ECLI:NL:RBNHO:2026:8429

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
HAA 24/7901
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen uitschrijving dochters uit basisregistratie personen wegens termijnoverschrijding

Eiser maakte bezwaar tegen de ambtshalve uitschrijving van zijn dochters uit de basisregistratie personen vanwege vertrek naar Rusland. Het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer handhaafde dit besluit bij besluit van 26 augustus 2024. Eiser stelde bijna twee maanden te laat beroep in tegen dit besluit, waardoor de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaarde.

De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze was bekendgemaakt aan de gemachtigde van eiser, zowel per e-mail als per aangetekende brief. Hoewel de brief niet werd afgehaald, was de e-mail met de beslissing op bezwaar wel ontvangen. De ingebrekestelling van eiser was onvoldoende om de verzending te betwijfelen. Eiser voerde geen gegronde redenen aan waarom de termijnoverschrijding hem niet kon worden toegerekend.

Verder stelde eiser een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn op grond van artikel 6 EVRM Pro. De rechtbank stelde vast dat de totale duur van bezwaar en beroep, vermeerderd met de niet verschoonbare vertraging van eiser, de termijn van twee jaar niet overschreed. Daarom werd het verzoek afgewezen.

Omdat het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard, behandelde de rechtbank het inhoudelijke geschil niet en wees zij het verzoek om griffierechtteruggave en proceskostenvergoeding af. Partijen werden gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de uitschrijving is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/7901
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit Badhoevedorp, eiser

(gemachtigde A. van Velsen),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer

(gemachtigden: mr. E.J.P. Huijbregts en mr. R.E. Laman).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de ontvankelijkheid van het beroep van eiser met betrekking tot de uitschrijving van twee dochters van eiser uit de basisregistratie personen wegens vertrek naar Rusland.
Bij besluit van 8 april 2024 heeft het college deze uitschrijving ambtshalve verricht. Met het in beroep bestreden besluit van 26 augustus 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.
De rechtbank heeft eiser schriftelijk verzocht om toe te lichten waarom hij zijn beroepschrift na afloop van de beroepstermijn heeft ingediend. Eiser heeft hierop een schriftelijke reactie aan de rechtbank gestuurd.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft daarna nadere stukken ingediend en daarbij verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voor een uitspraak.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van het college, vergezeld door stagiair [naam] .
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Gronden van de beslissing

1. Voor het indienen van een beroepschrift geldt op grond van de Algemene wet bestuursrecht een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het bestreden besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat is in deze zaak de dag na de dag waarop het bestreden besluit aan eiser is toegezonden. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Wanneer een beroepschrift te laat is ingediend, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk, tenzij het niet tijdig indienen van het beroepschrift niet verwijtbaar is.
2. Het bestreden besluit dateert van 26 augustus 2024 en is op 27 augustus 2024 zowel per aangetekende brief als per e-mail aan de gemachtigde van eiser gezonden. De laatste dag voor het instellen van beroep was dus op 8 oktober 2024. Eiser heeft bijna twee maanden later, op 2 december 2024, beroep ingesteld. Eiser betwist dat zijn gemachtigde de aangetekende brief en de e-mail heeft ontvangen.
3. De e-mail is verzonden aan het mailadres van de gemachtigde van eiser. Uit deze mail blijkt dat de beslissing op bezwaar ook per aangetekende brief is verzonden. Een van de bijlagen bij de mail is namelijk een track-and-tracecode van de aangetekende zending. Het college heeft toegelicht dat een afhaalbericht bij de gemachtigde van eiser is achtergelaten, omdat hij bij het aanbieden van de brief niet aanwezig bleek te zijn, en dat de brief later wegens niet afhalen is teruggestuurd. Het is de verantwoordelijkheid van de geadresseerde om een poststuk af te halen. Los hiervan heeft de gemachtigde van eiser ook per e-mail van de beslissing op bezwaar kennis kunnen nemen. De door eiser op 12 november 2024 ingediende ingebrekestelling omdat volgens eiser toen nog geen besluit op bezwaar zou zijn toegezonden, geeft geen aanleiding om de verzending op 27 augustus 2024 te betwijfelen. Het college heeft deze ingebrekestelling bovendien afgewezen, zoals eiser ter zitting heeft erkend. Eiser heeft verder geen argumenten aangevoerd waarom het te laat indienen van het beroepschrift hem niet kan worden aangerekend. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
4. Bij de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geldt dat in beginsel geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn indien de fases van bezwaar en beroep gezamenlijk niet langer dan twee jaar hebben geduurd. In bijzondere omstandigheden kan de termijn worden verlengd. In deze zaak doet zich een bijzondere omstandigheid voor. Eiser heeft immers zelf voor vertraging gezorgd door 55 dagen, niet verschoonbaar, te laat beroep in te stellen. Deze 55 dagen moeten bij de termijn van twee jaar worden opgeteld. De termijn ving aan met de ontvangst van het bezwaar door het college op 21 mei 2024. Met de uitspraak van heden wordt de termijn van twee jaar en 55 dagen niet overschreden. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen.
5. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is, wordt de ambtshalve wijziging van het adres van de dochters van eiser niet inhoudelijk behandeld. Om dezelfde reden krijgt eiser het griffierecht niet terug. Wegens de niet-ontvankelijkheid van het beroep en de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding krijgt hij ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
6. Partijen zijn bij de mondelinge uitspraak gewezen op de mogelijkheid om daartegen in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026 door mr. drs. J. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. I.W. Neleman, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.