ECLI:NL:RBNHO:2026:793

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
11931477 \ CV EXPL 25-3915
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst afgewezen bij ingelopen huurachterstand

Verhuurder Stichting Intermaris vorderde ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van de woning en betaling van een huurachterstand van €2.486,50 wegens niet-betaling van huur over meerdere maanden. De huurder, [eiser], werd bij verstek veroordeeld, maar kwam in verzet en vorderde vernietiging van het verstekvonnis.

De kantonrechter stelde vast dat de huurachterstand inmiddels was teruggebracht tot €486,50, minder dan één maand huur. Gelet hierop werd de gevorderde ontbinding en ontruiming afgewezen omdat de tekortkoming niet ernstig genoeg was om ontbinding te rechtvaardigen. Wel werd de huurder veroordeeld tot betaling van de resterende huurachterstand.

Daarnaast werd ambtshalve getoetst of de algemene voorwaarden van de verhuurder, waaronder het huurprijswijzigingsbeding en servicekostenbeding, niet oneerlijk waren, hetgeen werd bevestigd. De huurder werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €880,91. Het verstekvonnis van 24 september 2025 werd vernietigd en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Ontbinding en ontruiming afgewezen wegens ingelopen huurachterstand, huurder veroordeeld tot betaling resterende huur en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11931477 \ CV EXPL 25-3915 TB
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij in het verzet,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M.T.A.M. Mes,
tegen
de stichting
STICHTING INTERMARIS,
te Hoorn ,
gedaagde partij in het verzet,
hierna te noemen: Intermaris,
gemachtigde: M.G. Lasonder.
De zaak in het kort
Verhuurder vordert onder andere ontbinding en ontruiming en betaling van een huurachterstand. In het verstekvonnis zijn deze vorderingen van verhuurder toegewezen. Huurder is in verzet gekomen en vordert vernietiging van het verstekvonnis. De kantonrechter wijst de gevorderde ontbinding en ontruiming af, omdat de huurachterstand inmiddels minder dan één maand is. De kantonrechter oordeelt verder dat huurder de resterende achterstand aan verhuurder moet betalen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de inleidende dagvaarding van 14 augustus 2025
- het verstekvonnis van 24 september 2025
- de verzetdagvaarding van 14 oktober 2025
- een conclusie van antwoord in oppositie van 22 oktober 2025
- een conclusie van repliek van 19 november 2025
- het tussenvonnis van 26 november 2025
- de e-mail van Intermaris van 2 december 2025 met een gezamenlijk verzoek om af te zien van een mondelinge behandeling en het verzoek om vonnis te wijzen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Feiten

2.1.
Intermaris verhuurt aan [eiser] en [naam] de woning aan het adres [adres] in [plaats] (hierna: de woning of het gehuurde). De huur bedraagt € 634,04 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst is het Huurreglement van Intermaris Hoeksteen van januari 2001 (hierna: huurreglement) van toepassing.

3.Het geschil

3.1.
Intermaris heeft bij inleidende dagvaarding hoofdelijk van [eiser] en [naam] , naast nevenvorderingen, ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van het gehuurde en betaling gevorderd van € 2.486,50. Intermaris heeft aan de vordering ten grondslag gelegd dat [eiser] en [naam] tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit de huurovereenkomst. Zij zijn in gebreke gebleven met betaling van de huur voor mei, juni, juli en augustus 2025.
3.2.
[eiser] en [naam] zijn door de kantonrechter bij verstek veroordeeld tot ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van het gehuurde en betaling van het gevorderde. Ook de nevenvorderingen zijn toegewezen.
3.3.
[eiser] vordert, in de verzetdagvaarding, ontheffing van de veroordeling en afwijzing van de oorspronkelijke vordering. Daartoe voert [eiser] aan dat zij inmiddels verschillende betalingen heeft verricht waardoor er nog een huurachterstand resteert van € 486,50.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat het verzet tijdig en op de juiste wijze is ingesteld, zodat [eiser] in zoverre in haar verzet kan worden ontvangen.
De huurachterstand
4.2.
Partijen zijn het erover eens dat de huurachterstand op het moment dat door partijen het verzoek werd gedaan om vonnis te wijzen € 486,50 bedroeg. Dit is gebaseerd op de huur tot en met oktober 2025. [eiser] wordt veroordeeld om dit bedrag aan Intermaris te betalen.
De ontbinding en ontruiming worden afgewezen
4.3.
Hoewel de huurachterstand na inleidende dagvaarding aanzienlijk is ingelopen vordert Intermaris nog steeds ontbinding van het huurcontract en ontruiming van [eiser] uit de woning. Deze vordering zal worden afgewezen. De kantonrechter overweegt hierover als volgt.
4.4.
De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij het gaat om zo’n kleine tekortkoming, dat deze de ontbinding van de huurovereenkomst niet rechtvaardigt. [1] Hierbij wordt rekening gehouden met alle omstandigheden. Van belang is bijvoorbeeld of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen. [2]
4.5.
[eiser] erkent dat de huurachterstand bij inleidende dagvaarding € 2.486,50 (mei t/m augustus 2025) bedroeg. [eiser] stelt echter dat zij na dagvaarding een aantal betalingen heeft gedaan. Op 20 augustus 2025 € 634,04, op 23 september 2025 € 634,04, op 9 oktober 2025 € 2.000,00, totaal € 3.268,08. Rekening houdend met onbetaalde huurtermijnen over september en oktober 2025, betreft de totale huurachterstand € 3.754,58. Dit bedrag minus de door [eiser] gedane betalingen, dan resteert een huurschuld van € 486,50. [eiser] is van mening dat op grond daarvan geen reden meer is tot ontbinding van de huurovereenkomst.
4.6.
Intermaris stelt dat [eiser] en [naam] in hun verplichtingen als huurders zijn tekortgeschoten, door niet (volledig) aan hun betalingsverplichting te voldoen. [eiser] en [naam] zijn op 14 augustus 2025 gedagvaard voor € 2.486,50, een achterstand van vier maanden. Vervolgens is op 20 augustus 2025 een betaling gedaan van € 634,04, echter stond op de datum van de eerste zitting nog een bedrag open van € 1.852,46, zijnde een huurachterstand van drie maanden. Op 24 september 2025 is het verstekvonnis gewezen en een dag daarvoor is nog een betaling van € 634,04 gedaan, echter was op dat moment de huurtermijn van de maand september 2025 komen te vervallen zodat de laatstgenoemde betaling niet tot een vermindering van de huurachterstand zorgde en de huurachterstand op het moment van het wijzen van het verstekvonnis nog steeds € 1.852,46 bedroeg. Intermaris stelt zich op het standpunt dat de vordering, ondanks dat deze inmiddels aanzienlijk is verminderd, bij vonnis van 24 september 2025 op terechte gronden is gewezen, met ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde.
4.7.
De kantonrechter is van oordeel dat ten tijde van de inleidende dagvaarding de achterstand dusdanig groot was dat dit een ontbinding en ontruiming rechtvaardigde, maar dat is nu anders. [eiser] heeft de achterstand tot minder dan één maand ingelopen. Die huurachterstand is aldus niet ernstig genoeg meer voor ontbinding van de huurovereenkomst. Gelet hierop wijst de kantonrechter de gevorderde ontbinding en ontruiming af, evenals de daarmee samenhangende vordering tot betaling van een bedrag gelijk aan de huurprijs per maand, tot aan de ontruiming. Dat betekent ook dat het verstekvonnis van 24 september 2025 ten aanzien van [eiser] zal worden vernietigd.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
4.8.
De huurovereenkomst is gesloten tussen een professionele partij, handelend in de uitoefening van haar beroep of bedrijf (Intermaris) en een consument (de huurder, [eiser] ). Op zo’n overeenkomst zijn consument-beschermende bepalingen van toepassing. Sommige consument-beschermende bepalingen worden zo belangrijk gevonden dat de kantonrechter uit zichzelf (ambtshalve) moet beoordelen of die zijn nageleefd. Het gaat dan om bepalingen uit het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13/EEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen).
4.9.
De kantonrechter handhaaft hetgeen is overwogen in het verstekvonnis van 25 september 2025, waarin is bepaald dat het huurprijswijzigingsbeding en het servicekostenbeding niet oneerlijk zijn.
[eiser] moet de proceskosten betalen
4.10.
[eiser] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Intermaris worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
290,91
- griffierecht
385,00
- salaris gemachtigde
164,00
(2 punten × € 82,00)
- nakosten
41,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
880,91

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart het verzet gegrond,
5.2.
vernietigt het door deze rechtbank op 24 september 2025 tussen Intermaris en [eiser] gewezen verstekvonnis onder zaaknummer 11848453 \ CV EXPL 25-2986,
en, opnieuw rechtdoende,
5.3.
veroordeelt [eiser] om te betalen aan Intermaris € 486,50 aan achterstallige huur tot en met oktober 2025,
5.4.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 880,91, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van Rijn en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:265 BW Pro.
2.Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810.