Uitspraak
1.De procedure
- de dagvaarding van 24 oktober 2024,
- de conclusie van antwoord van 15 januari 2025,
- het tussenvonnis van 22 januari 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- de aanvullende productie namens [eiser] ,
- de mondelinge behandeling van 23 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitaantekeningen die door [eiser] zijn overgelegd en voorgedragen,
- de mondelinge behandeling van 26 maart 2026.
“(…)
- partijen kiezen nadrukkelijk niet voor de mogelijkheid van een kortdurende huurovereenkomst, maar voor een langdurige(re) en bestendige(re) huurrelatie;- partijen kiezen nadrukkelijk om geen gebruik te maken van het huurregime van twee (2) jaar (zelfstandige woonruimte) of vijf (5) jaar (onzelfstandige woonruimte) of korter ex artikel 7:271 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek;- aan huurder komt huurbescherming toe vanaf aanvang huurovereenkomst;(…)
Betalingsverplichting, betaalperiode4.1 Met ingang van de ingangsdatum van deze huurovereenkomst bestaat de betalingsverplichting van huurder uit:- de huurprijs4.2 De kosten voor gas/water/elektra zijn voor rekening van verhuurder.”
“(…)
Hieronder geven wij een kostenanalyse voor de heer [eiser] voor het pand [adres] te [plaats 2] , voor en na de gewijzigde situatie.(…)
Na de wijziging valt het pand in Box 3 en komt de situatie er als volgt uit te zien. Doordat er geen sprake is van een normaal verhuurde woning moet als leegwaarderatio 5,5% worden gehanteerd waardoor over de volledige WOZ-waarde het fictief rendement dient te worden berekend.De (box3) inkomstenbelasting werd daarna als volgt berekend, 743.000 x 4% = 29.720 tegen 30% belasting = 8.916Na de aanpassing in de belastingwet wordt het dan als volgt berekend. 743.000 x 5,88% = 43.688 (verondersteld rendement) tegen 36% belasting = 15.727.(…)
Het lijkt me duidelijk dat de gewijzigde situatie een enorme lastenverzwaring voor de heer [eiser] heeft veroorzaakt.(…)”.
“
Hi [gedaagde] , Zoals wij hebben besproken beloof ik je dat je ten alle tijden in de woning, [adres] ,zal kunnen blijven wonen.(…)”.
3.Het geschil
- primair; de huurovereenkomst ontbindt per 1 juli 2025, dan wel een in goede justitie te bepalen datum, met veroordeling van [gedaagde] tot ontruiming,
- subsidiair; de huurprijs per 1 juli 2025, althans een in goede justitie te bepalen datum, vast te stellen op € 1.750,00 per maand,
- [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.De beoordeling
krachtens de aard van de overeenkomst of de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening komen van degene die zich erop beroept.
is bepalend wat partijen bij het aangaan van de overeenkomst op 1 februari 2020 voor ogen heeft gestaan en welke omstandigheden zij geacht kunnen worden daarin te hebben verdisconteerd.
[gedaagde] betwist (mede bij gebrek aan wetenschap) dat sprake is van een zodanige verzwaring van de belastingplicht van [eiser] dat dit als een onvoorziene omstandigheid [4] moet worden aangemerkt. De e-mail van de heer [betrokkene] moet daarbij als ongefundeerd worden gepasseerd, aldus [gedaagde] .
Daarbij is allereerst de zogenaamde waarheidsplicht [5] van belang. Op grond daarvan hebben partijen de verplichting om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig aan te voeren. De rechter mag, als deze verplichting niet wordt nageleefd, daaruit de gevolgtrekking maken, die zij geraden acht. De kantonrechter stelt vast dat in de dagvaarding is opgenomen dat de veranderingen van wet- en regelgeving, met name op fiscaal gebied moeten gelden als onvoorziene omstandigheden, maar dat uit het debat tussen partijen is gebleken dat tot op de mondelinge behandeling onduidelijk is gebleven of [eiser] daarbij voor ogen had dat de woning eerst in Belasting Box 1 belast werd en later in Belasting Box 3, dan wel de latere verzwaring van de belastingdruk in Belasting Box 3. Zelfs uit de door [eiser] ingebrachte e-mail van 12 september 2025 van kantoor Nooter blijkt niet welke onvoorziene omstandigheden worden bedoeld, omdat in deze e-mail zowel de wijziging dat de woning van Belasting Box 1 naar Belasting Box 3 gaat is vermeld, maar ook de later verzwaarde lasten in Belasting Box 3. In de dagvaarding is voorts geen cijfermatig vergelijkend overzicht opgenomen van de door partijen geregelde situatie en de situatie die [eiser] als onvoorzien stelt, noch is van deze beide situaties bij de dagvaarding een onderbouwing ingebracht. Door eerst in de mondelinge behandeling te verduidelijken dat de onvoorziene omstandigheden zouden zijn gelegen in de verzwaarde behandeling van niet zelf bewoonde woningen in Belasting Box 3 en daarbij concreter in te gaan op die fiscale behandeling heeft [eiser] naar het oordeel van de kantonrechter de waarheidsplicht zodanig geschonden dat er geen aanleiding is om hem verder in de gelegenheid te stellen zijn standpunt te onderbouwen.
Voorts is van belang dat [eiser] ook op de zitting van 23 september 2025 de situatie op dat moment heeft vergeleken met de situatie dat hij nog zijn hoofdverblijf in de woning had en de met zijn uitschrijving gepaard gaande fiscale gevolgen niet kunnen gelden als ‘onvoorzien’.
5.De beslissing
22 april 2026.