ECLI:NL:RBNHO:2026:8469

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
C/15/379790
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 254 RvArt. 1:253a lid 1 BWArt. 1:253a lid 5 BWArt. 1:377a BWArt. 1:377a lid 3 BW
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering vakantietoestemming en gedeeltelijke schorsing zorgregeling wegens belang kind

De zaak betreft een geschil tussen ouders over de vakantie van hun 12-jarige zoon naar Mallorca. Vader verzocht vervangende toestemming om met het kind van 10 tot 25 juli 2026 op vakantie te gaan, nadat moeder eerder toestemming had gegeven voor 13 tot 25 juli 2026. Op 6 juli 2026 weigerde het kind echter mee te gaan en brak zijn ID-kaart uit protest.

De rechtbank hield een kindgesprek op 7 juli 2026, waarin het kind duidelijk aangaf niet mee te willen naar Mallorca vanwege afstand en onprettige ervaringen met overnachten elders. De rechtbank oordeelde dat het belang van het kind zwaarder weegt dan het vakantieverzoek van vader en weigerde de gevraagde toestemming.

Daarnaast vorderde moeder in reconventie de tijdelijke schorsing van de zorgregeling voor de zomervakantie, zodat het kind de gehele periode bij haar kan verblijven. De rechtbank achtte dit gegrond vanwege de uitgesproken bezwaren van het kind tegen de vakantie en schorste de zorgregeling tot en met 25 juli 2026. De overige omgangsrechten blijven na de vakantie gehandhaafd. Proceskosten werden gecompenseerd.

Uitkomst: De rechtbank weigert vervangende toestemming voor vakantie met vader en schorst de zorgregeling tijdelijk zodat het kind de zomervakantie bij moeder verblijft.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/379790 / KG ZA 26-397
Vonnis in kort geding van 9 juli 2026
in de zaak van
[de man],
te [plaats 1],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: vader,
advocaat: mr. M.D. Balesar,
tegen
[de vrouw],
te [plaats 2],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: moeder,
advocaat: mr. B. Schoonewil.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 6 producties
- de vrijwillige verschijning van moeder
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met 2 producties
- producties 7 en 8 van vader
-het kindgesprek van de kinderrechter met [minderjarige] op 7 juli 2026 van welk gesprek aantekeningen zijn bijgehouden
- de mondelinge behandeling van 9 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Voor de mondelinge behandeling op 9 juli zijn verschenen vader, bijgestaan door mr. J.J.C. Engels, waarnemend voor mr. Balesar voornoemd, en moeder, bijgestaan door mr. Schoonewil.
1.3.
Tenslotte is vonnis bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
Uit de relatie tussen partijen is op [geboortedatum] 2014 hun zoon [minderjarige] geboren. Partijen hebben gezamenlijk het gezag over [minderjarige]. [minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf bij moeder.
2.2.
Sinds 24 januari 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld met benoeming van de Jeugd- en Gezinsbeschermers tot gezinsvoogd. De ondertoezichtstelling is bij beschikking van 22 januari 2026 verlengd tot 24 januari 2027.
2.3.
Vader wil met [minderjarige] op vakantie naar Mallorca. Hij heeft moeder toestemming gevraagd voor de vakantie vanaf 13 juli 2026 tot en met 25 juli 2026. Moeder heeft het toestemmingsformulier een paar maanden geleden ondertekend.
2.4.
Vader werkt als purser bij een luchtvaartmaatschappij en mag eenmaal per jaar met zijn gezin geboekt op vakantie. Helaas is er op maandag 13 juli 2026 geen plek. Daarom wil vader nu morgen vertrekken, voor de periode 10 juli tot en met 25 juli 2026.
2.5.
Toen vader [minderjarige] op 6 juli 2026 kwam ophalen voor zijn vakantieverblijf bij vader, heeft er een incident plaatsgevonden waarbij [minderjarige] heeft gezegd dat hij niet met vader naar Mallorca wil en waarbij de ID-kaart van [minderjarige] gebroken is. Op advies van de wijkagent is [minderjarige], die heel erg overstuur was, maandag bij moeder gebleven en tot nu toe niet naar vader gegaan.
2.6.
Inmiddels is er een nieuwe ID-kaart voor [minderjarige] aangevraagd en verkregen.

3.Het geschil

in conventie en in reconventie
3.1.
Vader vordert in conventie na vermindering van zijn eis - samengevat - dat hem vervangende toestemming wordt verleend om met [minderjarige] naar Mallorca te gaan in de periode van 10 juli tot en met 25 juli 2026.
3.2.
Moeder voert verweer. Zij maakt bezwaar tegen het verlenen van de gevraagde toestemming. Zij voert aan dat zij aanvankelijk toestemming heeft gegeven voor de periode 13 tot en met 25 juli 2026, in de hoop dat [minderjarige] nog overgehaald kon worden om mee te gaan, maar dat zij na de reactie van [minderjarige] afgelopen maandag niet langer akkoord wenst te gaan. Zeker niet nu vader ook nog eens drie dagen eerder wil vertrekken. Moeder voert aan dat het belang van [minderjarige] zich op dit moment uitdrukkelijk verzet tegen toewijzing van de vordering van vader en tegen een vakantie met vader op Mallorca. Zij wijst erop dat [minderjarige] nu 12 jaar oud is en dat hij al gedurende een langere periode op consistente wijze aan zowel zijn vader als zijn moeder duidelijk heeft gemaakt dat hij echt niet naar Mallorca wil, maar dat vader toch in april van dit jaar besloot een vakantie naar Mallorca te plannen voor de zomervakantie.
3.3.
In reconventie vordert moeder dat de voorzieningenrechter de zorgregeling voor de duur van de zomervakantie schorst en bepaalt dat [minderjarige] de gehele zomervakantie bij moeder zal verblijven. Zij wijst erop dat als de omgang met vader tijdens de vakantie alsnog doorgang moet vinden, het gevaar bestaat dat [minderjarige] toch met zijn vader op vakantie moet en dat dit niet in het belang van [minderjarige] is noch in het belang van de relatie van [minderjarige] met zijn vader.
3.4.
Op de stellingen van partijen gaat de voorzieningenrechter hierna, voor zover van belang, nader in.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
Spoedeisend belang
4.1.
Op grond van artikel 254 Rv Pro is de voorzieningenrechter in alle spoedeisende zaken, waarin gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd deze te geven. Omdat de geplande vakantie op korte termijn begint bestaat een spoedeisend belang bij de vorderingen over en weer.
De voorzieningenrechter verleent niet de gevraagde (verlengde) toestemming voor de vakantie
4.2.
In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechter neemt een beslissing die hij/zij in het belang van het kind wenselijk vindt. Alvorens te beslissen moet de rechter, op grond van artikel 1:253a lid 5 BW, een vergelijk tussen beide ouders beproeven.
4.3.
Op de zitting is gebleken dat een vergelijk tussen de ouders niet mogelijk is.
4.4.
Vader verzoekt vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] naar Mallorca te reizen en daar te verblijven van 10 juli 2026 tot en met 25 juli 2026. Vader voert aan dat moeder het toestemmingsformulier al had getekend voor een vakantie naar Mallorca in de periode van 13 juli 2026 tot en met 25 juli 2026, maar dat het vertrek nu is vervroegd, zodat opnieuw toestemming nodig is, maar tot nu toe niet is verkregen.
4.5.
Moeder voert aan dat zij toestemming weigert omdat op 6 juli 2026 is gebleken dat [minderjarige] helemaal in paniek raakte toen vader hem kwam ophalen voor de vakantieomgang en toen zelfs zijn ID-kaart gebroken heeft.
4.6.
De voorzieningenrechter overweegt dat het in het algemeen in het belang van een kind is als het op vakantie kan met (één van) zijn ouders. Desalniettemin is de voorzieningenrechter van oordeel dat het op dit moment in het belang van [minderjarige] niet wenselijk is om met zijn vader mee te gaan op vakantie naar Mallorca. Bij die beoordeling weegt de voorzieningenrechter zwaar mee dat [minderjarige] tegenover de kinderrechter op 7 juli 2026 duidelijk heeft uitgesproken dat hij absoluut niet met zijn vader naar Mallorca wil. [minderjarige] was tijdens dat gesprek erg verdrietig en heeft gezegd dat hij het te ver weg vindt, het niet prettig vindt om mee te gaan en liever bij zijn moeder wil blijven. Hij heeft daarbij nog verteld dat hij het sowieso niet fijn vindt om ergens anders te overnachten. Bij die stand van zaken is het in het belang van [minderjarige] niet wenselijk om nu met zijn vader op vakantie naar Mallorca te gaan. Afgewogen tegen de andere in het geding zijnde belangen geeft dit belang van [minderjarige] in de omstandigheden van dit geval de doorslag.
Gedeeltelijke schorsing zorgregeling
4.7.
Moeder vordert dat de zorgregeling wordt geschorst voor de duur van de zomervakantie en dat de voorzieningenrechter bepaalt dat [minderjarige] de hele zomervakantie bij zijn moeder zal verblijven. Ter zitting heeft zij hierover verklaard dat zij die schorsing vraagt voor de periode tot en met 25 juli 2026.
4.8.
Op grond van artikel 1:377a BW heeft een kind recht op omgang met zijn ouders. De rechter ontzegt dit recht op omgang alleen in de in artikel 1:377a lid 3 BW genoemde gevallen, waaronder het geval dat een kind dat twaalf jaar of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken. [minderjarige] is inmiddels 12 jaar. Hij heeft de kinderrechter verteld dat hij soms niet naar zijn vader wil, maar dat dan niet zegt en gewoon gaat. [minderjarige] heeft dus geen ernstige bezwaren doen blijken tegen omgang met vader in het algemeen. Over de vakantie naar Mallorca heeft hij wel ernstige bezwaren geuit. Hierover was hij immers heel uitgesproken: hij wil absoluut niet met zijn vader naar Mallorca. Omdat de omgang in de periode tot en met 25 juli 2026 samenvalt met een verblijf van vader op Mallorca, betekent dit dat voldoende aannemelijk geworden is dat er reden bestaat om de zorgregeling tijdelijk, tot en met 25 juli 2026, te schorsen. De voorzieningenrechter zal de vordering van moeder in zoverre toewijzen. Voor het overige blijft de zorgregeling van kracht. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat het contact tussen vader en [minderjarige] na de vakantie zo spoedig mogelijk weer wordt hersteld.
4.9.
De voorzieningenrechter wijst de over en weer gevorderde proceskostenvergoeding af. Gelet op de relatie tussen partijen zal de voorzieningenrechter de proceskosten tussen hen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie en in reconventie
5.1.
wijst de vordering van vader af,
5.2.
schorst de met betrekking tot [minderjarige] bestaande zorgregeling voor de periode tot en met 25 juli 2026,
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
verklaart de beslissing onder 5.2 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. Wamsteker en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.
1155