ECLI:NL:RBNHO:2026:8444

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
HAA 25/3662
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.28 OmgevingswetArt. 5:39 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging last onder dwangsom en invordering wegens nalaten onderhoud rijksmonument

Eiser, middellijk aandeelhouder en bestuurder van de eigenaar van een rijksmonument, kreeg op 5 februari 2025 een last onder dwangsom opgelegd wegens het niet uitvoeren van noodzakelijk onderhoud aan het monument. De dwangsom bedroeg in totaal €172.000,- en was gericht op herstel van dakbedekking, vloerconstructie en elektrische installatie.

Eiser voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder schending van de hoorplicht, onduidelijkheid over de besluiten, onterecht aanmerken als overtreder, misbruik van handhavingsbevoegdheid en excessieve hoogte van de dwangsom. De rechtbank oordeelde dat de hoorplicht niet was geschonden, de besluiten niet onduidelijk waren en eiser terecht als overtreder werd aangemerkt vanwege zijn feitelijke zeggenschap over de eigenaar.

De rechtbank verwierp ook het betoog dat het college de handhavingsbevoegdheid misbruikte om een bevriende relatie te bevoordelen bij de verkoop van het monument. Verder was de hoogte van de dwangsom gebaseerd op geschatte herstelkosten en niet excessief. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de last onder dwangsom en invordering bleven in stand.

Uitkomst: De rechtbank handhaaft de last onder dwangsom en de invordering daarvan en verklaart het beroep van eiser ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/3662
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats 1] , eiser
(gemachtigde: mr. drs. H.J.M. van Schie),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wormerland, het college
(gemachtigde: mr. J.E. Hamann).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aan eiser opgelegde last onder dwangsom van 5 februari 2025 van in totaal € 172.000,- in verband met het niet in stand houden van het rijksmonument aan de [adres] in [plaats 2] (hierna: het rijksmonument), en de invordering van die dwangsom. Eiser is het daarmee oneens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de bestreden besluiten.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de last onder dwangsom en de invordering daarvan in stand kunnen blijven
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. [naam 1] B.V. was eigenaar van het rijksmonument. Eiser is middellijk enig aandeelhouder en bestuurder van dit bedrijf. Op 5 februari 2025 heeft het college aan eiser een dwangsom van € 172.000,- opgelegd, in verband met het niet in stand houden van het rijksmonument, in strijd met artikel 4.28, tweede lid, van de Omgevingswet. De dwangsom bestaat uit een bedrag van € 135.000,- ineens voor het niet uitvoeren van het herstel van de dakbedekking en de kap- en gebintconstructie binnen een termijn van zes maanden, een bedrag van € 20.000,- ineens voor het niet uitvoeren van tijdelijk ondersteuningsmaatregelen van de vloerconstructie binnen een termijn van zes maanden en een bedrag van € 7.000,- ineens voor het niet ontkoppelen of keuren van de elektrische installatie binnen een termijn van vier weken.
4. Met het bestreden besluit van 8 juli 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de last gebleven.
5. Eiser heeft op 17 augustus 2025 beroep ingesteld. Vervolgens heeft het college de volledige dwangsom van € 172.000,- ingevorderd bij besluit van 7 oktober 2025. Het beroep van eiser heeft, gelet op het bepaalde in artikel 5:39 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, mede betrekking op het invorderingsbesluit.
6. Het college heeft op 20 mei 2026 op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
7. De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank

De last onder dwangsom - procedureel

Is sprake van schending van de hoorplicht?
8. Eiser voert aan dat het college op 5 juni 2025 een hoorzitting heeft gepland, terwijl hij telefonisch al kenbaar had gemaakt dat hij op die dag niet beschikbaar was. Hij had zijn bezwaar nog wel nader willen motiveren.
9. Voor zover eiser hiermee betoogd heeft dat de hoorplicht in bezwaar is geschonden, volgt de rechtbank dat niet. Op de zitting is gebleken dat voorafgaand aan 5 juni 2025 contact heeft plaatsgevonden over het plannen van de hoorzitting. Het college stelde de datum van 5 juni 2025 voor waarop eiser weliswaar aangaf verhinderd te zijn, maar afgesproken werd dat de gemachtigde van eiser aanwezig zou zijn. De gemachtigde heeft zich op de dag van de hoorzitting vervolgens alsnog afgemeld, omdat eiser zelf niet aanwezig kon zijn. Gelet op deze gang van zaken, hoefde het college de hoorzitting niet alsnog te verplaatsen. Van schending van de hoorplicht is geen sprake. De beroepsgrond slaagt dus niet.
Is sprake van strijd met de rechtszekerheid?
10. Eiser voert aan dat de primaire besluiten van 7 februari 2025 (één gericht aan eiser zelf, en één gericht aan [naam 1] B.V.) in strijd zijn met de rechtszekerheid, nu de twee besluiten hetzelfde kenmerk hebben en over dezelfde last gaan. Het lijkt alsof het college herstelbesluiten heeft genomen.
11. Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Dat verschillende besluiten inhoudelijk gelijkluidende lasten bevatten, maakt die besluiten niet onduidelijk of in strijd met de rechtszekerheid. Het staat een bestuursorgaan vrij om bij meerdere overtreders dezelfde last op te leggen aan verschillende (rechts)personen. In beide besluiten is toegelicht waarom de aangeschrevene als overtreder wordt aangemerkt. Niet valt in te zien waarom de indruk zou zijn gewekt dat het college herstelbesluiten heeft genomen.

De last onder dwangsom - inhoudelijk

Is eiser aan te merken als overtreder?

12. Eiser voert aan dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij aan te merken valt als overtreder. De onderhoudsverplichting van een rijksmonument rust op de eigenaar en daarmee op [naam 1] B.V.. Eiser is zelf niet de bestuurder van dit bedrijf, maar is slechts enig aandeelhouder en bestuurder van [naam 2] B.V., welk bedrijf de enig bestuurder van [naam 1] B.V. is. Dat bedrijf wordt echter niets verweten, terwijl dat wel nodig is om eiser als feitelijk leidinggevende te kunnen aanspreken. Eiser zelf is ook niet de feitelijk overtreder. Hij had geen invloed of was bij machte om [naam 1] B.V. het rijksmonument te laten renoveren. Het bedrijf had daarvoor ook niet de financiële middelen en het is niet aan een derde privépersoon (eiser) om hierin te voorzien. Bovendien was het aantrekken van financiering alleen mogelijk als er een goed renovatieplan lag, maar dat was vanwege de houding van de gemeente onmogelijk.
12. De beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van belang.
12. Het is vaste rechtspraak dat de overtreder degene is die het wettelijk voorschrift daadwerkelijk heeft geschonden. Dat is in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek heeft verricht. Daarnaast kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk heeft begaan, maar aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en daarom als overtreder worden aangemerkt. [1] Voor natuurlijke personen is hiervan sprake als hij of zij erover kon beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en uit de feitelijke gang van zaken blijkt dat deze of een vergelijkbare gedraging door de persoon werd aanvaard of tracht te worden aanvaard. Onder dit aanvaarden valt ook het niet in acht nemen van de zorg die in redelijkheid van de persoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging. [2]
15. Hiervan is sprake. Eiser heeft het rijksmonument in 2020 gekocht en is in gesprek gegaan met de gemeente over renovatieplannen. Eiser heeft het rijksmonument vervolgens om fiscale redenen overgedragen aan [naam 1] B.V., maar is daarbij middellijk enig bestuurder en aandeelhouder gebleven via een structuur van tussenliggende vennootschappen tot aan de feitelijk eigenaar. In die rol kon eiser als natuurlijk persoon worden geacht zeggenschap te hebben over de handelingen van het bedrijf dat feitelijk eigenaar was. Eiser had het dus in zijn macht om te zorgen dat het rijksmonument werd onderhouden en dat houdt ook in dat hij voorzag in de financiële middelen die daarvoor nodig waren. Dat dit niet mogelijk zou zijn vanwege de houding van de gemeente is de rechtbank niet gebleken. Het aanvaarden van het nalaten van noodzakelijk herstel, terwijl sprake is van zeggenschap om daarin verandering te brengen, maakt eiser overtreder.
16. Er is dus sprake van een overtreding en eiser is terecht als overtreder aangesproken. Dat betekent dat het college in beginsel bevoegd was om een last onder dwangsom op te leggen.
Is sprake van misbruik van de handhavingsbevoegdheid?16. Eiser betoogt dat het erop lijkt dat het college zijn handhavingsbevoegdheid heeft ingezet om ervoor te zorgen dat het rijksmonument aan een bevriende relatie zou worden verkocht. Eiser onderbouwt dit met stukken die hij verkregen heeft middels een door hem ingediend verzoek om openbaarmaking van informatie. Het college was op de hoogte van de geplande verkoop van het rijksmonument en heeft nauw contact gehad met deze bevriende relatie over de handhaving. Hiermee heeft het college door inzet van de handhavingsbevoegdheid de verkoop beïnvloedt ten gunste van die bevriende relatie. De bevriende relatie had immers een groot belang bij de uitoefening van zoveel mogelijk financiële druk op eiser. Het college faciliteerde hem daarin door de timing van het handhavend optreden, met bovendien zakelijke werking. Dit heeft een belemmerend effect gehad op de verkoop van het rijksmonument. Eerst na het verlopen van de begunstigingstermijn en het verbeuren van dwangsommen ontstond pas ruimte voor verkoop.
17. De beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van belang.
18. Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt dat een medewerker van de gemeente met een potentiële koper van het rijksmonument gecommuniceerd heeft over de timing van de handhaving en de hoogte van de dwangsom. Dit was voorafgaand aan de oplegging van de last onder dwangsom in kwestie. Dat een potentiële koper contact heeft met de gemeente is begrijpelijk, maar de wijze waarop deze communicatie heeft plaatsgevonden is niet gepast. Dat betekent echter niet dat daarmee ook is gezegd dat het college zijn handhavingsbevoegdheid heeft aangewend voor een ander doel, namelijk het beïnvloeden van het verkoopproces en het daarin bevoordelen van een bevriende relatie. Dat kan uit de verstrekte correspondentie niet worden opgemaakt. Er staan enkele berichten in die weliswaar als ongepast kunnen worden beschouwd, maar gelet op de inhoud van die berichten bestaat geen aanleiding om te oordelen dat het college de handhaving heeft ingezet ten behoeve van de verkoop van het rijksmonument aan een bevriende relatie.
19. In dat verband is naast de inhoud van de berichten ook de voorgeschiedenis van het handhavingstraject relevant. De handhaving is namelijk ingezet om verder verval van het rijksmonument te voorkomen en eiser te stimuleren om het benodigde herstel en onderhoud uit te voeren. Dit heeft al in de jaren voorafgaand aan deze last plaatsgevonden. Er zijn namelijk in eerdere jaren al meerdere controles geweest en het college heeft al eerder handhavend opgetreden wegens achterstallig onderhoud aan het rijksmonument. Daarop heeft het college doorgepakt met de onderhavige last. Dat eiser gedurende het handhavingstraject op enig moment besloten heeft het rijksmonument in de verkoop te zetten, maakt niet dat het college daarin aanleiding had moeten zien om verdere handhaving te pauzeren. Hoe lang een verkoop duurt is immers onzeker en dat heeft juist nadelige gevolgen voor achterstallig onderhoud. Dat een financiële prikkel om de renovatie snel in gang te zetten onafgebroken blijft gelden jegens de huidige eigenaar en eventuele rechtsopvolgers (de zakelijke werking), laat bovendien juist zien dat het college het verdere verval van het rijksmonument wilde tegengaan. De zakelijke werking is immers niet direct gunstig voor potentiële kopers. Het een en ander betekent dat de rechtbank niet is gebleken dat het college misbruik heeft gemaakt van zijn handhavingsbevoegdheid.
Zijn er (andere) bijzondere omstandigheden om van handhaving af te zien?
20. Eiser noemt enkele omstandigheden waarin het college volgens hem aanleiding had moeten zien om niet handhavend op te treden. Ten eerste stelt hij dat de gemeente het achterstallig onderhoud zelf heeft veroorzaakt door niet mee te werken aan goedkeuring van zijn renovatieplannen. Zolang de gemeente niet meewerkt aan een rendabel renovatieplan, kan van eiser niet worden verwacht dat hij middelen inzet om het rijksmonument te onderhouden. Ten tweede stelt eiser dat de gemeente geen last heeft opgelegd aan de nieuwe eigenaar, en dat nu wel wordt meegewerkt aan bebouwing in de tweede lijn op het perceel. Dat is volgens eiser oneerlijk. Uit het aangevoerde begrijpt de rechtbank verder dat eiser betoogt dat het college meer rekening had moeten houden met het feit dat de verkoop van het perceel al in gang was gezet en dat zakelijke werking de verkoop zou belemmeren.
21. De beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van belang.
22. Als uitgangspunt geldt dat een bestuursorgaan in de regel gebruik moet maken van een bevoegdheid om handhavend op te treden, ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving. Dat houdt verband met het algemeen belang dat met handhaving is gediend. Dat is alleen anders als er in het concrete bijzondere geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen als handhaving onevenredig is of bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. [3]
23. Dat doet zich hier niet voor. Op degene die een vervallen rijksmonument koopt, rust de verplichting om maatregelen te treffen die verder verval voorkomen en die uiteindelijk leiden tot herstel. Die verplichting staat los van de vraag of de gemeente toestemming verleent aan een renovatieplan dat de eigenaar rendabel acht. Eiser kan zich verder niet met succes beroepen op het gelijkheidsbeginsel omdat de nieuwe eigenaar niet is geconfronteerd met handhaving en wel de kans krijgt om te bouwen in de tweede lijn. Dit omdat het college heeft aangegeven dat handhaving opnieuw wordt ingezet als de nieuwe eigenaar niet (snel) tot herstel overgaat. Bovendien is nu ook nog geen sprake van goedkeuring voor bebouwing in de tweede lijn en overigens heeft eiser daartoe nooit een aanvraag ingediend. Het starten van een verkoopproces ontslaat de eigenaar evenmin van het tussentijds plegen van onderhoud. Daarbij is het opleggen van zakelijke werking bij een verkoop juist logisch als het doel van de handhaving herstel van het rijksmonument is.
Is de opgelegde last excessief hoog?
23. Eiser voert aan dat in dit geval sprake is van een punitieve sanctie, gelet op de excessieve hoogte van de dwangsom, die geen relatie heeft met een nalevingsprikkel.
23. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Dat de opgelegde last excessief hoog zou zijn is onvoldoende onderbouwd. Het college heeft de hoogte van de last bepaald aan de hand van de geschatte herstelkosten. Bovendien heeft eiser op de zitting aangegeven dat het hem niet gaat om de hoogte van de last, maar om de manier waarop de handhaving is verlopen.
De invordering van de dwangsom
26. Nu eiser betwist heeft dat het college kon handhaven, heeft hij in zoverre ook betwist dat het college kon invorderen. Omdat de gronden tegen de last niet slagen, ziet de rechtbank echter geen aanleiding om te oordelen dat het college van invordering had moeten afzien.

Conclusie en gevolgen

27. De beroepsgronden slagen niet. Dit betekent dat besluiten van het college over de last onder dwangsom en de invordering daarvan in stand blijven
.Eiser krijgt dus geen gelijk en zijn beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug en voor een vergoeding van zijn proceskosten bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Boon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de ABRvS van 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:849.
2.Zie de uitspraak van de ABRvS van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2067.
3.Zie de uitspraak van de ABRvS van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.