ECLI:NL:RBNHO:2026:8505

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
C/15/379957
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:113 BWArt. 7 Verordening Brussel-II-terArt. 1:2 BWArt. 1:265b BWArtikel 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van ongeboren kind wegens ernstig geweldsincident en veiligheidsrisico

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam verzocht op 9 juli 2026 om een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van het ongeboren kind, dat onder toezicht is gesteld tot 26 februari 2027. De moeder is zwanger en de vader is gedetineerd. De zaak heeft een internationaal karakter vanwege de Syrische nationaliteit van de ouders, maar de Nederlandse rechter is bevoegd omdat de gewone verblijfplaats in Nederland is.

Er zijn ernstige zorgen over de veiligheid van de moeder en het ongeboren kind, mede door een levensgevaarlijk geweldsincident waarbij de moeder gewond raakte. De vader en zijn broers zijn verdachten en in voorlopige hechtenis. Er bestaat angst voor ontvoering en eerwraak, ondersteund door politie-informatie en het Landelijk Expertise Centrum Eergerelateerd Geweld.

De kinderrechter acht het noodzakelijk het ongeboren kind uit huis te plaatsen in een pleeggezin voor vier weken, met onmiddellijke ingang en uitvoerbaarheid bij voorraad, om ernstig gevaar te voorkomen. De beslissing is genomen zonder zitting met belanghebbenden, die later hun mening kunnen geven. De verdere behandeling van het verzoek wordt aangehouden en op een nader te bepalen zitting voortgezet.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van het ongeboren kind voor vier weken met onmiddellijke uitvoerbaarheid.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/379957 / JU RK 26-1043
Datum uitspraak: 9 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
Het ongeboren kind [het ongeboren kind],
hierna te noemen: het ongeboren kind [het ongeboren kind] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] , thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting (PI) [PI] .

1.Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 9 juli 2026.

2.De feiten

2.1.
De moeder is in verwachting van het nog ongeboren kind [het ongeboren kind] .
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 26 februari 2026 het ongeboren kind [het ongeboren kind] onder toezicht gesteld tot 26 februari 2027.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van het ongeboren kind [het ongeboren kind] in een pleeggezin te verlenen voor de duur van vier weken en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
3.2.
De GI verzoekt aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van ongeboren kind [het ongeboren kind] in een pleeggezin te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De beoordeling

Bevoegdheid
4.1.
Door de omstandigheid dat de ouders de Syrische nationaliteit hebben, draagt de onderhavige zaak een internationaal karakter. Gelet hierop dient eerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht toekomt. Aangezien de gewone verblijfplaats in Nederland is, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om dit verzoek te behandelen. [1]
4.2.
Vervolgens is de vraag aan de orde welk recht van toepassing is. Op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is het Nederlands recht van toepassing op het verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
4.3.
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. Er bestaan grote zorgen over de veiligheid van zowel de kinderen als de moeder. Hoewel door en namens de ouders en hun advocaten op zitting naar voren is gebracht dat deze zorgen door de politie niet concreet worden gemaakt, blijkt uit de stukken dat er een zeer ernstig geweldsincident heeft plaatsgevonden waarbij de moeder levensgevaarlijk gewond is geraakt. De vader en zijn broers zijn in dit kader nog altijd als verdachten aangemerkt en in voorlopige hechtenis genomen. Daarbij komt dat door één van de broers is aangegeven dat hij de kinderen mee moest nemen naar Duitsland. De vader zou in Duitsland een tweede vrouw hebben. Er zijn zorgen vanuit zowel de politie als ook het veiligheidsnetwerk en het Landelijk Expertise Centrum (LEC) Eergerelateerd Geweld.
4.4.
De GI heeft grote zorgen over de veiligheid van de moeder en de keuzes die de moeder maakt waardoor er ook zorgen zijn over de veiligheid van het ongeboren kind [het ongeboren kind] . Uit tap berichten die de politie heeft vrij gegeven blijkt dat moeder onder druk is gezet om haar verklaring over wat er is gebeurd te wijzigen dan wel in te trekken. Er is tevens angst voor ontvoering naar het buitenland en eerwraak tegen zowel de moeder als het ongeboren kind [het ongeboren kind] . Het ongeboren kind [het ongeboren kind] zal op [datum] met een keizersnede geboren worden.
4.5.
De kinderrechter kan een ongeboren kind als geboren beschouwen als dit in zijn belang is. [2] Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat het ongeboren kind [het ongeboren kind] uit huis wordt geplaatst. [3]
4.6.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor het ongeboren kind [het ongeboren kind] . Daarom machtigt de kinderrechter de GI om het ongeboren kind [het ongeboren kind] uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken.
4.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.8.
De GI en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
beschouwt het ongeboren kind als geboren;
5.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van het ongeboren kind [het ongeboren kind] in een pleeggezin met ingang van 9 juli 2026 tot 6 augustus 2026;
5.3.
verklaart de beslissing onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en bepaalt de voorzetting daarvan op een nader te bepalen zitting;
5.5.
bepaalt dat de griffier de GI, de vader en de moeder tijdig zal oproepen voor die zitting.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.D. de Jong, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026, in aanwezigheid van M.P. van Driel als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 10:113 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en artikel 7 van Pro de Verordening Brussel-II-ter
2.Artikel 1:2 BW Pro.
3.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).