ECLI:NL:RBNHO:2026:8145

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
C/15/379747 / JU RK 26-1004
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1.3 JwArt. 10:113 BWArt. 7 Verordening Brussel-II terArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Spoedmachtiging gesloten jeugdhulp voor minderjarige in gesloten accommodatie

De gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers verzoekt een spoedmachtiging voor gesloten jeugdhulp voor een minderjarige die op basis van een eerdere machtiging in een open accommodatie verblijft. De kinderrechter beoordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is.

De feiten tonen ernstige zorgen over de minderjarige, waaronder middelengebruik, vermoedens van dealen en misbruik, fysiek grensoverschrijdend gedrag en agressie. De open setting biedt onvoldoende bescherming en begrenzing, waardoor een gesloten setting noodzakelijk is.

De gedragswetenschapper stemt in met de spoedmachtiging, ondanks dat de minderjarige niet kon worden gesproken vanwege vrees voor onttrekking. De kinderrechter verleent de spoedmachtiging voor vier weken onder de voorwaarde van een gedragswetenschappelijk onderzoek direct na plaatsing. De verdere behandeling wordt aangehouden en een zitting gepland.

De beschikking is gegeven op 3 juli 2026 door kinderrechter J. van Beek en griffier M.P. van Driel. Hoger beroep is mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam binnen drie maanden na kennisname.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een spoedmachtiging voor gesloten jeugdhulp aan de minderjarige voor vier weken met voorwaarden voor gedragswetenschappelijk onderzoek.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/379747 / JU RK 26-1004
Datum uitspraak: 3 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
gevestigd in Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
[land] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de ouder 1],
hierna te noemen: [de ouder 1] ,
wonende in [plaats] ,
[de ouder 2],
hierna te noemen: [de ouder 2] ,
wonende in [plaats] ,
hierna samen te noemen: de ouders.

1.Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 3 juli 2026;
- de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper op basis van de stukken van 3 juli 2026.

2.De feiten

2.1.
[de minderjarige] is door de ouders geadopteerd.
2.2.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.3.
[de minderjarige] verblijft op basis van een machtiging tot uithuisplaatsing bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] .
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 juni 2026 [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 5 september 2026, welke ondertoezichtstelling vervolgens is verlengd tot 3 december 2026.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 juni 2026 een spoedmachtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 3 juli 2026, welke machtiging tot uithuisplaatsing vervolgens is verlengd tot 3 december 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een spoedmachtiging te verlenen om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van vier weken. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
3.2.
De GI verzoekt daarnaast om aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te verlenen voor de duur van drie maanden.

4.De beoordeling

Bevoegdheid
4.1.
Door de omstandigheid dat [de ouder 2] en [de minderjarige] Brits burger zijn en [de ouder 1] Burger
van de Bondsrepubliek Duitsland is, draagt de onderhavige zaak een internationaal karakter.
Gelet hierop dient eerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter in deze
zaak rechtsmacht toekomt. Aangezien de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is,
komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om dit verzoek te behandelen. [1]
4.2.
Vervolgens is de vraag aan de orde welk recht van toepassing is. Op grond van
artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is het Nederlands recht van
toepassing op het verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
4.3.
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. De afgelopen maanden nemen de zorgen over [de minderjarige] toe. De hulpverlening die tot nu toe is ingezet heeft niet het gewenste resultaat. [de minderjarige] is op basis van een machtiging uithuisplaatsing geplaatst bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . Vanuit deze open setting kan [de minderjarige] onvoldoende begrensd en beschermd worden. Hij blijft weglopen, zonder dat duidelijk is waar hij is en met wie. Bovendien zijn er ernstige zorgen over zijn middelengebruik, te weten truffels, ketamine en mogelijk ook cocaïne. Er zijn vermoedens dat hij dealt op de groep, maar ook dat volwassenen misbruik van [de minderjarige] maken op momenten dat hij is weggelopen. Op de groep is bovendien sprake geweest van fysiek grensoverschrijdend gedrag vanuit [de minderjarige] waarbij spullen kapot zijn gegaan en [de minderjarige] gewond is geraakt. Hij dreigt ook met fors agressief gedrag op school. Een open setting is daarom onvoldoende gebleken om de veiligheid van [de minderjarige] te waarborgen. Daarnaast zijn er op de open groep teveel risico’s voor de gezondheid en veiligheid van anderen op de groep. [de minderjarige] heeft dan ook tijdelijk de bescherming en begrenzing nodig van een gesloten setting.
4.4.
Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is. De kinderrechter heeft een ernstig vermoeden dat er ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen zijn die de ontwikkeling van [de minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten instelling noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [de minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen. [2]
4.5.
De gedragswetenschapper heeft een instemmingsverklaring afgegeven zonder met [de minderjarige] te kunnen spreken. Het was niet mogelijk hem te spreken, omdat er reële vrees is dat hij zich anders zal onttrekken. De kinderrechter zal daarom de machtiging verlenen onder de voorwaarde dat [de minderjarige] de eerstvolgende dag na plaatsing wordt onderzocht door een gedragswetenschapper en de instemmingsverklaring wordt gehandhaafd en aangevuld met de bevindingen. De instemmingverklaring dient vervolgens de eerstvolgende werkdag uiterlijk 16.00 uur op schrift gesteld bij de rechtbank binnen te komen.
4.6.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van vier weken.
4.7.
De GI, [de minderjarige] , zijn advocaat en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
4.8.
Zodra deze machtiging ten uitvoer is gelegd, en de gedragswetenschapper [de minderjarige] na plaatsing heeft onderzocht en de instemmingsverklaring wordt gehandhaafd, komt de eerder afgegeven machtiging voor een accommodatie jeugdhulpaanbieder te vervallen.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verleent een spoedmachtiging om
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , [land] , uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 3 juli 2026 tot 31 juli 2026, onder de voorwaarde dat [de minderjarige] op de eerste dag na plaatsing wordt onderzocht door een gedragswetenschapper, die – na hem onderzocht te hebben – de instemmingsverklaring handhaaft;
5.2.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
5.3.
roept de GI, de ouders en [de minderjarige] op voor de zitting van mr. E.I. Terborg-Wijnaldum op
[datum]in het gerechtsgebouw van deze rechtbank, De Appelaar aan Simon de Vrieshof 1 in Haarlem;
5.4.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
5.5.
bepaalt dat de GI de onder 5.1. genoemde instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper uiterlijk op de eerstvolgende werkdag (na het aanvullende onderzoek) voor 16.00 uur bij de rechtbank indient en naar de belanghebbenden stuurt.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026 door
mr. J. van Beek, kinderrechter, in aanwezigheid van M.P. van Driel als griffier, en op schrift gesteld op 6 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 10:113 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en artikel 7 van Pro de Verordening Brussel-
2.Artikel 6.1.3, tweede lid, Jeugdwet (Jw).