ECLI:NL:RBNHO:2026:8417

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
HAA 26/3334
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbArtikel 9 Regeling opvang ontheemden Oekraïne
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen overplaatsing opvang ontheemde Oekraïner

Verzoeker, een ontheemde Oekraïner die sinds juli 2022 in een opvanglocatie in Purmerend verblijft, verzocht om een voorlopige voorziening tegen zijn overplaatsing naar een opvanglocatie in Middenbeemster. Hij stelde dat zijn psychische problematiek, medische situatie en de aanwezigheid van huisdieren onvoldoende waren meegewogen door het college. Ook wees hij op het belang van zijn sociale netwerk en praktische ondersteuning in de huidige opvang.

Het college stelde dat de overplaatsing noodzakelijk is vanwege het tekort aan opvangplekken en dat de nieuwe locatie geschikt is voor verzoeker en zijn huisdieren. De voorzieningenrechter oordeelde dat het college voldoende heeft gemotiveerd waarom de overplaatsing noodzakelijk is en dat het belang van het organiseren van opvang zwaarder weegt dan het belang van verzoeker om niet te verhuizen.

De medische informatie van verzoeker was onvoldoende om te concluderen dat de verhuizing niet mogelijk is. Ook is het college bereid verzoeker te ondersteunen bij de verhuizing. De voorzieningenrechter concludeerde dat de overplaatsing naar alle waarschijnlijkheid in bezwaar in stand zal blijven en wees het verzoek om voorlopige voorziening af.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de overplaatsing van verzoeker wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/3334

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit Purmerend, verzoeker
en

de burgemeester van de gemeente Purmerend, het college,gemachtigde: mr. L.C. Dankbaar.

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker in verband met zijn overplaatsing naar een nieuwe opvanglocatie op 6 juli 2026. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter.
1.2.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.3.
Verzoeker verblijft samen met zijn hond en kat sinds juli 2022 in een meerpersoonskamer op de opvanglocatie BurgGolf in Purmerend.
1.4.
Met het besluit van 25 juni 2026 heeft het college verzoeker laten weten dat hij op 6 juli 2026 zal worden overgeplaatst naar een nieuwe opvanglocatie in Middenbeemster. Verzoeker heeft tussen 2 juli 2026 en 6 juli 2026 de tijd om te verhuizen. Verzoeker heeft hiertegen op 25 juni 2026 bezwaar gemaakt.
1.5.
Verzoeker heeft de voorzieningenrechter op 30 juni 2026 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat de overplaatsing wordt opgeschort gedurende de behandeling van het bezwaar. Hij verwijst naar zijn medische situatie, zijn behandeling, zijn huisdieren en op concrete alternatieven binnen de huidige opvangplek.
1.6.
Het college heeft op verzoek van de voorzieningenrechter hierop op 2 juli 2026 gereageerd en de op de zaak betrekking hebbende gedingstukken ingediend. Verzoeker heeft hierop op 2 juli 2026 gereageerd.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Nog afgezien van de beantwoording van de vraag of sprake is van een spoedeisend belang, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening nu de overplaatsing van verzoeker door verweerder naar een andere opvanglocatie naar alle waarschijnlijkheid in bezwaar in stand zal kunnen blijven. Daartoe overweegt zij als volgt.
Standpunt verzoeker
3.1.
Verzoeker stelt zich op het standpunt dat sprake is van trauma- en stressgerelateerde klachten, stemmingsstoornissen en ernstige psychische problematiek. Hij gebruikt dagelijks voorgeschreven medicatie. Als gevolg van het besluit tot overplaatsing zijn zijn klachten toegenomen. Vanwege zijn problematiek ontvangt hij een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) en kan hij niet werken. Hiermee is volgens verzoeker onvoldoende rekening gehouden. Overplaatsing kan langdurige of moeilijk herstelbare gevolgen hebben voor zijn psychische gezondheid en de behandeling. Op 14 juli 2026 heeft hij een intakegesprek bij PsyQ. De mogelijke gevolgen van de overplaatsing zijn volgens verzoeker dan ook nog niet beoordeeld. Hij stelt dat het college verzoekers medische situatie niet heeft onderzocht. Ter onderbouwing van zijn medische situatie heeft verzoeker informatie van de huisarts van 7 april 2026, waaronder zijn medicatieoverzicht overgelegd en de uitnodiging voor het intakegesprek bij PsyQ.
3.2.
Daarnaast heeft het college volgens verzoeker geen rekening gehouden met de omstandigheid dat hij al vier jaar in de huidige opvang verblijft en daar een stabiele sociale omgeving heeft opgebouwd. In de nieuwe opvanglocatie beschikt hij niet over een sociaal netwerk of praktische ondersteuning, terwijl dit gelet op zijn psychische problematiek van groot belang is.
3.3.
Volgens verzoeker is door het college onvoldoende onderbouwd dat de aangeboden kamer voor hem geschikt is. Er is geen informatie over de ruimte gegeven en geen rekening gehouden met het feit dat hij een hond van 30 kg heeft en een kat. De gevolgen van de overplaatsing voor de dieren zijn ook door het college niet beoordeeld.
3.4.
Voor overplaatsing is volgens hem ook geen reden. Zijn hond heeft geen problemen veroorzaakt op de huidige locatie en heeft inmiddels een training en opvoedtraject doorlopen. Daarbij komt dat het college verzoeker heeft laten weten dat hij kon blijven als hij een kamergenoot zou vinden. Dat is hem gelukt. Verzoeker stelt dat het college nu deze voorwaarde heeft gewijzigd in dat er meerdere kamergenoten nodig zouden zijn. Volgens verzoeker zijn er verder andere minder ingrijpende alternatieven mogelijk, zoals bijvoorbeeld een kleinere kamer binnen de huidige opvanglocatie of een andere indeling van de kamer.
Standpunt van het college
4. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het tekort aan opvangplekken in de gemeente en in het land zodanig is dat hij het zich niet kan veroorloven om plekken onbenut te laten. Het college benadrukt in zijn reactie dat verzoeker wordt overgeplaatst naar een andere opvanglocatie en dat hij uitdrukkelijk niet uit de opvang wordt gezet. De plek waar verzoeker naartoe wordt overgeplaatst, voldoet aan de eisen waaraan een opvangplek moet voldoen en is geschikt voor zijn twee huisdieren. De huidige kamer waar verzoeker met zijn huisdieren verblijft, is geschikt voor maximaal vier personen. Door de onveilige situatie die de hond voor anderen veroorzaakt, kan het college geen andere mensen op de kamer opvangen. Dat verzoeker iemand heeft gevonden die tegen de aanwezigheid van de hond geen bezwaar heeft, is niet voldoende omdat er maximaal vier personen kunnen verblijven. Ook kan niet voor de veiligheid van de kamergenoot worden ingestaan. Dat verzoeker vanwege zijn psychische klachten niet zou kunnen verhuizen, volgt het college niet. Het college ziet ook niet in waarom een eenpersoonskamer vanwege zijn psychische klachten niet geschikt zou zijn. Daarbij geeft het college aan dat verzoeker in het geval dat hij vanwege psychische klachten of om financiële redenen niet in staat is om de verhuizing zelf te organiseren, ondersteuning van het college kan krijgen.
Oordeel voorzieningenrechter
5.1.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het college afdoende heeft gemotiveerd waarom hij verzoeker naar een andere opvanglocatie wil verplaatsen. Artikel 9 van Pro de Regeling opvang ontheemden Oekraïne biedt hiervoor de grondslag. Het college heeft naar voorlopig oordeel het belang om de opvang van ontheemde Oekraïners op orde te krijgen en tegemoet te komen aan de toenemende vraag naar opvang zwaarder mogen laten wegen dan het belang van verzoeker om hem niet over te plaatsen.
5.2.
Vooralsnog ziet de voorzieningenrechter in wat verzoeker heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college in zijn geval niet tot overplaatsing over had mogen gaan. De enkele stelling dat zijn hond inmiddels training en een opvoedtraject zou hebben doorlopen, is daarvoor onvoldoende. Dat de nieuwe opvanglocatie niet geschikt zou zijn voor verzoeker is verder niet gebleken. Zoals is toegelicht, voldoet de plek waar verzoeker naartoe wordt overgeplaatst aan de eisen waaraan een opvangplek moet voldoen en is deze ook geschikt voor zijn huisdieren. De door verzoeker overgelegde informatie, waaronder die van de huisarts, is onvoldoende voor een ander oordeel. Weliswaar blijkt daar wel uit dat verzoeker medische problemen heeft, maar daaruit volgt nog niet dat de verhuizing naar de nieuwe opvangplek voor verzoeker niet mogelijk is. Daarbij komt dat het college heeft aangeboden om verzoeker (financieel) bij de verhuizing te ondersteunen. Evenmin volgt uit de informatie dat de nieuwe plek voor hem ongeschikt zou zijn. Het is aan het college om te beoordelen of daartoe nader onderzoek in bezwaar is vereist.

Conclusie en gevolgen

6. De conclusie van de voorzieningenrechter is daarom dat de overplaatsing in bezwaar naar alle waarschijnlijkheid in stand zal kunnen blijven. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.