ECLI:NL:RBNHO:2026:8007

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
15/227276-25
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wegenverkeerswet 1994Art. 6 Wegenverkeerswet 1994Art. 77a Wetboek van StrafrechtArt. 77g Wetboek van StrafrechtArt. 77m Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak schuld verkeersongeval, veroordeling voor gevaarzetting door te hard rijden op snorfiets

Op 26 juli 2024 reed de verdachte te hard op een snorfiets nabij een bushalte in Haarlem, waar een voetganger het fietspad overstak en ernstig letsel opliep door een aanrijding.

De rechtbank stelde vast dat het zicht op het slachtoffer belemmerd werd door een abri, waardoor de verdachte het slachtoffer pas op het laatste moment kon zien. Hierdoor haalde het gedrag van de verdachte niet de drempel van aanmerkelijk onvoorzichtigheid of schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro, wat leidde tot vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit.

Wel werd bewezen verklaard dat de verdachte door te hard rijden gevaar op de weg veroorzaakte, een overtreding van artikel 5 WVW Pro. De rechtbank legde een werkstraf van 40 uur op, bij niet-nakoming te vervangen door 20 dagen jeugddetentie, en wees een rijontzegging af gezien de omstandigheden en het tijdsverloop.

De rechtbank nam mee dat de verdachte kort voor het ongeval al een boete had wegens snelheid, dat het slachtoffer ernstig en langdurig letsel heeft, en dat de verdachte spijt betuigde. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer kinderrechters op 11 juni 2026.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van schuld aan ongeval, veroordeeld voor gevaarzetting met werkstraf van 40 uur.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd
Locatie Haarlem
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 15/227276-25
Uitspraakdatum: 11 juni 2026
Tegenspraak
Vonnis(P)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 28 mei 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
[officier van justitie] en wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. V.J.M.H.Y. van Haaster, advocaat te Haarlem, en [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna ook: de Raad), naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft ook kennis genomen van wat namens het slachtoffer [de benadeelde partij] door zijn raadsvrouw, mr. N.J. Hoogenboom, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 26 juli 2024 te Haarlem als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (snorfiets), daarmede rijdende over de weg, het fietspad van de [weg] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
- te rijden met een niet toegestane en/of onverantwoord hoge snelheid en/of
- met onverminderde, in elk geval (te) hoge snelheid, een links van hem aan dat fietspad gelegen bushalte met stilstaande bus te naderen en/of
- ( vervolgens) niet in staat te zijn om zijn snorfiets tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij dat fietspad kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- ( vervolgens) met grote impact aan te rijden tegen een vanaf die bushalte dat fietspad overstekende voetganger,
waardoor aan die voetganger (genaamd [de benadeelde partij] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een ernstige schedelbasisfractuur (temporaal doorlopend over de gehele schedel) en/of een longcontusie, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 26 juli 2024 te Haarlem als bestuurder van een voertuig (snorfiets), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, het fietspad van de [weg] ,
- met een niet toegestane en/of onverantwoord hoge snelheid en/of
- met onverminderde, in elk geval(te) hoge snelheid een links van hem aan dat fietspad gelegen bushalte met stilstaande bus is genaderd en/of
- ( vervolgens) niet in staat was om zijn snorfiets tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij dat fietspad kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- ( vervolgens) is aangereden tegen een vanaf die bushalte dat fietspad overstekende
voetganger,
waarbij letsel aan die voetganger is ontstaan en/of schade aan goederen is toegebracht en/of
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte verzoekt de rechtbank de verdachte vrij te spreken van het primair ten laste gelegde feit. Volgens de verdediging is geen sprake van een aan de verdachte’s schuld te wijten verkeersongeval in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Bewijsmiddelen
De rechtbank is van oordeel dat het primair ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank komt wel tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij tot dit oordeel komt.
3.3.2
Bewijsmotivering
Juridisch kader
Voor een bewezenverklaring van artikel 6 WVW Pro moet de rechtbank vaststellen dat de verdachte schuld heeft in de zin van die bepaling. Een tijdelijke onoplettendheid hoeft nog geen schuld op te leveren. Er moet sprake zijn van (tenminste) in aanmerkelijke mate verwijtbaar onvoorzichtig en/of onoplettend gedrag. Of sprake is van schuld, hangt af van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dit brengt mee dat niet in het algemeen valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld. Verder is van belang dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag, dat in strijd is met een of meer gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro.
Feiten en omstandigheden
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast.
De verdachte reed op 26 juli 2024 op de [weg] in Haarlem als bestuurder van een snorfiets en naderde een aan het fietspad gelegen bushalte met daarbij een stilstaande bus. De toegestane snelheid met deze snorfiets bedraagt 25 kilometer per uur en de ter plaatse geldende maximale snelheid bedraagt 30 kilometer per uur. De verdachte reed volgens de berekening van de Forensische Opsporing (FO) Verkeer op dat moment met een indicatieve snelheid van 53 kilometer per uur. Dat is dus harder dan de ter plaatse toegestane snelheid. Het slachtoffer zat in de bus en stapte aan de achterzijde uit de bus bij de bushalte. Het slachtoffer liep vervolgens naar de achterzijde van het bushokje (gezien vanuit de rijrichting van de verdachte) en stak toen het fietspad over. De verdachte kwam op dat moment aanrijden en reed het slachtoffer aan. Het slachtoffer heeft daarbij ernstig letsel opgelopen, namelijk een schedelbasisfractuur en een longcontusie.
Het bushokje waar het slachtoffer is uitgestapt, grenst aan het fietspad. In het onderzoek naar de plaats van het verkeersongeval door de FO Verkeer is vastgesteld dat het zicht op het fietspad voor zowel de verdachte als het slachtoffer door de abri aan de achterzijde van de bushalte belemmerd werd. De glazen wand van de abri bevatte namelijk een reclameposter, waardoor er niet doorheen gekeken kon worden. Ook is in dit onderzoek vastgesteld dat de weginrichting duidelijk was, maar de plaatsing van het bushokje mede van invloed is geweest op het ontstaan van het verkeersongeval.
Beoordeling
De officier van justitie heeft de volgens haar verwijtbare gedragingen van de verdachte in meerdere onderdelen opgesomd (de verschillende gedachtestreepjes in de tenlastelegging). De rechtbank stelt vast dat deze onderdelen feitelijk voortkomen uit één gedraging, namelijk dat de verdachte te hard heeft gereden op de snorfiets. Doordat de verdachte te hard heeft gereden, heeft hij de snorfiets niet op tijd kunnen stoppen toen het slachtoffer het fietspad overstak. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte, dat hij wel heeft gekeken, maar het slachtoffer niet heeft zien staan achter de abri van het bushokje, aannemelijk. Uit het onderzoek van de FO verkeer blijkt immers dat het zicht op het slachtoffer dusdanig werd belemmerd door de abri, dat de rechtbank er vanuit gaat dat de verdachte het slachtoffer pas kon zien op het moment dat hij achter de abri vandaan het fietspad opliep. Wat mogelijk eveneens een rol heeft gespeeld bij het ontstaan van het ongeval is dat het slachtoffer, door de plaatsing van het bushokje zo dicht op het fietspad, achter de abri ook een belemmerd zicht had op de verdachte die kwam aanrijden. Het is niet duidelijk of hij de verdachte heeft zien komen aanrijden. Het is daarom volgens de rechtbank niet uitgesloten dat als de verdachte zich wel aan de toegestane snelheid had gehouden, nog steeds een ongeluk had plaatsgevonden, omdat de verdachte het slachtoffer pas op het laatste moment heeft kunnen zien.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het gedrag van de verdachte de drempel van aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend rijden niet haalt. De verdachte heeft een verkeersfout gemaakt door te hard te rijden, maar deze verkeersfout levert in de omstandigheden van dit geval naar het oordeel van de rechtbank geen schuld op in de zin van artikel 6 WVW Pro, zodat de verdachte van het primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.
Artikel 5 WVW Pro
Vervolgens is de vraag aan de orde of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5 WVW Pro. Voor dit feit is niet een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid vereist. Om tot een veroordeling voor dit feit te kunnen komen, moet sprake zijn van zodanige gedragingen van de verdachte dat gevaar op de weg wordt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer wordt of kan worden gehinderd.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte met zijn rijgedrag gevaar op de weg veroorzaakt. Door met te hoge snelheid te rijden op een snorfiets, was de verdachte niet in staat zijn snorfiets op tijd tot stilstand te brengen en is naar het oordeel van de rechtbank sprake van gevaarzettend gedrag. De verdachte heeft hierdoor gevaar op de weg veroorzaakt en is in botsing gekomen met het slachtoffer. Het gevaar voor andere verkeersdeelnemers heeft zich dus ook verwezenlijkt. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 26 juli 2024 te Haarlem als bestuurder van een voertuig (snorfiets), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, het fietspad van de [weg] ,
- met een niet toegestane en onverantwoord hoge snelheid en
- met onverminderde snelheid een links van hem aan dat fietspad gelegen bushalte met stilstaande bus is genaderd en
- vervolgens niet in staat was om zijn snorfiets tot stilstand te brengen binnen de
afstand waarover hij dat fietspad kon overzien en waarover deze vrij was en
- vervolgens is aangereden tegen een vanaf die bushalte dat fietspad overstekende
voetganger,
waarbij letsel aan die voetganger is ontstaan en door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van werkstraf voor de duur van 60 uur, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 30 dagen jeugddetentie. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om de verdachte een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar.
6.2.
Standpunt van verdediging
De verdediging heeft bepleit dat als een straf wordt opgelegd, een deels voorwaardelijke werkstraf volstaat. De raadsvrouw heeft daarnaast verzocht om geen ontzegging van de rijbevoegdheid aan de verdachte op te leggen.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
De ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft gevaar op de weg veroorzaakt, omdat hij veel te hard reed op zijn opgevoerde snorfiets. Hij heeft hierdoor niet op tijd kunnen afremmen, waardoor hij in botsing is gekomen met het slachtoffer. Hierdoor heeft het slachtoffer ernstig (hersen)letsel opgelopen. Door dit letsel kan hij zijn normale dagelijkse bezigheden - ook bijna twee jaar na het ongeval - niet (volledig) uitoefenen. Met name door het hersenletsel, kan het slachtoffer zich moeilijk concentreren, heeft hij minder energie dan voorheen en kan hij niet meer werken. Ter zitting heeft de raadsvrouw van het slachtoffer nader gemotiveerd dat het ongeval nog dagelijks een grote impact op hem, zijn kinderen en partner heeft.
Persoonlijke omstandigheden
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op:
- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van
23 april 2026 waaruit blijkt dat aan de verdachte een strafbeschikking is op gelegd, wegens een verkeersovertreding op 13 juni 2024;
- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 18 mei 2026, opgesteld door [raadsonderzoeker] , als raadsonderzoeker verbonden aan de Raad.
De rechtbank neemt ten nadele van de verdachte mee dat de verdachte iets meer dan een maand voordat het ongeluk plaatsvond een geldboete heeft gehad, omdat de bromfiets waar hij toen op reed harder kon dan de toegestane snelheid. De verdachte was dus een gewaarschuwd mens en had beter moeten weten.
De Raad heeft in zijn rapportage geadviseerd tot oplegging van een onvoorwaardelijke werkstraf, waarbij rekening is gehouden met de verstreken tijd tussen het ongeluk en de zitting. De verdachte is een inmiddels meerderjarige jongen. Hij heeft een beperkte dag invulling en werkt, nu hij niet meer leerplichtig is, een paar uur per week. De Raad heeft echter weinig zorgen over de kans op herhaling. De weerslag van het ongeluk op de verdachte, nu twee jaar later, is niet alleen fysiek, maar ook mentaal groot. Het ongeluk gebeurde toen de verdachte net aan het opkrabbelen was uit een moeilijke periode in zijn leven. De Raad heeft het advies ter zitting gehandhaafd.
De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de omstandigheid dat het ongeval bijna twee jaar geleden heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft ter zitting gezien dat het ongeval ook op het leven van de verdachte impact heeft. Op de zitting heeft de verdachte spijt betuigd en blijk gegeven van medeleven voor het slachtoffer.
Conclusie
Al met al is de rechtbank van oordeel dat de verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 40 uren moet worden opgelegd.
De rechtbank ziet – anders dan de officier van justitie – geen aanleiding voor het opleggen van een voorwaardelijke rijontzegging. Sinds het bewezenverklaarde is bijna twee jaar verstreken en is de verdachte niet opnieuw in aanraking gekomen met politie en justitie.

11.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 77a, 77g, 77m, 77n van het Wetboek van Strafrecht.
artikel 5, 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

12.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van
40 (veertig) urentaakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 20 (twintig) dagen jeugddetentie.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.K. Mireku, voorzitter,
mrs. C.E. Voskens en M.E. Kleijn, allen (kinder)rechter,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.E. van Veen,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 juni 2026.