ECLI:NL:RBNHO:2026:8384

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
C/15/373143 / HA RK 25-200
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:453 BWArt. 196 lid 1 RvArt. 202 lid 2 Rv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek voorlopig deskundigenbericht medische aansprakelijkheid bij behandeling klaplong

Wijlen de heer [erflater] werd op 12 oktober 2023 opgenomen in het Dijklander Ziekenhuis met een acute klaplong. Tijdens de behandeling ontstonden complicaties zoals subcutaan emfyseem en verslechterde zijn toestand, waarna hij op 20 oktober 2023 overleed. De erfgenamen stelden Dijklander aansprakelijk wegens vermeende medische fouten, welke door Dijklander en haar verzekeraar werden afgewezen.

De rechtbank heeft het verzoek van de erfgenamen om een voorlopig deskundigenbericht toegekend om de zorgvuldigheid van de behandeling door een onafhankelijke longarts te laten beoordelen. Dr. J.P. Janssen is benoemd als deskundige. De vraagstelling is specifiek gericht op de behandeling van de heer [erflater] in oktober 2023, met nadruk op de professionele standaard en de medische handelingen rondom de drainplaatsing en het subcutaan emfyseem.

De rechtbank heeft procedurele regels vastgesteld voor het deskundigenonderzoek, waaronder het inzage- en blokkeringsrecht, de termijn voor het rapport, en de wijze van communicatie tussen partijen en deskundige. De kosten van het deskundigenonderzoek worden voorlopig door de Staat voorgeschoten vanwege toevoeging aan de erfgenamen. De zaak wordt aangehouden tot zes weken na ontvangst van het rapport om te bepalen of een bodemprocedure volgt.

Uitkomst: Verzoek om voorlopig deskundigenbericht toegewezen en onafhankelijke longarts benoemd voor beoordeling medische behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer / rekestnummer: C/15/373143 / HA RK 25-200
Beschikking van 18 juni 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van

1.[verzoekster sub 1] ,

2.
[verzoekster sub 2],
3.
[verzoeker sub 3],
alle optredend in hun hoedanigheid van erfgenamen van wijlen de heer [erflater] ,
hierna samen te noemen: [verzoekers] ,
verzoekende partijen,
advocaat: mr. R. van den Berg,
tegen

1.STICHTING DIJKLANDER ZIEKENHUIS,

te Hoorn,
hierna te noemen: Dijklander,
2.
ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ CENTRAMED B.A.,
te Zoetermeer,
hierna te noemen: Centramed,
verwerende partijen,
advocaat: mr. M. Roth.
De zaak in het kortWijlen de heer [erflater] werd op 12 oktober 2023 met een acute klaplong opgenomen in Dijklander, locatie Purmerend. Ter behandeling werd er bij hem een (thorax)drain geplaatst. De dagen erna ontwikkelde zich ophoping van lucht onder de huid en verslechterde zijn gezondheidssituatie. Op 15 oktober 2023 is hij overgeplaatst naar de intensive care op de locatie Hoorn van Dijklander. Daar is hij op 20 oktober 2023 overleden. [verzoekers] stellen zich op het standpunt dat Dijklander bij de medische behandeling verwijtbaar onzorgvuldig heeft gehandeld. Zij hebben Dijklander aansprakelijk gesteld. Dijklander en haar aansprakelijkheidsverzekeraar Centramed hebben de aansprakelijkheid afgewezen. [verzoekers] willen meer duidelijkheid over hun procespositie. Daarom willen zij een onafhankelijk deskundige - een longarts - naar deze zaak laten kijken. De rechtbank wijst het verzoek om een voorlopig deskundigenbericht toe.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties 1-9
- het verweerschrift met productie 1.
1.2.
Op 27 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waar zijn verschenen [verzoekers sub 2 en 3] , bijgestaan door mr. R. van den Berg, en namens verwerende partijen mr. M. Roth. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.
1.3.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank meegedeeld dat op 8 juli 2026 of zoveel eerder als mogelijk een beschikking zal volgen.

2.De feiten

2.1.
Wijlen de heer [erflater] is op 12 oktober 2023 met benauwdheidsklachten en acuut pijn op de borst per ambulance gebracht naar de Spoedeisende Hulp van Dijklander, locatie Purmerend. Hij bleek een volledige klaplong rechts (pneumothorax) te hebben. Ter behandeling werd bij hem een (thorax)drain geplaatst. Hij werd opgenomen op de verpleegafdeling.
2.2.
Op 13 oktober 2023 had wijlen de heer [erflater] last van pijnklachten. Er was sprake van ophoping van lucht onder de huid (subcutaan emfyseem). Op 14 oktober 2023 ontwikkelde dit zich verder. In de avond heeft de verpleegkundige tweemaal telefonisch overlegd met de longarts. De longarts schatte in dat de situatie niet zorgwekkend was, omdat het subcutaan emfyseem doorgaans niet levensbedreigend is. Tijdens het tweede contact werd afgesproken dat de verpleging opnieuw contact met de longarts moest zoeken als de zuurstofbehoefte verder zou toenemen.
2.3.
Tegen middernacht werd wijlen de heer [erflater] erg benauwd. Zijn toestand verslechterde. Hij belandde in een reanimatiesetting waarna hij niet bij bewustzijn is gekomen. Na de reanimatie heeft een longarts tevergeefs geprobeerd een dikkere drain in te brengen.
2.4.
Op 15 oktober 2023 is wijlen de heer [erflater] overgeplaatst naar de intensive care op de locatie Hoorn van Dijklander. Daar waren uitgebreidere mogelijkheden voor een drainplaatsing, voor het geval de huidige drain moeilijkheden zou geven.
2.5.
De situatie van wijlen de heer [erflater] verbeterde niet. Er bleek sprake te zijn van hersenschade na de reanimatie. Op 20 oktober 2023 werd de behandeling gestaakt en is wijlen de heer [erflater] in het bijzijn van zijn familie overleden.
2.6.
Op 19 oktober 2023 heeft een intensivist melding gemaakt van een mogelijke calamiteit op de verpleegafdeling Longgeneeskunde, locatie Purmerend. Een zogeheten SIRE-commissie heeft vervolgens onderzoek gedaan naar de gemelde calamiteit.
2.7.
Deze commissie heeft in een calamiteitenrapportage van februari 2024 vastgesteld dat ondanks toename van de klinische klachten door forse toename van subcutaan emfyseem in hals en gelaat van wijlen de heer [erflater] , geen aanvullend onderzoek heeft plaatsgevonden. Zijn klinische situatie heeft de longarts alleen beoordeeld op basis van de mate van luchtlekkage van de thoraxdrainage, ondanks de zorgen van de verpleegkundige. Fysiek onderzoek of aanvullende diagnostiek bleef uit ondanks de klinische achteruitgang van wijlen de heer [erflater] . De commissie heeft daarop aanbevelingen gedaan die de raad van bestuur van Dijklander heeft overgenomen.
2.8.
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd heeft op 29 februari 2024 bericht aan Dijklander dat zij vindt dat Dijklander de melding van de calamiteit zorgvuldig heeft onderzocht en voldoende verbetermaatregelen heeft getroffen.
2.9.
De advocaat van [verzoekers] heeft bij brief van 1 mei 2024 Dijklander aansprakelijk gesteld. Volgens [verzoekers] heeft Dijklander medische fouten gemaakt bij de behandeling van wijlen de heer [erflater] als gevolg waarvan hij uiteindelijk is komen te overlijden.
2.10.
Dijklander c.q. haar medisch aansprakelijkheidsverzekeraar Centramed heeft geen aansprakelijkheid erkend, omdat van medisch onzorgvuldig handelen geen sprake is.

3.De beoordeling

Het verzoek voor een voorlopige bewijsverrichting [1]
3.1.
[verzoekers] verzoeken om een voorlopig deskundigenbericht om de zorgvuldigheid van de behandeling door Dijklander door een onafhankelijk deskundige
- een longarts - te laten beoordelen. Verwerende partijen voeren geen verweer tegen dit verzoek als zodanig.
3.2.
Voor de rechtbank zijn er ook geen redenen om het verzoek van [verzoekers] niet toe te staan. Het verzoek voldoet aan de eisen van de wet en zal daarom worden toegewezen, met inachtneming van wat hierna wordt overwogen.
Benoeming van een longarts als deskundige
3.3.
Partijen zijn het eens zijn over de benoeming van dr. J.P. Janssen (hierna: Janssen), longarts en verbonden aan Expertise Centrum MediLibra. Janssen heeft (ook) als aandachtsgebied pneumothorax.
3.4.
De griffier van de rechtbank heeft Janssen (via Expertise Centrum MediLibra) benaderd met de vraag of hij vrij staat ten opzichte van partijen en bereid is als deskundige op te treden. Janssen heeft hierop bevestigend geantwoord. De rechtbank zal daarom tot benoeming van Janssen als deskundige overgaan.
Vraagstelling
3.5.
Partijen stellen de rechtbank voor om aansluiting te zoeken bij de methodiek die in de rechtspraak wordt gebruikt voor de vraagstelling bij deskundigenberichten in medische zaken. De rechtbank zal dit doen. Eerst zal aan de deskundige worden gevraagd hoe de geneeskundige behandeling in het algemeen hoort te gaan en daarna zal worden gevraagd hoe de geneeskundige behandeling in dit geval is gegaan. De beschrijving van de behandeling volgens de medisch professionele standaard kan zo worden vergeleken met de daadwerkelijk verrichte behandeling. Daardoor kan worden beoordeeld of de handelwijze van Dijklander, in dit bijzonder van de behandelend longarts, overeenkomstig de norm van artikel 7:453 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is.
3.6.
[verzoekers] stellen in dit verband een algemene vraagstelling voor. Zij vragen of de deskundige kan beschrijven waaruit ‘voor de verschillende stadia van de geneeskundige behandeling zoals verricht bij wijlen de heer [erflater] in de periode 12 oktober 2023 tot en met 20 oktober 2023’ deze behandeling moet bestaan volgens de binnen de beroepsgroep bestaande professionele standaard. Daarnaast vragen zij de deskundige een beschrijving te geven van ‘de verschillende stadia van de geneeskundige behandeling zoals verricht bij wijlen de heer [erflater] in de periode 12 oktober 2023 tot en met 20 oktober 2023’.
3.7.
Daarmee is de vraagstelling naar het oordeel van de rechtbank zodanig ruim geformuleerd dat dit onduidelijkheid bij de deskundige kan geven. De rechtbank volgt verwerende partijen in hun standpunt dat een specifiekere vraagstelling in deze zaak aangewezen is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [verzoekers] hun verwijten aan Dijklander concreet hebben verwoord in onder meer de aansprakelijkstelling. De gestelde medische fouten houden, kort gezegd, in dat de longarts in de avond van 14 oktober 2023 naar het ziekenhuis had moeten komen voor aanvullende diagnostiek en behandeling vanwege subcutaan emfyseem (zodat hij had kunnen constateren dat de drain niet optimaal functioneerde) én dat er in de nacht van 15 oktober 2023 medisch onzorgvuldig is gehandeld rondom de pogingen tot het plaatsen van een dikkere drain. De rechtbank vindt het van belang dat over deze punten duidelijke antwoorden komen van de deskundige.
3.8.
Aan de deskundige zullen de in de beslissing vermelde vragen worden voorgelegd. Daarbij heeft de rechtbank aangesloten bij de voorgestelde vraagstelling van de verwerende partijen, met enige aanpassingen.
De vraag over de onpartijdigheid van de deskundige laat de rechtbank achterwege omdat de deskundige deze vraag al heeft beantwoord in de voorfase waarin hij door de griffier is benaderd (zie hiervoor onder 3.4).
De rechtbank zal de inleidende opmerkingen zoals voorgesteld door [verzoekers] bij de vraagstelling opnemen. Daarmee wordt het onderscheid tussen informatie over de feitelijke gang van zaken en een oordeel over aansprakelijkheid toegelicht en wordt uitgelegd wat onder het begrip medisch professionele standaard moet worden verstaan. Bij de vraag of de behandeling voldoet aan die standaard wordt de deskundige er nog eens op gewezen dat hij deze vraag zo feitelijk mogelijk moet beantwoorden.
Verder vindt de rechtbank het - net als [verzoekers] - van belang dat de deskundige zich uitlaat over de vraag of er medisch wetenschappelijke uiteenlopende opvattingen bestaan wat betreft de behandeling van iemand die zich presenteert met een acute pneumothorax en, zo ja, in welk opzicht de opvattingen uiteenlopen en achter welke opvatting de deskundige staat.
Tot slot vindt de rechtbank het wenselijk dat de deskundige de vrijheid heeft om nog andere opmerkingen over de zaak te maken die van belang zouden kunnen zijn voor de beoordeling van deze zaak. Daarom zal de rechtbank voor de slotvraag aansluiten bij het voorstel van [verzoekers] .
3.9.
De rechtbank benadrukt nog dat de vragen beantwoord moeten worden naar de kennis ten tijde van de opname (oktober 2023) en dat de deskundige zich behoedt voor de valkuil van de ‘hindsight bias’, de verkregen kennis achteraf.
De stukken die de deskundige moet krijgen
3.10.
De rechtbank zal bepalen dat [verzoekers] de deskundige voorzien van de processtukken en dat de griffier een kopie van deze beschikking aan de deskundige toestuurt. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen de deskundige inzage zullen geven in alle stukken die hij voor het verrichten van het onderzoek belangrijk vindt.
Het deskundigenonderzoek
3.11.
Het is aan de deskundige om te bepalen op welke wijze hij het onderzoek inricht.
In het kader van hoor en wederhoor zullen partijen in elk geval na de opstelling van het concept-rapport in de gelegenheid worden gesteld om opmerkingen te maken en verzoeken te doen en de deskundige zal daarop - binnen het kader van de onderzoeksvragen - weer gemotiveerd reageren.
Het inzage- en blokkeringsrecht geldt voor dit onderzoek niet
3.12.
Voor het deskundigenonderzoek geldt het inzage- en blokkeringsrecht niet. Het inzage- en blokkeringsrecht dient ter bescherming van het recht op privacy van de persoon op wie het onderzoek betrekking heeft. Dit is een persoonlijk recht dat door het overlijden van de betrokkene niet overgaat op zijn erfgenamen. [verzoekers] kunnen daarom dus niet in plaats van wijlen de heer [erflater] een beroep doen op het inzage- en blokkeringsrecht.
De kosten van het voorschot worden door de Staat voorgeschoten
3.13.
De deskundige heeft het voorschot begroot op een bedrag van € 8.415,55 (inclusief btw). De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van de wet dat het voorschot op de kosten van de deskundige in beginsel door de verzoekende partij moet worden gedeponeerd. Dit voorschot zal daarom door [verzoekers] moeten worden betaald. Omdat zij met een toevoeging procederen, zal echter aan hen geen voorschot worden opgelegd. De kosten van het deskundigenonderzoek worden eerst door de Staat voorgeschoten. Pas nadat de rechtbank het rapport van de deskundige heeft ontvangen, zal in principe beslist worden wie van partijen de kosten van de deskundige moet betalen aan de griffier. Dit is alleen anders als tussen partijen een bodemprocedure volgt waarin het rapport van de deskundige een rol speelt. Dan kunnen de kosten daarvan namelijk via de proceskostenbeslissingen in de bodemprocedure worden afgewikkeld.
3.14.
Om na ontvangst van het voorlopig deskundigenbericht te kunnen beoordelen of een beslissing genomen moet worden over wie de kosten van het deskundigenonderzoek moet betalen, zal de rechtbank tegen die tijd geïnformeerd moeten worden of tussen partijen een bodemprocedure loopt. Partijen hebben daarvoor zes weken de tijd nadat de deskundige het deskundigenrapport bij de rechtbank heeft ingeleverd.
Slotopmerkingen
3.15.
De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal de verschillende verplichtingen van partijen opnemen in de beslissing. Voldoet een partij niet aan een van deze verplichtingen, dan kan de rechter daaraan conclusies verbinden die hij daarbij vindt passen.
3.16.
Als een partij op verzoek van de deskundige of op eigen initiatief contact heeft met de deskundige, moet dat schriftelijk gebeuren, steeds meteen met een kopie aan de andere partij.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:
Inleiding
Uw onderzoek(s-rapport) heeft als doel dat de rechter/jurist over het handelen van de betrokken arts kan oordelen; is er juist gehandeld door de arts? Het handelen van de betrokken arts moet de rechter toetsen aan een norm die geduid wordt als de norm van het goed hulpverlenerschap. Die norm vereist kennis van de medisch professionele standaard en de manier waarop de betrokken arts de geneeskundige behandeling heeft verricht. Om die toets te kunnen doen, is het noodzakelijk dat de rechter door u als medische deskundige wordt voorgelicht, om zo voorzien te worden van feitelijke informatie over de medische praktijk en het handelen van de betrokken arts. U wordt als medisch deskundige niet gevraagd om te oordelen over de aansprakelijkheid. Bij uw beoordeling moet u dan ook uitgaan van objectieve maatstaven. Leeftijd, rang en ervaring van de arts zijn voor de toets niet van belang. In dit kader worden u onderstaande vragen gesteld. Het zal niet mogelijk zijn om alle vragen met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te geven. Wel wordt gevraagd of u, vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied, de geformuleerde vragen wilt beantwoorden, naar de stand van de wetenschap op het moment waarop de geneeskundige behandeling plaats had, uw antwoorden te motiveren en zo mogelijk te verwijzen naar relevante literatuur. Het begrip ‘medisch professionele standaard’ moet u steeds opvatten als het geheel van regels en normen waaraan de hulpverlener is gehouden, die blijken uit de opleiding(s-eisen) voor medici, inzichten en ervaring uit de geneeskundige praktijk, wetenschappelijke literatuur, protocollen en gedragsregels.
Vraag 1
Beschikt u over voldoende gegevens om de casus te beoordelen? Zo nee, wilt u de door u benodigde gegevens dan opvragen en een afschrift van de opgevraagde gegevens als bijlage voegen bij uw rapport?
Vraag 2
Wilt u op basis van het medisch dossier een beknopte chronologische beschrijving geven van het beloop van de geneeskundige behandeling bij Dijklander zoals verricht bij wijlen de heer [erflater] ?
Hoe hoort het in het algemeen te gaan?
Vraag 3a
Kunt u aangeven welke onderzoeken en/of behandelingen binnen uw beroepsgroep gebruikelijk zijn als iemand zich presenteert met een acute pneumothorax? Wilt u daarbij zo veel als mogelijk verwijzen naar richtlijnen, protocollen en literatuur en wilt u bij deze verwijzing de (digitale) vindplaats noteren?
Vraag 3b
Bestaan er medisch wetenschappelijke uiteenlopende opvattingen wat betreft de behandeling van iemand die zich presenteert met een acute pneumothorax?
Als u deze vraag bevestigend heeft beantwoord:
1. Kunt u in hoofdlijnen uiteenzetten in welk opzicht de meningen uiteenlopen (voor zover mogelijk met verwijzing naar literatuur)?
2. Wat is uw eigen opvatting?
Vraag 4
Kunt u aangeven op welke wijze een drain dient te worden geplaatst (ligging/positie) en op welke wijze het functioneren van de drain gecontroleerd moet worden wanneer sprake is van een pneumothorax?
Kunt u hierbij ook ingaan op het soort drain dat gebruikt dient te worden?
Vraag 5Kunt u aangeven wanneer subcutaan emfyseem aanleiding is voor een longarts om:
a. a) Een patiënt nader te onderzoeken en waar de diagnostiek dan uit bestaat.
b) Nader actie te ondernemen en welke actie dan gebruikelijk is conform de professionele standaard.
Vraag 6Kunt u aangeven in welke situaties er conform de professionele standaard een indicatie bestaat om over te gaan tot plaatsing van een dikkere drain en/of gebruik van een decompressienaald bij een patiënt met pneumothorax?
Wilt u hierbij ook beschrijven welke omstandigheden (risicofactoren verbonden aan de patiënt) een rol spelen in deze beoordeling?
Hoe is het in dit geval gegaan?
U moet de hierna vermelde vragen of het handelen volgens de professionele standaard is gegaan zo feitelijk mogelijk beantwoorden. U hoeft niet aan te geven in hoeverre een eventuele afwijking aanvaardbaar, redelijk of verwijtbaar is.
Vraag 7
Kunt u aangeven of de behandelend arts(en) volgens de op dat moment geldende professionele standaard heeft (hebben) gehandeld, nadat wijlen de heer [erflater] zich in het ziekenhuis had gemeld met een acute pneumothorax?
Wilt u hierbij ook specifiek, maar niet limitatief, ingaan op de benodigde en gebruikte hulpmiddelen (drain/naald), waaronder plaatsing van de drain, de soort drain die gebruikt is en de controles inclusief verplaatsing van de drain.
Vraag 8
Bent u van mening dat alle omstandigheden in deze casus, waaronder het subcutaan emfyseem en de telefonische overleggen met de verpleegkundige, op 14 oktober 2023 aanleiding hadden moeten zijn voor de longarts om;
a. a) wijlen de heer [erflater] zelf (aan het bed) te zien?
b) andersoortig diagnostiek of behandeling in te zetten en zo ja, wat voor diagnostiek en/of behandeling?
Vraag 9
Kunt u beschrijven op welke wijze de drain bij wijlen de heer [erflater] is geplaatst, hoe deze gefunctioneerd heeft en kunt u hierbij ook beoordelen of de controles en ondernomen acties ten aanzien van die drain conform de professionele standaard zijn geweest?
Vraag 10
Bent u van mening dat de mislukte poging(en) om een dikkere drain te plaatsen na de reanimatiesetting te wijten is (zijn) aan handelen dat niet te kwalificeren is als conform de professionele standaard?
Vragen 11 en 12 behoeven alleen beantwoord te worden indien u bij vraag 7-10 tot de conclusie komt dat er niet conform de professionele standaard is gehandeld.
Vraag 11
Als er niet volgens de professionele standaard is gehandeld, kunt u dan aangeven in hoeverre dat niet is gebeurd en hoe er anders had moeten en kunnen worden gehandeld? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Vraag 12
Kunt u aangeven in hoeverre het niet handelen conform de professionele standaard bij heeft gedragen aan het beloop, meer specifiek de reanimatiesetting en het overlijden van wijlen de heer [erflater] ?
Kunt u hierbij een vergelijking maken met de situatie waarin er wel conform de professionele standaard zou zijn gehandeld? Kunt u gemotiveerd aangeven hoe groot u in dat geval de kans acht dat wijlen de heer [erflater] niet zou zijn overleden? Kunt u dit - zo mogelijk - uitdrukken in een percentage, eventueel rekening houdend met een marge? Als een percentage niet mogelijk is kunt u die kans dan uitdrukken in één van de volgende termen; zeker, zeer groot, groot, klein, zeer klein, verwaarloosbaar klein?
Vraag 13
Heeft u nog opmerkingen die van belang zouden kunnen zijn voor de beoordeling van deze zaak?
4.2.
benoemt tot deskundige:
dr. J.P. Janssen
longarts en verbonden aan Expertise Centrum MediLibra
postbus 6005, 5002 AA Tilburg
telefoon: 088-006 28 50
e-mailadres: expertises@medilibra.nl
4.3.
bepaalt dat de griffier een kopie van deze beschikking aan de deskundige zal toezenden,
4.4.
bepaalt dat de verdere processtukken van deze procedure zo spoedig mogelijk aan de deskundige moeten worden toegestuurd door [verzoekers] ,
het voorschot
4.5.
stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op € 8.415,55 (inclusief btw),
4.6.
legt aan [verzoekers] geen voorschot op, omdat aan hen een toevoeging is verleend,
4.7.
draagt de griffier op om als het voorschot is betaald (voorlopig in debet is gesteld) de deskundige daarvan meteen op de hoogte te stellen en hem te bevestigen dat met het onderzoek kan worden begonnen,
het onderzoek
4.8.
bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,
4.9.
wijst de deskundige er op dat:
-hij voor aanvang van het onderzoek kennis moet nemen van de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken, van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (beide te raadplegen op www.rechtspraak.nl) en van de Richtlijn voor gebruik van AI-toepassingen door gerechtelijk deskundigen (te raadplegen op www.lrgd.nl),
-hij het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot aanvangt,
-hij het onderzoek onmiddellijk staakt en contact opneemt met de griffier, als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,
- de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het schriftelijk bericht vermeldt of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken,
4.10.
bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige moeten verstrekken indien deze daarom verzoekt, de deskundige toegang moeten verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid moeten geven tot het verrichten van het onderzoek,
het schriftelijk rapport
4.11.
draagt de deskundige op om uiterlijk
drie maandenna het bericht van de griffier over de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, met een gespecificeerde declaratie,
4.12.
wijst de deskundige er op dat:
-uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,
-de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toesturen, waarna partijen de gelegenheid krijgen binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,
4.13.
bepaalt dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben om op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,
na indiening van het rapport
4.14.
houdt de zaak aan tot zes weken na inlevering op de griffie van het deskundigenbericht, om partijen de gelegenheid te geven schriftelijk te laten weten of tussen partijen een procedure aanhangig is over een vordering waarmee het rapport van de deskundige samenhangt, én bepaalt dat binnen vier weken daarna een beslissing zal worden gegeven als bedoeld in artikel 202 lid 2 Rv Pro als geen bodemprocedure is gestart.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.S. Reid en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.
ST/JR

Voetnoten

1.artikel 196 lid 1 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).