ECLI:NL:RBNHO:2026:8346

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
15-221363-25 en 15-316202-25 (gevoegd)
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38 SrArt. 38a SrArt. 45 SrArt. 57 SrArt. 241 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging zware mishandeling en opzetaanranding met tbs-voorwaarden

De rechtbank Noord-Holland heeft op 6 juli 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van poging tot zware mishandeling en opzetaanranding. De feiten vonden plaats in juli en augustus 2025 te Castricum. Verdachte stak het slachtoffer meerdere malen met een schroef in nek en gezicht en betastte een verpleegkundige over de kleding zonder haar wil.

De rechtbank achtte de bewezenverklaring van beide feiten wettig en overtuigend op basis van getuigenverklaringen en andere bewijsmiddelen. Verdachte verkeerde ten tijde van de mishandeling in een psychotische episode, maar had wel opzet. De psycholoog en psychiater stelden vast dat de toerekenbaarheid sterk verminderd was, wat strafverminderend werd meegewogen.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot zes maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en legde tbs met voorwaarden op vanwege de ernst van de feiten en het recidivegevaar. De voorlopige hechtenis wordt geschorst zodra een plek in een kliniek beschikbaar is. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar schadevordering wegens ontbrekende machtiging.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf en tbs met voorwaarden met schorsing voorlopige hechtenis bij opname in kliniek.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummers: 15-221363-25 en 15-316202-25 (gevoegd) (P)
Uitspraakdatum: 6 juli 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 juni 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres]
,
thans gedetineerd in [PI] .
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Het ten laste gelegde feit in de gevoegde zaak is voor de leesbaarheid doorgenummerd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. E. Dam en van wat de verdachte en zijn raadsman mr. S.C. van Leer, advocaat te Alkmaar, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering en na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1
.
Primair:hij op of omstreeks 6 augustus 2025 te Castricum, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
immers heeft verdachte die [slachtoffer] meerdere malen, althans eenmaal met een schroef, althans een scherp puntig voorwerp, in (de richting van) de nek en/of het gezicht gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Subsidiair:hij op of omstreeks 6 augustus 2025 te Castricum, [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] meerdere malen, althans eenmaal met een schroef, althans een scherp puntig voorwerp, in de nek en/of het gezicht te steken.
Aan de verdachte is in de zaak met parketnummer 15-316202-25 ten laste gelegd dat
:
2.
hij op of omstreeks 27 juli 2025 te Castricum met een persoon, te weten een persoon (in het dossier bekend onder nummer 11990183) een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het over de kleding betasten van de billen van voornoemd persoon, terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die persoon (in het dossier bekend onder nummer 11990183) daartoe de wil ontbrak.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken. Hij heeft zich ten aanzien van de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de raadsman zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
De verdachte heeft over feit 1 verklaard dat hij toen in een psychose zat en dat hij naar het slachtoffer is gelopen met een pen in zijn handen. Hij heeft geen schroef gebruikt.
Over feit 2 heeft de verdachte verklaard dat hij wel met een medewerker naar zijn kamer was gegaan om zijn medicijnen in te nemen, maar dat hij haar niet heeft aangeraakt.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
3.3.2
Bewijsmotivering feit 1 primair
Verweer van de raadsman
De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling. Volgens de raadsman kan niet worden vastgesteld dat de verdachte het slachtoffer met een schroef of een scherp puntig voorwerp heeft gestoken. De verdachte heeft vanaf het eerste moment verklaard dat hij het slachtoffer in zijn hals heeft geslagen, terwijl hij een pen in zijn hand had. De twee getuigen verklaren niet met welke kracht er is gestoken en het slachtoffer had slechts lichte verwondingen. Evenmin kan volgens de raadsman worden vastgesteld dat de verdachte met (voorwaardelijk) opzet heeft gehandeld. Dat volgt niet uit de concrete omstandigheden en de verdachte heeft verklaard dat het niet zijn opzet is geweest om het slachtoffer in zijn ader te raken.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte het hoofd van het slachtoffer heeft vastgepakt en hem meerdere keren met een schroef (en dus niet met een pen) in de nek heeft gestoken. [getuige 1] heeft verklaard dat de verdachte met zijn linkerhand de rechterkant van het hoofd van het slachtoffer pakte, dat hij het hoofd naar links bewoog zodat de hals vrij was en dat hij met zijn rechterhand meerdere stekende bewegingen richting de nek maakte. Nadat de getuige met een andere medewerker van de instelling ( [getuige 2] ) de verdachte onder controle had gebracht, zag [getuige 1] dat de verdachte een schroef in zijn hand had die tussen zijn vingers uitstak. [getuige 1] heeft deze schroef van de verdachte afgepakt. Ook getuige [getuige 2] heeft direct na het incident verklaard dat de verdachte het slachtoffer met een schroef heeft gestoken. Enkel door het ingrijpen van deze medewerkers is het door de verdachte toegepaste geweld gestopt. De rechtbank stelt ook vast dat de verdachte gewelddadige bedoelingen had en de intentie had om het slachtoffer iets aan te doen. Op de zitting heeft de verdachte hierover verklaard dat stemmen tegen hem zeiden dat als hij het slachtoffer niets zou aandoen, het slachtoffer hem of zijn familie wat zou aandoen. Ook heeft getuige [getuige 1] de verdachte naderhand horen zeggen dat hij volledig achter zijn daad stond.
De rechtbank is gelet op het vorenstaande dan ook van oordeel, anders dan de raadsman en de officier van justitie, dat de verdachte met vol opzet heeft geprobeerd om het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
De conclusie is dat de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen wordt geacht.
3.3.3
Bewijsmotivering feit 2
De aangeefster, een verpleegkundige van GGZ- [instelling] , heeft verklaard dat zij door de verdachte in zijn kamer onverhoeds op de billen is betast en dat zij daardoor in shock is geraakt, en dat zij verdrietig en geschrokken was over wat er is gebeurd. Haar collega heeft verklaard dat zij zag dat de aangeefster duidelijk overstuur het kantoor binnenkwam met een geschrokken blik, tranen in haar ogen en een rood aanlopend gezicht en dat zij aan het trillen was. Bovendien heeft diezelfde collega verklaard dat er een gesprek is geweest met de verdachte over dit incident, waarbij de verdachte heeft gezegd dat hij dacht dat zij dit wel wilde. De rechtbank hecht meer waarde aan deze verklaringen dan aan de ontkenning door de verdachte en acht dan ook de onder 2 ten laste gelegde aanranding wettig en overtuigend bewezen.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
1
.
Primair:
hij op 6 augustus 2025 te Castricum, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] meerdere malen met een schroef in de nek en het gezicht heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(15-316202-25)
2.
hij op 27 juli 2025 te Castricum met een persoon, in het dossier bekend onder nummer 11990183 een seksuele handeling heeft verricht, te weten het over de kleding betasten van de billen van voornoemd persoon, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die persoon, in het dossier bekend onder nummer 11990183, daartoe de wil ontbrak.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Gelet op het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Wat aan de verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 primair:
Poging tot zware mishandeling
(15-316202-25)
feit 2:
Opzetaanranding.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden en tot een gevangenisstraf van 374 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen en daarnaast een gevangenisstraf die gelijk is aan het voorarrest.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en door de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. De verdachte, die was opgenomen in een GGZ-instelling, heeft een voor hem onbekend persoon uit het niets meerdere keren met een schroef in zijn nek en gezicht gestoken. Het is te danken aan de oplettendheid en het kordate ingrijpen van medewerkers van de zorginstelling dat erger is voorkomen. Daarnaast mag van geluk worden gesproken dat de fysieke gevolgen van het geweld beperkt zijn gebleven. De verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Geweldsdelicten als deze brengen gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg bij het slachtoffer en ook bij de andere patiënten in de zorginstelling en in de samenleving in het algemeen.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetaanranding, door het onverhoeds over de kleding betasten van de billen van een verpleegkundige van de GGZ-instelling. Hiermee heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit en zich niet bekommerd om de nare gevoelens die dit bij haar veroorzaakte.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon van de verdachte gelet op het strafblad van de verdachte van 8 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder wegens poging tot zware mishandeling is veroordeeld. De eerder opgelegde straf heeft kennelijk onvoldoende effect gehad om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de volgende over de verdachte uitgebrachte rapporten:
- een psychologisch rapport van 12 februari 2026;
- een psychiatrisch rapport van 27 februari 2026;
- een reclasseringsadvies tbs met voorwaarden van 17 maart 2026.
De psycholoog en de psychiater hebben bij de verdachte een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis vastgesteld, in combinatie met een stoornis in het gebruik van cannabis en alcohol. Ten tijde van het plegen van de feiten was er sprake van een psychotische episode, die gekenmerkt werd door een toename van angst, achterdocht, betrekkingsideeën en uiteindelijk ook wanen. Ook hoorde de verdachte stemmen die hem opdrachten gaven. De psycholoog en de psychiater gaan ervan uit dat dit psychotische toestandsbeeld een sterke invloed had op zijn handelen ten tijde van de bewezenverklaarde feiten. Zij adviseren om de feiten in sterk verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
De psycholoog en de psychiater adviseren daarnaast de verdachte te behandelen in het kader van een tbs met voorwaarden vanwege de ernst van de feiten en het recidivegevaar dat als matig tot hoog wordt ingeschat. Het kader van een tbs met voorwaarden geeft volgens hen de ondersteuning die verdachte de komende periode nodig heeft, met daarbij de langdurige forensische scherpte die binnen een dergelijk kader gehandhaafd kan worden. De optie van een zorgmachtiging in het kader van bijzondere voorwaarden bij een deels voorwaardelijke straf kan die langdurige forensische scherpte niet bieden.
De reclassering schat het recidiverisico zonder verder interventies als gemiddeld tot hoog in. De verdachte is tijdens zijn detentie behandeld met antipsychotica, waarna zijn psychotische klachten naar de achtergrond zijn verdwenen. Als er geen passende behandeling wordt geboden voor de onderliggende factoren die leiden tot de psychotische ontregeling, is de kans op een nieuwe psychotische ontregeling die een recidive tot gevolg kan hebben onverminderd aanwezig. Het is noodzakelijk dat de verdachte met een strak toezicht in de zorg komt. Daartoe is een klinische behandeling in een psychiatrische forensische kliniek nodig, waarna kan worden toegewerkt naar begeleid of beschermd wonen.
De reclassering adviseert daarom oplegging van tbs met voorwaarden en een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel, zodat ook als de tbs met voorwaarden is afgelopen kan worden gemonitord of de verdachte nog hulp en begeleiding nodig heeft. Aan de reclassering, de psycholoog en de psychiater heeft de verdachte aangegeven gemotiveerd te zijn zich aan de voorwaarden te houden.
De reclassering heeft van FPK Transfore vernomen dat de verdachte als tweede op de wachtlijst staat voor een klinische behandeling bij verslavingszorginstelling Tactus. Er is nog geen concreet zicht op uitstroom van de huidige cliëntpopulatie waardoor moeilijk in te schatten is wanneer de verdachte opgenomen zou kunnen worden. Er moet rekening gehouden worden met een termijn van meerdere maanden.
Als er moet worden gezocht naar een overbruggingsplek, is daar vier tot zes weken voor nodig, gerekend vanaf de datum van de uitspraak.
De reclassering heeft geadviseerd om, in geval van tbs met voorwaarden, de volgende voorwaarden op te leggen:
- geen strafbaar feit plegen;
- meewerken aan reclasseringstoezicht;
- meewerken aan time-out;
- niet naar het buitenland;
- opname in een zorginstelling;
- verbod op verdovende middelen;
- alcoholverbod
- dagbesteding
De reclassering heeft verzocht om de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren en om de voorlopige hechtenis te schorsen met ingang van de opname in de kliniek, zodat de voorlopige hechtenis bij overtreding van de voorwaarden van de tbs kan worden hervat.
De straf
De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de bewezen feiten en de recidive van de verdachte, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige tijd rechtvaardigen. Bij het bepalen van de duur daarvan heeft de rechtbank gelet op de Landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van de rechtspraak (LOVS) en op de straffen die rechtbanken in vergelijkbare zaken opleggen.
De rechtbank is verder van oordeel dat de rapporten van de psycholoog en de psychiater op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat hun gelijkluidende conclusie met betrekking tot de toerekenbaarheid wordt gedragen door een deugdelijke en inzichtelijke gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank neemt de conclusie van de deskundigen, dat het bewezenverklaarde de verdachte in sterk verminderde mate kan worden toegerekend, dan ook over. De rechtbank weegt dit in strafmatigende zin mee.
Alles afwegend vindt de rechtbank ten aanzien van beide bewezen feiten een gevangenisstraf van zes maanden, met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd, op zijn plaats. Tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet.
Tbs met voorwaarden
De rechtbank is het eens met de conclusie van de psycholoog, psychiater en reclassering dat hulpverlening en toezicht – in de vorm van tbs met voorwaarden – noodzakelijk is. De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij inziet dat hij hulp en begeleiding nodig heeft. Hij heeft zich bereid verklaard de geadviseerde voorwaarden na te leven.
De rechtbank stelt vast dat er in dit geval is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van tbs met voorwaarden: tijdens het begaan van de feiten 1 primair en 2 subsidiair bestond bij de verdachte een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, de feiten die de verdachte heeft begaan zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, en de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen eist het opleggen van deze maatregel. De rechtbank zal dan ook de terbeschikkingstelling van de verdachte gelasten en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden.
De rechtbank kan, op vordering van het Openbaar Ministerie, bevelen dat de ter beschikking gestelde alsnog van overheidswege zal worden verpleegd als de voorwaarden niet worden nageleefd. De bewezenverklaarde feiten zijn misdrijven die gericht zijn tegen, dan wel gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat een termijn van een eventuele maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging niet is beperkt tot vier jaar.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank acht het van belang, ook vanwege het gevaar voor recidive, dat de behandeling van de verdachte direct aansluitend aan zijn detentie zal aanvangen. De rechtbank zal daarom bepalen dat de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.
Geen opheffing van de voorlopige hechtenis
Artikel 72, derde lid, Sv bepaalt dat het bevel tot voorlopige hechtenis bij einduitspraak wordt opgeheven indien aan de verdachte noch een vrijheidsstraf van langere duur dan de reeds door hem in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, noch een maatregel welke vrijheidsbeneming medebrengt of kan meebrengen, onvoorwaardelijk is opgelegd. Gelet op het arrest van het hof Amsterdam van 15 augustus 2025 (ECLI:NL:GHAMS:2025:2733), moet een tbs-maatregel met voorwaarden (mede gelet op het in artikel 37b bepaalde) worden gezien als een onvoorwaardelijk opgelegde maatregel die vrijheidsbeneming kan meebrengen. De rechtbank is – nu zij tbs met voorwaarden zal opleggen – daarom niet gehouden om het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.
Schorsing voorlopige hechtenis
In plaats daarvan zal de rechtbank de voorlopige hechtenis schorsen vanaf het moment dat er een plek in de kliniek of een overbruggingsplek voor de verdachte beschikbaar is. De schorsing is dus niet met onmiddellijke ingang van kracht. Het met onmiddellijke ingang schorsen van dat bevel zou namelijk leiden tot een periode waarin de verdachte onbehandeld terugkeert in de samenleving en effectieve handhaving van de gestelde voorwaarden onvoldoende zeker gesteld kan worden. Een dergelijke situatie zou naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de problematiek van de verdachte en de noodzaak van behandeling, onverantwoorde risico’s voor de algemene veiligheid van personen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen en voor de gezondheid en veiligheid van de verdachte opleveren. De rechtbank zal het bevel tot voorlopige hechtenis daarom schorsen (onder dezelfde voorwaarden als gesteld in het kader van artikel 38 Sr Pro) met ingang van het tijdstip waarop de klinische behandeling van de verdachte in de beoogde zorginstelling start, dan wel een overbruggingsplek voor verdachte beschikbaar is.
Deze schorsing van de voorlopige hechtenis acht de rechtbank tevens nodig, omdat omzetting van de dadelijk uitvoerbare tbs met voorwaarden in een tbs met dwangverpleging (bij overtreding van de voorwaarden van de tbs) niet mogelijk is zolang dit vonnis niet onherroepelijk is. Als de verdachte dan de in het kader van de tbs te stellen voorwaarden (en daarmee de schorsingsvoorwaarden) niet naleeft terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, kan de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis worden bevolen. Op die manier kunnen ook in die situatie de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen worden gewaarborgd. De rechtbank verwijst in verband met het voorgaande naar het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1729 (ro. 6.4.2-6.5).
Geen gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel
De rechtbank zal geen gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel, als bedoeld in artikel 38z Sr, aan de verdachte opleggen. De rechtbank acht, net als de officier van justitie, de oplegging van deze maatregel niet noodzakelijk en wenselijk naast de oplegging van de gevangenisstraf en de behandeling die in het kader van de tbs met voorwaarden gedurende lange tijd kan plaatsvinden.

7.Vordering benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij [benadeelde] heeft namens de anoniem gebleven medewerker van [instelling] een vordering tot schadevergoeding van € 2.000,- ingediend wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en de schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank is van oordeel dat, nu een machtiging ontbreekt, niet kan worden vastgesteld dat de vordering tot schadevergoeding is ingesteld door een daartoe bevoegde vertegenwoordiger. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit te corrigeren, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
38, 38a, 45, 57, 241 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en (15-316202-25) 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de onder 1 primair en (15-316202-25) 2 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
ZES MAANDEN.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, en stelt daarbij de volgende voorwaarden betreffende zijn gedrag:
Algemene voorwaarden
1. De verdachte verleent ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
2. De verdachte maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.
Bijzondere voorwaarden

1. Meewerken aan reclasseringstoezicht

De verdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in dat de verdachte:
- zich meldt op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.
- een of meer vingerafdrukken laat nemen en een geldig identiteitsbewijs laat zien. Dit is nodig om de identiteit van de verdachte vast te stellen;
- zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
- de reclassering een actuele foto verstrekt waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze
foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;
- meewerkt aan huisbezoeken;
- de reclassering inzicht geeft in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door
andere instellingen of hulpverleners;
- zich niet op een ander adres vestigt zonder toestemming van de reclassering.
- meewerkt aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact
hebben met de verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.

2. Meewerken aan time-out

Als de reclassering dat nodig vindt en de verdachte daarmee instemt, kan de verdachte voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.

3. Niet naar het buitenland

De verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.

4. Opname in een zorginstelling

De verdachte laat zich opnemen en behandelen door een zorginstelling, nader te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start aansluitend aan de huidige detentie. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. Een onderdeel van de behandeling zal zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

5. Verbod verdovende middelen

De verdachte gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. De verdachte moet meewerken aan controles in de vorm van een urineonderzoek of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

6. Alcoholverbod

De verdachte gebruikt geen alcohol. De verdachte moet meewerken aan controles in de vorm van een urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

7. Dagbesteding

De verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van een passende dagbesteding in de vorm van (on)betaald werk of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur.

8. Aflossing schulden

De verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Betrokkene geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Geeft opdracht aan de reclassering bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.
Beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering.
Schorst de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het moment dat de klinische behandeling van de verdachte start, zoals hiervoor in voorwaarde 4 in dit vonnis omschreven, dan wel een overbruggingsplek voor hem beschikbaar is. Het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis is afzonderlijk opgemaakt.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. A. Buiskool, voorzitter,
mr. H. Bakker en mr. F.H.B. Budde, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.L. de Vries,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 juli 2026.