ECLI:NL:RBNHO:2026:8058

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
15/327530-24, 09/095111-23 (TUL) en 09/258461-22
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i SrArt. 77m Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen overval telefoonwinkel en opzetheling scooter met jeugddetentie en werkstraf

Op 15 oktober 2024 pleegde de verdachte samen met anderen een overval op een telefoonwinkel in Krommenie waarbij zij met geweld en bedreiging diverse telefoons wegnamen. De verdachte gebruikte daarbij een vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en bedreigde meerdere medewerkers, wat bij slachtoffers leidde tot ernstige psychische schade.

Daarnaast werd bewezen verklaard dat de verdachte een gestolen scooter in bezit had en gebruikte bij de overval, waarmee hij zich schuldig maakte aan opzetheling. De rechtbank verwierp het verweer dat de verdachte niet wist dat de scooter gestolen was en oordeelde dat sprake was van voorwaardelijk opzet.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de impact op de slachtoffers, en de positieve ontwikkeling van de verdachte sinds het plegen van de feiten. De verdachte werd veroordeeld tot 150 dagen jeugddetentie waarvan 105 dagen onvoorwaardelijk en 45 dagen voorarrest in mindering, met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden waaronder begeleiding en behandeling.

Daarnaast werd een werkstraf van 40 uur opgelegd, lager dan gevorderd om overvraging te voorkomen. De rechtbank kende schadevergoedingen toe aan twee benadeelde partijen voor materiële en immateriële schade, met wettelijke rente en hoofdelijkheidsclausule. Tevens werden eerdere voorwaardelijke werkstraffen tenuitvoer gelegd wegens het niet naleven van voorwaarden.

De bijzondere voorwaarden en toezicht werden dadelijk uitvoerbaar verklaard vanwege het risico op recidive. De rechtbank beval ook de teruggave van in beslag genomen kledingstukken aan de verdachte.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot 150 dagen jeugddetentie (gedeeltelijk voorwaardelijk) en 40 uur werkstraf wegens medeplegen van een gewelddadige overval en opzetheling.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd
Locatie Haarlem
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 15/327530-24, 09/095111-23 (TUL) en 09/258461-22 (TUL)
Uitspraakdatum: 30 april 2026
Tegenspraak
Vonnis(P)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting met gesloten deuren van 16 april 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
[officier van justitie] .
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat:
  • de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.J.M. Laurier, advocaat te 's-Gravenhage;
  • [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad);
  • [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] , namens de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna te noemen: de jeugdreclassering);
  • mr. K.Y. Ramdhan, advocaat te Amsterdam, raadsman van de benadeelde partijen [de benadeelde partij 5] en [de benadeelde partij 2] ;
naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1:
hij op of omstreeks 15 oktober 2024 te Krommenie, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, diverse telefoons, in elk geval enig goed,
dat/die geheel of ten dele aan (telefoonwinkel) [winkel] en/of [de benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een of meer medewerker(s) van de (winkel) [winkel] , te weten [de benadeelde partij 2] en/of [de benadeelde partij 3] en/of [de benadeelde partij 4] en/of [de benadeelde partij 5] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- in het donker gekleed en/of met gezichtsbedekking en/of met een helm op het hoofd de winkel binnen te komen en/of
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en/of op voornoemde medewerker(s) te richten en/of
- daarbij tegen voornoemde medewerker(s) te roepen 'geef alle telefoons' en/of
- met voorgenoemd vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, een of meerdere keren op de vitrinetoonbank te slaan en/of
- ( vervolgens) diverse telefoons uit de stuk geslagen vitrinetoonbank te pakken en/of
- ( met de weggenomen telefoons) de winkel te verlaten en/of
- tijdens de vlucht te worstelen met medewerker [de benadeelde partij 2] en/of
- ( vervolgens) het vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op medewerker [de benadeelde partij 2] te richten en/of meermalen de trekker over te halen en/of het een of meerdere malen te laten afvuren;
Feit 2:
hij op of omstreeks 15 oktober 2024 te Krommenie, gemeente Zaanstad, in elk geval in Nederland een scooter (merk: [merk] , kenteken [kenteken] ), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Van feit 2 heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit. Op het verweer van de verdediging zal hierna worden ingegaan.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Bewijsmiddelen
De rechtbank komt op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat, tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.
3.3.2.
Bewijsmotivering ten aanzien van feit 2
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat de verdachte de beschikkingsmacht over de scooter heeft gehad.
De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat de verdachte en de medeverdachte de scooter voorafgaand aan de overval op telefoonwinkel [winkel] (feit 1) van een onbekende persoon hebben gekregen. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij wel wist dat de scooter gestolen was toen hij zag dat er geen cilinder en geen sleutel in de scooter zat en deze gestart moest worden met een kickstart. Daar komt dan de omstandigheid nog bij, dat verdachte en zijn mededader de scooter gingen gebruiken om een overval te gaan plegen. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte door achterop de scooter te zitten, de scooter als vervoersmiddel heeft gebruikt en daarmee (mede) de beschikkingsmacht over de scooter heeft gehad.
Dat de verdachte op de zitting heeft verklaard wel te hebben gedacht dat de scooter gestolen was, maar dat niet zeker te hebben geweten, maakt niet dat er geen sprake is van opzetheling. Uit zijn verklaring bij de politie en op de zitting blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de scooter van diefstal afkomstig was. Daarmee is sprake van tenminste voorwaardelijk opzet.
De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de verdediging en acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat
Feit 1:
hij op 15 oktober 2024 te Krommenie, tezamen en in vereniging met anderen, diverse telefoons, die aan telefoonwinkel [winkel] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen medewerkers van de winkel [winkel] , te weten [de benadeelde partij 2] , [de benadeelde partij 3] en [de benadeelde partij 5] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en de andere deelnemer aan het misdrijf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- in het donker gekleed en met gezichtsbedekking en een helm op het hoofd, de winkel binnen te komen en
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te tonen en op voornoemde medewerkers te richten en
- daarbij tegen voornoemde medewerkers te roepen 'geef alle telefoons' en
- met voorgenoemd vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, meerdere keren op de vitrinetoonbank te slaan en
- vervolgens diverse telefoons uit de stuk geslagen vitrinetoonbank te pakken en
- met de weggenomen telefoons de winkel te verlaten en
- tijdens de vlucht te worstelen met medewerker [de benadeelde partij 2] en
- vervolgens het vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op medewerker [de benadeelde partij 2] te richten en meermalen de trekker over te halen.
Feit 2:
hij op 15 oktober 2024 te Krommenie, een scooter, merk: [merk] , kenteken [kenteken] , voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1:diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen;
Feit 2:opzetheling.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden, waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden, die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6.Motivering van de sancties

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen, waarvan 75 (vijfenzeventig) dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 2 (twee) jaren, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit en onder de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad op de zitting geadviseerd, met dadelijke uitvoerbaarheid van deze bijzondere voorwaarden en het toezicht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de kwetsbaarheid en beïnvloedbaarheid van de verdachte, de druk die hij ten tijde van het plegen van de overval ervaarde en de overschrijding van de redelijke termijn. Gelet hierop heeft de verdediging het opleggen van jeugddetentie, waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest, bepleit. De verdediging vreest verder dat het opleggen van de door de officier van justitie geëiste werkstraf de verdachte zal overvragen en aldus mogelijk leidt tot een rechtstreeks ticket naar de jeugdgevangenis.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de beslissing over de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn geleegd en de persoon van de verdachte, zoals uit het onderzoek op de zitting is gebleken.
De rechtbank heeft in het bijzonder hierbij het volgende laten meewegen.
Aard en ernst van de feiten
De verdachte heeft op klaarlichte dag samen met een ander een telefoonwinkel overvallen en een groot aantal telefoons weggenomen. De verdachte en zijn medeverdachte zijn daartoe de telefoonwinkel in gelopen, hebben de vitrines stuk geslagen en de aldaar aanwezige medewerkers bedreigd met een wapen. De medeverdachte heeft daarbij het wapen ook gericht op de medewerkers en de trekker meermalen overgehaald.
Dit soort feiten leidt tot gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers, maar ook binnen de samenleving in het algemeen. Zoals uit de slachtofferverklaring van [de benadeelde partij 2] blijkt, vreesde hij bij elke klik van het wapen voor een fatale afloop van de overval en het einde van zijn leven en heeft hij hierdoor een posttraumatische-stressstoornis opgelopen. Ook de impact op [de benadeelde partij 5] is groot. Hij ondervindt nog steeds psychische en lichamelijke klachten als gevolg van de keuzes van de verdachte. Het gevoel van veiligheid van beiden is sterk aangetast. Voor deze gevolgen is de verdachte verantwoordelijk.
Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan heling van een scooter. Dit is een vervelend feit, wat voor benadeelden hinder en schade met zich meebrengt.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon van de verdachte in het bijzonder gelet op:
  • het op naam van de verdachte staande Uittreksel Justitiële Documentatie van 16 maart 2026 waaruit blijkt dat de verdachte eerder voor soortgelijke feiten onherroepelijk is veroordeeld;
  • het voorlichtingsrapport van de Raad van 10 februari 2026;
  • de evaluatie van de jeugdreclassering van 19 november 2025.
Uit het rapport van de Raad blijkt onder meer dat de verdachte sinds het plegen van de strafbare feiten een positieve ontwikkeling heeft laten zien. De verdachte heeft zijn leven omgegooid, gaat naar school, heeft geen contact meer met zijn oude vrienden en is niet meer in aanraking geweest met de politie. De kans op herhaling wordt daarom als laag ingeschat.
Ondanks deze positieve ontwikkelingen maakt de Raad zich wel zorgen over het zelfbepalende gedrag van de verdachte en de moeilijkheden die hij ervaart in het contact met mensen die hij niet leuk vindt. Het is belangrijk dat de verdachte zich actief blijft inzetten voor de begeleiding door zijn coach van [jeugdzorginstelling] en werkt aan de opgestelde doelen. Ook dient hij te blijven wonen bij [jeugdzorginstelling] . Mocht de verdachte worden veroordeeld, dan adviseert de Raad tot oplegging van een deels voorwaardelijke werkstraf, onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich meldt bij de jeugdreclassering, een zinvolle dagbesteding heeft, zijn woonvoorziening bij [jeugdzorginstelling] behoudt en meewerkt aan de begeleiding door de coach van [jeugdzorginstelling] .
De Raad heeft op de zitting aangevuld dat de kans op herhaling als laag is beoordeeld vanwege het strakke schorsingskader met begeleiding en hulpverlening om de verdachte heen. De Raad vindt het noodzakelijk dat de betrokkenheid van de jeugdreclassering en de hulpverlening de aankomende twee jaar geborgd blijft. Desgevraagd ziet de Raad ook het nut van diagnostiek en behandeling als bijzondere voorwaarde, zoals de jeugdreclassering op de zitting heeft aanbevolen. Dit omdat de ADHD-diagnose van lang geleden is, maar ook om meer inzicht te krijgen in de vaardigheden en de (mogelijk) achterliggende problematiek van de verdachte. De Raad handhaaft het advies om een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen als stok achter de deur. Mocht de rechtbank gelet op de ernst van het feit oplegging van jeugddetentie en een onvoorwaardelijke werkstraf passender achten, dan vindt de Raad het belangrijk dat het zwaartepunt wordt gelegd op de voorwaardelijke straf. De Raad vreest anders voor overvraging van de verdachte.
Op de zitting heeft de jeugdreclassering aangegeven het voor de verdachte, zijn verdere ontwikkeling en ter voorkoming van recidive, belangrijk te vinden dat wordt ingezet op diagnostiek en behandeling. Dit zou moeten plaatsvinden bij Inforsa, De Waag of een soortgelijke instelling, zodat de behandeling los komt te staan van de woonvoorziening. Voorkomen moet worden dat wat tijdens de behandeling wordt besproken, bij de woonvoorziening terechtkomt. De jeugdreclassering schaart zich verder achter het (gewijzigde) advies van de Raad.
Bij de straftoemeting heeft de rechtbank in het voordeel van de verdachte meegewogen dat hij zich in de lange periode van de schorsing van zijn voorlopige hechtenis heeft gehouden aan de strenge, ingrijpende voorwaarden, waaronder het huisarrest, en dat de redelijke termijn in jeugdstrafzaken met twee maanden is overschreden.
Op te leggen straf
Bij ernstige strafbare feiten als het medeplegen van diefstal met geweld en bedreiging met geweld tegen personen, waarbij bovendien sprake is van het gebruik van een wapen, geldt in zijn algemeenheid dat onvoorwaardelijke jeugddetentie op zijn plaats is. De rechtbank ziet in de persoon van de verdachte en de adviezen van de Raad en de jeugdreclassering echter aanleiding om deze deels in voorwaardelijke vorm aan de verdachte op te leggen. De verdachte heeft al 45 dagen in voorlopige hechtenis doorgebracht en daarna, gedurende de schorsing van zijn voorlopige hechtenis, positieve stappen gezet. Om deze positieve ontwikkeling van de verdachte niet te doorkruisen zal de rechtbank de aan de verdachte op te leggen onvoorwaardelijke jeugddetentie beperken tot de periode die hij al in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank zal daarnaast aan de verdachte voorwaardelijke jeugddetentie opleggen om hem ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan een strafbaar feit schuldig te maken.
De rechtbank acht daarnaast een onvoorwaardelijke werkstraf op zijn plaats. Bij de bepaling van de duur hiervan heeft de rechtbank meegewogen dat de verdachte een vol weekprogramma heeft bestaande uit school, werk, sport en begeleiding. Teneinde te voorkomen dat de verdachte wordt overvraagd ziet de rechtbank aanleiding een lagere werkstraf op te leggen dan door de officier van justitie is gevraagd.
Alles afwegende veroordeelt de rechtbank de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 150 (honderdvijftig) dagen, met aftrek van het voorarrest, en bepaalt dat een gedeelte van 105 (honderdvijf) dagen vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd. Aan het voorwaardelijke deel zal de rechtbank een proeftijd van twee (2) jaren verbinden, onder
de voorwaarden zoals door de Raad geadviseerd. De rechtbank zal daarnaast aan de verdachte een werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uren opleggen.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, te weten diefstal met (bedreiging van) geweld. Gelet op de over de verdachte uitgebrachte rapportage en de door de Raad als hoog ingeschatte kans op herhaling zonder begeleiding en behandeling, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 77aa Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Beslag
Door de politie zijn onder de verdachte zwarte Nike schoenen, een rode trui en een zwarte joggingsbroek in beslag genomen. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot teruggave daarvan. De rechtbank is van oordeel dat deze goederen retour kunnen naar de verdachte als rechthebbende.

7.Vordering benadeelde partijen schadevergoedingsmaatregel

7.1.1. Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 5]
De benadeelde partij [de benadeelde partij 5] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.000,00 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van feit 1 zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met de oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel.
7.1.2. Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot een bedrag van € 3.000,00 kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met de oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van het meer gevorderde heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
7.1.3. Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de vordering tot schadevergoeding te matigen en de benadeelde partij in het meerdere niet-ontvankelijk te verklaren.
7.1.4. Oordeel van de rechtbank
Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106, sub b, van het Burgerlijk Wetboek mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
De rechtbank overweegt dat het handelen van de verdachte en zijn medeverdachte(n) een ernstige inbreuk hebben gemaakt op de persoonlijke integriteit van de benadeelde partij. De aard en ernst van die normschending en de gevolgen voor de benadeelde partij, zoals onderbouwd in de toelichting op de vordering tot schadevergoeding, zijn zodanig geweest dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een aantasting in persoon ‘op andere wijze’.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 3.000,00 billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarbij bepaalt de rechtbank dat indien een (van de) medeverdachte(n) dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de verdachte moet worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en voor de tenuitvoerlegging nog moet maken. Op dit moment is niet vast komen te staan dat de benadeelde partij daarvoor kosten heeft gemaakt. De rechtbank begroot de kosten daarom op nihil.
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 1 bewezen verklaarde handelen aanleiding voor het toegewezen deel van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
De rechtbank wijst het meer gevorderde af.
7.2.1. Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 2]
De benadeelde partij [de benadeelde partij 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5590,83 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade, ter grootte van € 590,83, en immateriële schade, ter grootte van € 5.000,00, die hij als gevolg van feit 1 zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met de oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel.
7.2.2. Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de
benadeelde partij geheel kan worden toegewezen, hoofdelijk, vermeerderd met de wettelijke rente en met de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2.3. Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
7.2.4. Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder feit 1 bewezenverklaarde. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van de geleden materiële schade daarom toe tot een bedrag van € 590,83, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Ook een vergoeding van de immateriële schade komt de rechtbank billijk voor, gelet op de onderbouwing van de vordering, de slachtofferverklaring en het verder verhandelde op de zitting. De rechtbank betrekt bij dit oordeel dat de verdachte en zijn medeverdachte(n) de benadeelde partij hebben geconfronteerd met forse dreiging met geweld door het richten van het (nep)vuurwapen op hem en het overhalen van de trekker, als gevolg waarvan de benadeelde partij psychische schade in de vorm van een posttraumatische-stresstoornis heeft opgelopen.
Gelet op soortgelijke zaken is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde immateriële vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met (een) ander(en) heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk. Voor zover een (van de) medeverdachte(n) een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen en zal hij in zoverre zijn bevrijd.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de verdachte moet worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en voor de tenuitvoerlegging nog moet maken. Op dit moment is niet vast komen te staan dat de benadeelde partij daarvoor kosten heeft gemaakt. De rechtbank begroot de kosten daarom op nihil.
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 1 bewezen verklaarde handelen aanleiding de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8.Vorderingen tot tenuitvoerlegging

8.1.
Parketnummer 09/095111-23
Bij vonnis van 24 april 2024 in de zaak met parketnummer 09/095111-23 heeft de rechtbank Den Haag de verdachte onder meer veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uren en hieraan een proeftijd van 2 (twee) jaren verbonden, onder meer onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 28 mei 2024 aan de verdachte toegezonden.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank gelast dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer wordt gelegd.
8.2.
Parketnummer 09/258461-22
Bij vonnis van 14 april 2023 in de zaak met parketnummer 09/258461-22 heeft de rechtbank Den Haag de verdachte onder meer veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 30 (dertig) uren. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op 2 (twee) jaren bepaald, onder meer onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 3 mei 2023 aan de verdachte toegezonden.
Ook van deze voorwaardelijke straf heeft de officier van justitie alsnog de tenuitvoerlegging gevorderd.
8.3.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
8.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij het onderzoek op de zitting vastgesteld dat zij bevoegd is over de vorderingen te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen moeten worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, niet heeft nageleefd.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Van toepassing zijn de artikelen 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 312 en 416 van het wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van
150 (honderdvijftig) dagen.
Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot
105 (honderdvijf) dagen,
nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet al op een andere straf in mindering is gebracht.
Stelt als
algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als
bijzondere voorwaardendat de verdachte gedurende de proeftijd:
zich meldt bij de jeugdreclassering van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd aan [adres] , op door de jeugdreclassering te bepalen plaatsen en tijden, zo frequent en zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, en zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken;
onderwijs volgt dan wel een andere zinvolle dagbesteding heeft;
blijft wonen bij [jeugdzorginstelling] of een soortgelijke woonvoorziening;
meewerkt aan de begeleiding door de coach vanuit [jeugdzorginstelling] en blijft werken aan de opgestelde doelen;
meewerkt aan diagnostisch en, zo nodig, de daaruit voortvloeiende behandeling bij Inforsa, De Waag of een soortgelijke instelling, indien en zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.
Geeft opdracht aan William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voornoemde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Stelt verder als voorwaarden dat de verdachte is gehouden om:
6. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden;
7. medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
Beveelt dat de op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van
40 (veertig) uren, bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 20 (twintig) dagen jeugddetentie.
Bepaalt dat deze werkstraf binnen een termijn van 9 (negen) maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis dient te worden voltooid.
Gelast de teruggave van de onder de verdachte in beslag genomen schoenen (goednummer: [goednummer] ), trui (goednummer: [goednummer] ) en broek (goednummer: [goednummer] ).
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[de benadeelde partij 5]geleden immateriële schade tot een bedrag van
€ 3.000,00, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij 5] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten voor de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Wijst af het meer of anders gevorderde.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel voor slachtoffer [de benadeelde partij 5] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door
0 dagengijzeling.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan al door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[de benadeelde partij 2]geleden schade tot een bedrag van
€ 5.590,83, bestaande uit € 590,83 aan materiële schade en
€ 5.000,00 aan immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij 2] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten voor de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel voor slachtoffer [de benadeelde partij 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.590,83, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door
0 dagengijzeling.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan al door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 09/095111-23 en gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke werkstraf voor de duur van
40 (veertig) uren, subsidiair 20 (twintig) dagen jeugddetentie, opgelegd bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 24 april 2024.
Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 09/258461-22 en gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke werkstraf voor de duur van
30 (dertig) uren, subsidiair 15 (vijftien) dagen jeugddetentie, opgelegd bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 14 april 2023.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. B.M.A. Bataille, voorzitter,
mr. N. Cuvelier en mr. E.K.A. van den Bos, allen kinderrechter,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. I.N. Inge,
en uitgesproken op de openbare zitting van 30 april 2026.