Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
[erflater], geboren te Bandoeng, Nederlands Indië op [geboortedatum] 1941, laatstelijk wonende te Castricum.
Rechtbank Noord-Holland
Op 26 mei 2025 is erflater overleden, die zijn nalatenschap bij testament aan zijn enig erfgenaam, belanghebbende, heeft nagelaten. Belanghebbende heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard, zoals blijkt uit een akte van 8 september 2025. Verzoeker, een derde belanghebbende, verzoekt de kantonrechter vast te stellen of de nalatenschap zuiver of beneficiair is aanvaard door belanghebbende, mede vanwege handelingen rondom de uitvaart.
Verzoeker neemt zelf geen standpunt in over de wijze van aanvaarding en laat dit aan de kantonrechter over. De kantonrechter oordeelt dat artikel 4:194a BW niet voorziet in een dergelijke vaststelling en dat het aan verzoeker is om een duidelijk juridisch standpunt in te nemen. Bovendien is de kantonrechter niet bevoegd om vast te stellen of de nalatenschap zuiver is aanvaard; dit kan alleen via een verklaring voor recht bij de rechtbank.
Daarom wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. De kantonrechter wijst erop dat verzoeker, indien hij meent dat er sprake is van zuivere aanvaarding, een dagvaardingsprocedure bij de rechtbank moet starten. De beschikking is op 30 juni 2026 in Alkmaar uitgesproken door mr. M.C. van Rijn.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot vaststelling van de wijze van aanvaarding van de nalatenschap.