest subsidiaire ten laste gelegde mishandeling volgt, heeft gehandeld uit noodweer, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Nu de rechtbank bewezen acht dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling, komt de rechtbank dus strikt genomen niet toe aan dit verweer.
Voor zover de raadsman ook heeft bedoeld dit noodweerverweer te voeren ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde, kan dit verweer niet slagen. De rechtbank heeft immers hiervoor onder 3.1.1 al vastgesteld dat de feitelijke toedracht, die door de verdediging in dit verband is aangevoerd, niet aannemelijk is geworden.
Er is ook anderszins geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
6.Strafbaarheid van de verdachte
Voor de beantwoording van de vraag of het gepleegde feit aan de verdachte kan worden toegerekend, heeft de rechtbank kennisgenomen van het gezamenlijk Pro Justitiarapport van 22 april 2026, opgesteld door [psycholoog], GZ-psycholoog, en [psychiater], psychiater. De deskundigen hebben geconcludeerd dat bij de verdachte sprake is van zwakbegaafdheid, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een stoornis in alcoholgebruik en cannabisgebruik (beide tenminste matig van ernst). Dit beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde gedeeltelijk. De verdachte kan in algemene zin het onoorbare van gewelddadig handelen begrijpen, maar was door de vastgestelde stoornissen in beperkte mate in staat zijn gedrag te reguleren ten tijde van het ten laste gelegde. De deskundigen hebben daarom geadviseerd het ten laste gelegde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
De rechtbank is van oordeel dat de rapportage op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de conclusie van de gedragsdeskundigen wordt ondersteund door een deugdelijk en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank neemt deze conclusie over, maakt deze tot de hare en volgt het advies. De verdachte is dan ook strafbaar.
7.Motivering van de sanctie en de maatregel
7.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en dat aan hem de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met dwangverpleging zal worden opgelegd.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van een eventueel op te leggen straf en of maatregel geen standpunt ingenomen.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie en de maatregel die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van het feit
De verdachte heeft op 18 oktober 2025 fors geweld op de aangever toegepast door hem in zijn eigen woning meermalen met veel kracht in zijn gezicht, tegen zijn hoofd en op zijn lichaam te stompen. De aangever heeft daardoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Hij is opgenomen op de intensive care afdeling van het ziekenhuis en is geopereerd aan meerdere botbreuken in het aangezicht.
De verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij volgt dat de aangever tot op heden kampt met de psychische en lichamelijke gevolgen van het handelen van de verdachte.
Bovendien zorgt een zware mishandeling in een appartementencomplex waarin zich ook andere bewoners bevinden en die deels getuige waren van het agressieve gedrag van de verdachte voor gevoelens van angst en onveiligheid bij die medebewoners in het bijzonder en in de samenleving in het algemeen.
Persoon van de verdachte
De verdachte was ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde feit verminderd toerekeningsvatbaar, zoals de rechtbank hiervoor in paragraaf 6 heeft geconcludeerd. Deze omstandigheid weegt de rechtbank, in het voordeel van de verdachte, mee bij het bepalen van de duur van deze straf.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de onder 6. genoemde gezamenlijke Pro Justitia rapportage. De deskundigen hebben geconcludeerd dat er bij de verdachte sprake was van impulsiviteit, een lage frustratietolerantie, gebrekkige gedragsregulatie en een beperkt ontwikkeld geweten en empatisch vermogen. In combinatie met alcohol- en mogelijk cannabisgebruik heeft dit ten tijde van het ten laste gelegde geleid tot ontremming, verminderde impulscontrole en escalatie van agressief gedrag. Het risico op gewelddadige recidive wordt door de deskundigen als hoog ingeschat. Beschermende factoren zijn beperkt aanwezig. Risico verhogende omstandigheden zijn onder meer middelengebruik, gebrek aan dag structuur, instabiele woon- en leefsituatie en contact met een sociaal netwerk waarin middelengebruik en criminaliteit voorkomen. Met name in situaties waarin middelengebruik samengaat met spanningen of conflicten en er weinig externe structuur of toezicht aanwezig is, neemt de kans toe dat betrokkene impulsief en agressief reageert.
De deskundigen bevelen een forensisch behandeltraject gericht op agressieregulatie, impulscontrole, probleemoplossende vaardigheden en behandeling van het alcohol- en cannabisgebruik aan. Daarnaast is aandacht nodig voor het vergroten van probleembesef, het aanbrengen van structuur in wonen en dagbesteding en het verminderen van contact met een risicovol sociaal netwerk. Gezien het beneden gemiddelde tot zwakbegaafde niveau van functioneren dient behandeling praktisch, concreet en gestructureerd te worden aangeboden.
De deskundigen adviseren de interventies te realiseren binnen het kader van terbeschikkingstelling (tbs) met verpleging van overheidswege. Een tbs met voorwaarden wordt minder passend geacht, gezien het beperkte probleembesef, de geringe behandelmotivatie en de eerdere problemen met het naleven van voorwaarden en toezicht.
De rechtbank heeft verder gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 13 mei 2026, waaruit blijkt dat de verdachte al eerder voor geweldsfeiten tot vrijheidsbenemende straffen is veroordeeld. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting.
Tenslotte heeft de rechtbank kennisgenomen van het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 28 mei 2026. De reclassering adviseert om geen bijzondere voorwaarden te verbinden aan een straf. De reclassering ziet geen mogelijkheid om de verdachte binnen een voorwaardelijk kader te begeleiden. Hoewel interventies noodzakelijk worden geacht, voorziet de reclassering problemen in het gebrek aan probleembesef- en inzicht en het gebrek aan motivatie tot behandeling. Betrokkene heeft naast hulp bij huisvesting geen hulpvraag. Hij vindt dat hij zijn zaken goed op orde heeft en verwacht te worden vrijgesproken.
De op te leggen straf en maatregel
De rechtbank kan zich verenigen met bovenstaande conclusies van de deskundigen en de reclassering en maakt deze tot de hare. De rechtbank stelt vast dat aan de wettelijke eisen voor het opleggen van de tbs-maatregel, als genoemd in de artikelen 37a en 37b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is voldaan. Bij de verdachte was ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde sprake van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en de verdachte wordt veroordeeld voor een feit waarvoor de tbs-maatregel kan worden opgelegd. Verder is gebleken dat een hoog risico op recidive bestaat en de veiligheid van anderen deze maatregel eist. Om het recidivegevaar van de verdachte terug te dringen worden interventies in het kader van een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege geadviseerd.
Ter bescherming van de veiligheid van anderen en gelet op ontbreken van ziekte inzicht en probleembesef bij de verdachte is het naar het oordeel van de rechtbank dan ook noodzakelijk om de verdachte de tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen.
De tbs-maatregel wordt opgelegd wegens een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten zware mishandeling, meermalen gepleegd, zodat de duur van de tbs-maatregel niet is gemaximeerd.
Gelet op de aard en ernst van de feiten acht de rechtbank daarnaast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, passend en geboden. De tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, zal hierop in mindering worden gebracht. Dit is 26 maanden minder dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank komt anders dan de officier van justitie tot vrijspraak van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag, omdat zij niet kan vaststellen dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan met een baksteen of een ander voorwerp, en houdt rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte ten tijde van het feit.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 vanPro de Penitentiaire beginselenwet.
8.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [benadeelde] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 44.290,81 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade van € 4.790.81 bestaat uit de volgende posten:
Post 1: eigen risico zorgverzekering € 385,-
Post 2: ziekenhuis daggeldvergoeding € 494,-
Post 3: huishoudelijke hulp € 2.327,01
Post 4: gebitsprothese € 1.584,80
Voor de immateriële schade wordt een bedrag van € 39.500,- gevorderd wegens het door de benadeelde partij opgelopen letsel, de geleden pijn en de psychische gevolgen van het ten laste gelegde feit.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel moet worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman betwist dat de kosten voor de posten daggeldvergoeding ziekenhuis en huishoudelijke hulp daadwerkelijk zijn gemaakt. Ten aanzien van de overige materiële posten refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat uit de vordering van de benadeelde partij blijkt dat de psychische gevolgen erg meevallen. Primair stelt de raadsman zich op het standpunt dat er daarom onvoldoende concrete feiten en omstandigheden zijn om de post immateriële schade op te stoelen. Subsidiair verzoekt de raadsman de gevorderde immateriële schade te matigen.
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit en voldoende is onderbouwd. Ten aanzien van de daggeldvergoeding en de kosten huishoudelijke hulp is aangevoerd dat de benadeelde partij 12 nachten in het ziekenhuis heeft verbleven, waarna hij op de 13e dag is ontslagen. Zijn moeder helpt hem tot op heden met huishoudelijke taken zoals koken en schoonmaken en er worden boodschappen voor hem gedaan, omdat hij dit nog niet zelf kan. Ook deze posten komen naar het oordeel van de rechtbank daarmee voor vergoeding in aanmerking.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BWPro onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het lichamelijke letsel van de benadeelde bestaat kort gezegd uit een bloeding onder het hersenvlies, ernstige breuken in het gezicht, waaronder meerdere kaak- en midden gezichtsbreuken, gebroken ribben, onderhuidse zwelling van achter het oor tot aan de linker heup, een afwijking in de kleine bekken en een diepe snijwond op de kin. De benadeelde is opgenomen geweest op de intensive care afdeling van het ziekenhuis en is geopereerd aan de breuken in zijn gezicht, waarbij onder meer sprake was van zogenoemde Le Fort fracturen.
De omvang van de immateriële schadevergoeding dient naar billijkheid te worden vastgesteld, waarbij volgens vaste jurisprudentie de aard en de ernst van de normschending, de aard en de ernst van het letsel en de aard, omvang en duur van de gevolgen richtinggevend zijn voor de vaststelling van de omvang van het smartengeld. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal. Gelet op bedragen die worden toegekend in soortgelijke zaken en gelet op de Rotterdamse schaal, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 39.500,- billijk is.
Alles overziende wijst de rechtbank de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel toe.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
De hiervoor genoemde bedragen die de verdachte aan de benadeelde partij moet vergoeden worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van de schade, zoals hieronder in de beslissing weergegeven.
Daarnaast legt de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat dat Staat dit voor hem doet. Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast, zoals hieronder in de beslissing weergegeven.
De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
Artikelen 36f, 37a, 37b, 302 van het Wetboek van Strafrecht.
10.Beslissing
De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het onder 3.4 bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van 10 (tien) maanden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast dat de verdachte ter beschikkingwordt gesteld, en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde]geleden schade tot een bedrag van € 44.290,81 (vierenveertigduizend tweehonderdnegentig euro en éénenachtig cent), bestaande uit € 4.790,81 als vergoeding voor de materiële en € 39.500,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 44.290,81 (vierenveertigduizend tweehonderdnegentig euro en éénenachtig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 205 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van die voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van de opgelegde gevangenisstraf.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.M.C. de Haan, voorzitter,
mr. L. Boonstra en mr. N. Ćulafić, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier G.A.M. Delis,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 juni 2026.
Bijlage I
De tenlastelegging
hij op of omstreeks 18 oktober 2025 te Den Helder, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [benadeelde] van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal - (met kracht) met een baksteen en/of een hamer, althans een hard en/of scherp voorwerp, die [benadeelde] in/tegen het gezicht en/of hoofd en/of lichaam heeft geslagen en/of heeft gestompt en/of - (met kracht) in/tegen het gezicht en/of hoofd en/of lichaam van die [benadeelde] heeft geslagen en/of heeft gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid ( art 287 WetboekPro van Strafrecht, art 45 lid 1 WetboekPro van Strafrecht ) subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 18 oktober 2025 te Den Helder, in elk geval in Nederland, aan een ander, te weten [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [benadeelde], meerdere malen, althans eenmaal, - (met kracht) met een baksteen en/of een hamer, althans een hard en/of scherp voorwerp, die [benadeelde] in/tegen het gezicht en/of hoofd en/of lichaam te slaan en/of te stompen en/of - (met kracht) in/tegen het gezicht en/of hoofd en/of lichaam van die [benadeelde] te slaan en/of te stompen; ( art 302 lid 1 WetboekPro van Strafrecht )
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 18 oktober 2025 te Den Helder, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten R.P.M [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen, althans eenmaal - (met kracht) met een baksteen en/of een hamer, althans een hard en/of scherp voorwerp, die [benadeelde] in/tegen het gezicht en/of hoofd en/of lichaam heeft geslagen en/of heeft gestompt en/of - (met kracht) in/tegen het gezicht en/of hoofd en/of lichaam van die [benadeelde] heeft geslagen en/of heeft gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid ( art 302 lid 1 WetboekPro van Strafrecht, art 45 lid 1 WetboekPro van Strafrecht )
meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 18 oktober 2025 te Den Helder, in elk geval in Nederland, [benadeelde] heeft mishandeld, door meerdere malen, althans eenmaal, - (met kracht) met een baksteen en/of een hamer, althans een hard en/of scherp voorwerp, die [benadeelde] in/tegen het gezicht en/of hoofd en/of lichaam te slaan en/of te stompen en/of - (met kracht) in/tegen het gezicht en/of hoofd en/of lichaam van die [benadeelde] te slaan en/of te stompen; ( art 300 lid 1 WetboekPro van Strafrecht )