ECLI:NL:RBNHO:2026:8497

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
11934207 WM25-1685
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 WahvArt. 62 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen boete negeren geslotenverklaring busbrug ongegrond verklaard

Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het negeren van een geslotenverklaring op busbrug De Binding, die alleen toegankelijk is voor bussen, taxi’s, hulpdiensten en fietsers op bepaalde tijden. Betrokkene stelde beroep in met argumenten over onduidelijke borden, onjuiste weginrichting, een fuik en overmacht.

De rechtbank oordeelde dat uit foto’s en schouwrapporten voldoende blijkt dat de overtreding heeft plaatsgevonden en dat de bebording duidelijk en zichtbaar is. Aan beide zijden van de brug staan borden C1 die de geslotenverklaring aangeven, met een onderbord dat de geldige tijden vermeldt. Ook is er een vooraankondigingsbord op de rotonde vóór de brug, zodat bestuurders tijdig gewaarschuwd worden en een alternatieve route kunnen kiezen.

De rechtbank verwierp het verweer van betrokkene over een fuik en overmacht. Het missen van de borden is voor rekening van betrokkene. De boete van €120,- is proportioneel en niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Er zijn geen omstandigheden die matiging rechtvaardigen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de boete voor het negeren van de geslotenverklaring op de busbrug wordt ongegrond verklaard en de boete van €120,- wordt gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
locatie Zaanstad
Zaaknummer : 11934207 \ WM VERZ 25-1685
CJIB-nummer : ['nummer']
Uitspraakdatum : 3 juli 2026
Uitspraak op een beroep tegen een boete op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) en proces-verbaal van de zitting
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [betrokkene]
woonplaats : [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene)

De verkeersboete en het beroep

Aan betrokkene is een boete opgelegd voor een verkeersovertreding (een geslotenverklaring die voor beide richtingen geldt negeren).
Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen de boete. Het beroep is behandeld op de zitting van 23 juni 2026. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. Betrokkene is niet verschenen.
Betrokkene heeft gevraagd om het beroep gegrond te verklaren. Betrokkene heeft een zeer uitgebreid beroepschrift ingediend, waarvan de strekking is – samengevat – dat de borden ter plaatse verwarrend en onduidelijk zijn, dat de weginrichting niet deugt, dat de vooraankondigingsborden onjuist zijn of ontbreken, en dat sprake is van een fuik, van overmacht en strijd met het evenredigheidsbeginsel.
De vertegenwoordiger van de officier van justitie heeft op de zitting meegedeeld de beslissing en het standpunt te handhaven en heeft de kantonrechter verzocht om het beroep ongegrond te verklaren.
De kantonrechter heeft na de zitting uitspraak gedaan.

De beoordeling

Aan betrokkene is een boete opgelegd, omdat hij over busbrug De Binding reed op een tijdstip waarop deze gesloten was voor ander wegverkeer dan bussen, taxi’s, hulpdiensten en fietsers.
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken die zich in het dossier bevinden – met name uit de foto van de gedraging en de schouwrapporten – voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. De boete is dus terecht opgelegd.
Uit de schouwrapporten in het dossier volgt ook dat de bebording ter plaatse duidelijk is en voldoende zichtbaar. Dit is de kantonrechter overigens ook ambtshalve bekend. Er staat immers aan beide zijden van de geslotenverklaring een bord C1 (rond bord, wit met rode buitenrand), waarvan de boodschap voor iedereen duidelijk is: de weg is gesloten in beide richtingen voor voertuigen. Daarop moet een bestuurder in de eerste plaats letten. Het onderbord is ook duidelijk en beperkt de geslotenverklaring tot de op dat bord genoemde en goed leesbare tijden.
De kantonrechter volgt betrokkene dan ook niet in zijn standpunt dat de borden onduidelijk zijn. Betrokkene kon en moest dus weten dat hij op dat tijdstip niet over de busbrug mocht rijden.
De kantonrechter volgt ook niet de stelling van betrokkene dat sprake is van een ‘fuik’ of dat de weginrichting niet deugt. Volgens het toepasselijke Beoordelingskader Parket CVOM voor digitale handhaving bij geslotenverklaringen moet voorkomen worden dat bestuurders een fuik inrijden en daardoor bijna gedwongen worden de geslotenverklaring te negeren. Om dit te vermijden, moet in dergelijke gevallen een vooraankondiging van de geslotenverklaring worden geplaatst. Uit eerdergenoemde schouwrapporten blijkt dat op de rotonde vóór de geslotenverklaring een bord is geplaatst waarmee weggebruikers worden gewezen op de geslotenverklaring. Bestuurders zijn op dat moment dus al gewaarschuwd dat er een geslotenverklaring nadert. Bestuurders kunnen op die rotonde de keuze maken om een andere route te kiezen en de geslotenverklaring niet te overtreden. Van een ‘fuik’ is daarom geen sprake. Vanaf de kant waar betrokkene de geslotenverklaring heeft genegeerd, bestaat overigens ook nog de mogelijkheid om vóór de geslotenverklaring te keren door gebruikmaking van een zijstraat.
Dat de overtreding niet met opzet is begaan, is voor de oplegging van een boete niet van belang. Een overtreding van de geslotenverklaring is een overtreding van artikel 62 van Pro Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, waarin is bepaald dat weggebruikers verplicht zijn gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden. Negeren van een geslotenverklaring aangegeven door bord C1 is dus een overtreding, ongeacht of die overtreding al dan niet met opzet of bewust is begaan.
Van overmacht is de kantonrechter niet gebleken. Van iedere weggebruiker mag worden verwacht dat hij oplettend is op de aanwezige bebording en die bebording is duidelijk, zoals hiervoor is overwogen. Indien de betrokkene het bord C1 heeft gemist of het bord te laat of niet goed heeft gezien, is dat een omstandigheid waarvan de gevolgen voor rekening van de betrokkene komen.
De kantonrechter is verder van oordeel dat het bedrag van de boete in deze zaak (€ 120,00) niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, omdat dit bedrag in redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van de onderhavige gedraging.
Er zijn ook geen omstandigheden naar voren gebracht die in dit specifieke geval aanleiding (kunnen) zijn voor matiging van de boete.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

De uitspraak

De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Jansen, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 Wahv Pro hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 110,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht.
Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.
Datum toezending: