ECLI:NL:RBNHO:2026:8493

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
C/15/376565 / HA ZA 26-228
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 3 Wet griffierechten burgerlijke zakenArt. 127a lid 2 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 127a lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van instantie wegens niet tijdig betalen griffierecht

Eisers hebben een bodemprocedure aangespannen tegen gedaagden, maar hebben het griffierecht niet tijdig betaald binnen de wettelijke termijn van vier weken na de eerste roldatum. Hoewel eisers een betalingsherinnering ontvingen en na het verstrijken van de termijn alsnog betaalden, leidt dit niet tot het behoud van de procedure. De rechtbank oordeelt dat de wettelijke betalingstermijn strikt geldt en dat het griffierecht ook na het verstrijken van de termijn verschuldigd blijft.

Eisers voerden aan dat zij een tweede termijn van veertien dagen kregen na een aanmaning en dat de griffie telefonisch bevestigde dat betaling binnen die termijn geen probleem zou opleveren. De rechtbank stelt echter vast dat deze stelling niet is onderbouwd en dat vaste rechtspraak vereist dat advocaten op de hoogte zijn van de wettelijke betalingstermijn en de gevolgen van overschrijding.

De rechtbank ontslaat daarom gedaagden van de instantie wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht door eisers en veroordeelt eisers in de proceskosten. De kosten aan de zijde van gedaagden worden nihil begroot.

Uitkomst: Gedaagden worden ontslagen van de instantie wegens niet tijdige betaling van het griffierecht door eisers.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer / rolnummer: C/15/376565 / HA ZA 26-228
Vonnis van 27 mei 2026
in de zaak van
1.
MEDIATV VOF,
te Rotterdam,
2.
SP NETWORKS B.V., h.o.d.n. Regio15,
te Amsterdam,
3.
[eiser 3] B.V.,
te Amsterdam,
eisers,
advocaat mr. L. Varela,
tegen
1.
[gedaagde 1],
te [plaats 1],
2.
[gedaagde 2] B.V.,
te [plaats 2],
gedaagden,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding
  • de akte van eisers houdende uitlating niet (tijdig) betalen griffierecht.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Ingevolge artikel 3 lid 3 Wet Pro griffierechten burgerlijke zaken zijn eisers griffierecht verschuldigd vanaf de eerste uitroeping van de zaak ter terechtzitting en dienen zij ervoor te zorgen dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de zaak dient dan wel daar ter griffie is gestort.
2.2.
De griffier heeft geconstateerd dat eisers het griffierecht niet tijdig hebben voldaan. Op grond van het bepaalde in artikel 127a lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) leidt dit tot ontslag van instantie van gedaagden.
2.3.
Eisers hebben aangevoerd dat na het verstrijken van de eerste betalingstermijn het Dienstencentrum Rechtspraak een tweede termijn van veertien dagen heeft gesteld bij aanmaning van 7 mei 2026. De advocaat van eisers heeft deze tweede termijn opgevat als een reële hersteltermijn. Het griffierecht is vervolgens op 15 mei 2026 betaald. Volgens de advocaat van eisers heeft de griffie van de rechtbank in een telefoongesprek met een medewerker van haar kantoor bevestigd dat betaling na het verstrijken van de eerste betalingstermijn, maar binnen de tweede termijn geen probleem zou opleveren voor de verdere behandeling van de zaak. Verder zou het volgens eiseressen onbillijk zijn als zij het aanzienlijke bedrag van € 7.062,- aan griffierecht opnieuw verschuldigd zou zijn als zij gedaagden opnieuw zou moeten dagvaarden, terwijl zij naar verwachting (opnieuw) niet zullen verschijnen.
2.4.
De door eisers aangevoerde omstandigheden geven geen aanleiding om laatstgenoemde bepaling op de in artikel 127a lid 3 Rv genoemde grond buiten toepassing te laten. Volgens vaste rechtspraak moet een advocaat immers op grond van zijn deskundigheid en kennis ten aanzien van de procedure zonder meer geacht worden op de hoogte te zijn van de wettelijke betalingstermijn en de verstrekkende gevolgen die de wet verbindt aan de overschrijding daarvan. Dat eisers een betalingsherinnering hebben ontvangen voor het betalen van het griffierecht doet er niet aan af dat het griffierecht binnen vier weken vanaf de eerste roldatum moet zijn voldaan op straffe van verval van instantie van gedaagde. Ook als het griffierecht niet binnen die termijn is betaald, blijven eisers het griffierecht verschuldigd. Om die reden hebben zij een betalingsherinnering ontvangen. In de betalingsherinnering staat overigens ook vermeld dat de oorspronkelijke betalingstermijn blijft gelden. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat (een medewerker van) de griffie van de rechtbank aan (een medewerker van) de advocaat van eisers heeft meegedeeld dat het griffierecht nog na het verstrijken van de termijn van vier weken kon worden betaald zonder dat zit zou leiden tot ontslag van instantie van gedaagden. Eiseressen hebben die stelling ook niet van een onderbouwing voorzien, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat.
2.5.
Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van gedaagden worden begroot nihil.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
ontslaat gedaagden van de instantie,
3.2.
veroordeelt eisers in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Kluit en in het openbaar uitgesproken op
27 mei 2026. [1]

Voetnoten

1.type: 287