Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen
Menzies Aviation (Ground Handling) B.V., uit Schiphol, eiseres
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Samenvatting
Procesverloop
14 maart 2023 aan Menzies een eis gesteld tot naleving van artikel 5.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit). Met het bestreden besluit van 8 mei 2024 heeft de minister op het bezwaar van Menzies beslist. De minister heeft de eis gedeeltelijk aangepast, in die zin dat de minister acties 3 en 4 nu stelt ter naleving van artikel 5.3, aanhef en onder a van het Arbobesluit. Ook de tekst van acties 3 en 4 is aangepast. Voor het overige is de minister bij de eis tot naleving gebleven.
[naam 4] (juridisch adviseur afdeling handhaving), [naam 5] (senior medewerker afdeling boete, dwangsom en inning), [naam 6] (specialist ergonomie van het Kenniscentrum van de NLA), [naam 7] (specialist ergonomie van het Kenniscentrum van de NLA) en
De vaststaande feiten
“Weinig innovatie
License to Operate, Rules to promote the proper functioning of the Airport(hierna: License to Operate), opgesteld door Schiphol.
De toe te passen toetsingskaders
Centrale voorzieningen
De gronden van beroep en de beoordeling daarvan
Aanvullend wijst de rechtbank erop dat de minister zich niet noodzakelijkerwijs enkel hoeft te richten tot Menzies als werkgever. Artikel 16, lid 8, van de Arbeidsomstandighedenwet voorziet immers in de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur te bepalen dat de verplichting tot naleving van bepaalde voorschriften rust op iemand anders dan de werkgever. De wetsbepaling noemt de eigenaar, beheerder, of degene die anderszins bevoegd is te beslissen over het ontwerp, de vervaardiging of het onderhoud van arbeidsplaatsen en arbeidsmiddelen. Uit het vierde lid van artikel 27 van Pro de Arbeidsomstandighedenwet volgt dat die aangewezen persoon gelijk wordt gesteld met een werkgever, als het gaat om een eis tot naleving.
2 jaar of binnen een onderbouwde redelijke termijn te komen tot de geëiste automatisering en mechanisatie van het bagage-afhandelproces in de bagagehallen.
náde gestelde eis tot naleving hebben voorgedaan bij zijn heroverweging te betrekken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dit toetsingskader miskend. Het bestreden besluit dateert van 8 mei 2024. Daarin motiveert de minister de eis tot naleving en haar standpunt dat Menzies meer had kunnen doen enkel met de gedane inspecties die hebben plaatsgevonden
voorafgaandaan de gestelde eis tot naleving. De minister heeft aldus nagelaten om in de heroverweging de feiten en omstandigheden te betrekken die zich na het stellen van de eis tot naleving hebben voorgedaan.
Conclusie en gevolgen
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,00 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
mr. F.K. van Wijk, leden, in aanwezigheid van mr.F. Vermeij, griffier.