ECLI:NL:RBNHO:2026:7883

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
K/4101/12038614
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:194a BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek tot vaststelling zuivere of beneficiaire aanvaarding nalatenschap

Op 26 mei 2025 is erflater overleden, die zijn nalatenschap bij testament aan zijn enig erfgenaam, belanghebbende, heeft nagelaten. Belanghebbende heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard, zoals blijkt uit een akte van 8 september 2025. Verzoeker, een derde belanghebbende, verzoekt de kantonrechter vast te stellen of de nalatenschap zuiver of beneficiair is aanvaard door belanghebbende, mede vanwege handelingen rondom de uitvaart.

Verzoeker neemt zelf geen standpunt in over de wijze van aanvaarding en laat dit aan de kantonrechter over. De kantonrechter oordeelt dat artikel 4:194a BW niet voorziet in een dergelijke vaststelling en dat het aan verzoeker is om een duidelijk juridisch standpunt in te nemen. Bovendien is de kantonrechter niet bevoegd om vast te stellen of de nalatenschap zuiver is aanvaard; dit kan alleen via een verklaring voor recht bij de rechtbank.

Daarom wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. De kantonrechter wijst erop dat verzoeker, indien hij meent dat er sprake is van zuivere aanvaarding, een dagvaardingsprocedure bij de rechtbank moet starten. De beschikking is op 30 juni 2026 in Alkmaar uitgesproken door mr. M.C. van Rijn.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot vaststelling van de wijze van aanvaarding van de nalatenschap.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer / rekestnummer: 12038614 \ EJ VERZ 25-449 (rvk)
Beschikking van 30 juni 2026
in de zaak van
[verzoeker],
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] of verzoeker,
gemachtigde: N.J. Evertze-Zonneveld,
[belanghebbende],
te [woonplaats] ,
belanghebbende,
hierna te noemen: [belanghebbende] .
in de nalatenschap van:
[erflater]
geboren op [geboortedatum] 1941 en overleden op 26 mei 2025
laatst gewoond hebbende te Castricum

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- aanvullende brief van [verzoeker] van 17 maart 2026.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Op 26 mei 2025 is overleden de heer
[erflater], geboren te Bandoeng, Nederlands Indië op [geboortedatum] 1941, laatstelijk wonende te Castricum.
2.2.
Erflater heeft bij testament over zijn nalatenschap beschikt en tot zijn enig erfgenaam benoemd, [belanghebbende] , belanghebbende.
2.3.
Erflater heeft aan zijn twee kleinkinderen, de kinderen van [belanghebbende] , een bedrag van ieder € 22.000,- gelegateerd.
2.4.
Uit een akte afgegeven door de griffier van de rechtbank Noord-Holland van 8 september 2025 blijkt dat [belanghebbende] de nalatenschap van erflater beneficiair heeft aanvaard.

3.Het verzoek

3.1.
Verzoeker verzoekt dat de kantonrechter vaststelt dat [belanghebbende] de nalatenschap van erflater ofwel beneficiair, ofwel zuiver heeft aanvaard.
3.2.
Aan het verzoek heeft [verzoeker] het volgende ten grondslag gelegd. Er zijn voorafgaand aan de beneficiaire aanvaarding handelingen verricht en uitgaven gedaan door [belanghebbende] rondom het regelen van de uitvaart. Verzoeker neemt geen standpunt in of dit een zuivere aanvaarding vormt. Verzoeker vraagt de kantonrechter een standpunt in te nemen of de gedragingen maken dat Brenda zuiver heeft aanvaard, of dat er sprake is van een beneficiaire aanvaarding. Er is volgens verzoeker in deze zaak geen wederpartij.

4.De beoordeling

4.1.
Verzoeker baseert zijn verzoek op artikel 4:194 a Burgerlijk Wetboek (BW) en stelt dat hij er een belang bij heeft dat de kantonrechter vaststelt of uitlegt wat de rechtsgevolgen zijn van de handelingen van [belanghebbende] .
4.2.
De kantonrechter is van oordeel dat artikel 4:194a BW daar niet voor is geschreven, in dat artikel staat dat erfgenamen die zuiver hebben aanvaard, na ontdekking van een onbekende schuld (een schuld die zij niet kenden of behoorden te kennen) alsnog met machtiging van de kantonrechter beneficiair kunnen aanvaarden. Gesteld noch gebleken is dat de erfgenaam kennis heeft gekregen van een schuld.
4.3.
Belangrijker nog is dat verzoeker het aan de kantonrechter overlaat om een standpunt in te nemen of zuiver is aanvaard of dat beneficiair is aanvaard door de erfgenaam. Verzoeker neemt daarover zelf geen standpunt in. Dat moet verzoeker echter wel doen, het behoort niet tot de taak van de kantonrechter om daar in het kader van een verzoek een standpunt over in te nemen. Op deze manier kan uit het verzoek ook niet opgemaakt worden op welke juridische grondslag het verzoek gebaseerd is -er worden immers twee mogelijkheden opengelaten. Ook na het opvragen van nadere informatie bij verzoeker is dit niet duidelijk geworden. De kantonrechter heeft er begrip voor dat verzoeker zijn moeder, de erfgename, niet wil belasten, maar dat doet er niet aan af dat het aan verzoeker is om een juridisch standpunt in te nemen.
4.4.
Daarbij komt dat de kantonrechter niet bevoegd is vast te stellen of de erfgenaam door gedragingen de nalatenschap zuiver heef aanvaard. Verzoeker kan, indien hij van mening is dat de erfgenaam zuiver heeft aanvaard, daarover een verklaring voor recht vragen. Dit moet bij de rechtbank gebeuren en hierbij moet de dagvaardingsprocedure gevolgd worden. De kantonrechter zal niet overgaan tot het verwijzen van de zaak naar de rechtbank omdat het verzoek te onduidelijk is.
4.5.
De conclusie is dat verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. van Rijn en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.