Uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland
1.De procedure
- de akte overlegging producties (mede voorzien van een USB stick), tevens houdende een (voorwaardelijke) eis in reconventie van [gedaagde] , met producties 1-16;
- de mondelinge behandeling van 6 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Mrs. Cox en De Haan hebben daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen.
2.De uitgangspunten
Voor zover er thans voor opgemelde onroerende goederen (…) een erfdienstbaarheid bestaat zijnde een recht van overpad om te komen van en te gaan naar de [straat] te [plaats 1] over de vanaf het onroerend goed sub 1 (toevoeging rechtbank: het perceel van [gedaagde] ) te bereiken brug naar die weg is tussen partijen afgesproken als volgt:
3.Het geschil
4.De beoordeling
thans gebruikelijke wijze”. Volgens [eiser] komt dit neer op het volgen van het aanwezige pad inclusief de verharding achter de boerderij van [gedaagde] , en daar is er maar één van. Dit pad loopt vanaf de brug over het perceel van zus [naam 1] , over het perceel van [gedaagde] met een bocht naar rechts direct achter zijn boerderij langs naar het perceel van [eiser] . Volgens [eiser] wordt dit pad al sinds jaar en dag gebruikt door verschillende partijen, waaronder in het verleden door huurders van de (landbouw)gronden van de vader van partijen.
op de thans gebruikelijke wijze”. De stelling van [gedaagde] dat [eiser] , in afwijking van de akte tijdelijk achter zijn boerderij mocht rijden totdat zij een eigen brug naar of toegang tot haar perceel heeft aangelegd, of dat de erfdienstbaarheid slechts beperkte duur zou hebben, blijkt niet uit de akte van 14 december 2021 en volgt verder ook nergens anders uit.