ECLI:NL:RBNHO:2026:8618

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
15/204323-20
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Wvw 1994Art. 5 Wvw 1994Art. 7 Wvw 1994Art. 19 Rvv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte in zaak dodelijk verkeersongeval Zuiderwoude

Op 25 juli 2020 vond in Zuiderwoude een dodelijk verkeersongeval plaats waarbij een 14-jarig meisje werd aangereden. Verdachte werd beschuldigd van schuld aan het ongeval, het veroorzaken van gevaar op de weg, het niet tijdig tot stilstand komen en het verlaten van de plaats van het ongeval. Na uitgebreid onderzoek en een langdurige procedure sprak de rechtbank verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten.

De rechtbank oordeelde dat verdachte tussen de 50 en 80 km/u reed en dat hij kortstondig (ongeveer 2,5 seconden) naar de navigatie keek, wat onder de omstandigheden niet als aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend kan worden beschouwd. Er was onvoldoende bewijs dat verdachte niet tijdig had kunnen stoppen of dat hij gevaar op de weg had veroorzaakt. Ook kon niet worden vastgesteld dat verdachte wist of moest vermoeden dat hij een persoon had aangereden, mede omdat het letsel en de sporen wezen op een liggend slachtoffer en verdachte dacht een dier te hebben geraakt.

Verder was er geen bewijs dat verdachte het slachtoffer had verplaatst of dat hij bewust de plaats van het ongeval had verlaten met kennis van de ernst. De rechtbank vernietigde de eerder opgelegde strafbeschikking en sprak verdachte vrij. De vorderingen tot schadevergoeding van de ouders van het slachtoffer werden niet-ontvankelijk verklaard omdat verdachte werd vrijgesproken.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten in verband met het dodelijk verkeersongeval.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/204323-20 (P)
Uitspraakdatum: 14 juli 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 30 juni 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie
mr. B. Rademacher en mr. A.S. Heij (hierna gezamenlijk aangeduid als: officier van justitie) en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. M.F.M. Geeratz, advocaat te Venlo, alsmede mr. S.M. Diekstra, advocaat te Leiden, namens de benadeelde partijen naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is – samengevat – ten laste gelegd dat hij:
Feit 1 primair:
op 25 juli 2020 te Zuiderwoude zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, doordat hij niet in staat was om zijn auto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was. Hij heeft immers niet voortdurend en/of onvoldoende zijn aandacht bij de weg en/of het verkeer gehouden en/of op de weg gelet en heeft naar een mobiele telefoon en/of de navigatie gekeken en/of daar instructies over het gebruik daarvan gegeven en/of is niet in staat geweest om de voetganger [slachtoffer] te ontwijken waarna de verdachte met zijn auto tegen/over haar is gereden, waardoor zij is gedood; (artikel 6 Wegenverkeerswet Pro 1994, hierna: Wvw)
Feit 1 subsidiair:
op 25 juli 2020 te Zuiderwoude op de Waterlandse Zeedijk ( Provincialeweg N518 ) heeft gereden op zodanige wijze dat gevaar of hinder op die weg werd veroorzaakt, doordat hij niet in staat was om zijn auto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was. Hij heeft immers niet voortdurend en/of onvoldoende zijn aandacht bij de weg en/of het verkeer gehouden en/of op de weg gelet en heeft naar een mobiele telefoon en/of de navigatie gekeken en/of daar instructies over het gebruik daarvan gegeven en/of is niet in staat geweest om de voetganger [slachtoffer] te ontwijken waarna de verdachte met zijn auto tegen/over haar is gereden, door welke gedraging gevaar op die weg werd of kon worden veroorzaakt; (artikel 5 Wvw Pro)
Feit 1 meer subsidiair
op 25 juli 2020 te Zuiderwoude op de Waterlandse Zeedijk ( Provincialeweg N518 ) zodanig snel heeft gereden dat hij niet in staat was om zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, doordat hij niet in staat was om zijn auto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was. Hij heeft immers niet voortdurend en/of onvoldoende zijn aandacht bij de weg en/of het verkeer gehouden en/of op de weg gelet en heeft naar een mobiele telefoon en/of de navigatie gekeken en/of daar instructies over het gebruik daarvan gegeven en/of is niet in staat geweest om de voetganger [slachtoffer] te ontwijken waarna de verdachte met zijn auto tegen/over haar is gereden; (artikel 19 Reglement Pro verkeersregels en verkeerstekens 1990, hierna: RVV)
Feit 2
op 25 juli 2020 te Zuiderwoude een verkeersongeval heeft veroorzaakt en de plaats van dat ongeval heeft verlaten, terwijl hij wist of moest vermoeden dat schade was toegebracht, [slachtoffer] in hulpeloze toestand werd achtergelaten of [slachtoffer] was gedood. (artikel 7 Wvw Pro)
De volledige tekst van de tenlastelegging is
als bijlage Iaan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.InleidingIn de nacht van 24 op 25 juli 2020 is [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), die toen 14 jaar oud was, na een ruzie met haar ouders van huis in Marken weggelopen. Na een paar uur werd ze midden in de nacht door de politie gevonden, half in de berm van de Provincialeweg bij Zuiderwoude . [slachtoffer] was toen al overleden. Na onderzoek bleek dat een auto met witte ( Duitse ) kentekenplaten bij het ongeval was betrokken en dat de verdachte de bestuurder van die auto was. Er zaten drie anderen bij hem in de auto.

Het Openbaar Ministerie besloot in eerste instantie om de verdachte niet voor de strafrechter te vervolgen. Volgens het Openbaar Ministerie zou destijds alleen te bewijzen zijn dat de verdachte niet op tijd zijn auto tot stilstand had gebracht. Daarom werd aan hem een strafbeschikking (boete) opgelegd van € 1.500,-. De ouders van [slachtoffer] waren het met deze beslissing niet eens. Op verzoek van de ouders heeft het Gerechtshof Amsterdam in oktober 2022 aan het Openbaar Ministerie de opdracht gegeven om meer onderzoek naar de toedracht van het ongeval te doen en de zaak aan de strafrechter voor te leggen.
In de daaropvolgende periode heeft veelvuldig en uitgebreid onderzoek plaatsgevonden. Dit heeft er mede toe geleid dat de zaak pas in 2026, ruim zes jaar na het ongeval, door de rechtbank inhoudelijk is behandeld. Dit is ongebruikelijk lang en de rechtbank realiseert zich dat dit voor de direct betrokkenen, waaronder de nabestaanden en de verdachte, een zeer ongelukkige situatie is geweest.
In de hiervoor onder 1. genoemde tenlastelegging zijn bij feit 1 primair en subsidiair twee vormen van mogelijke schuld aan de zijde van de verdachte beschreven, namelijk 1) dat hij aanmerkelijk dan wel 2) dat hij zeer onvoorzichtig of onoplettend heeft gereden. De rechtbank benadrukt dat ‘schuld’ in het normale spraakgebruik een andere betekenis heeft dan ‘schuld’ in juridische zin. Als iemand schuld heeft aan een strafbaar feit, heeft dat de juridische betekenis dat die persoon dat strafbaar feit niet opzettelijk (expres) heeft gedaan. In de tenlastelegging staan de gedragingen van de verdachte beschreven waaruit deze schuld aan het ongeval zou blijken. De rechtbank is gebonden aan de inhoud van de tenlastelegging en de daarin genoemde gedragingen. Alleen die gedragingen liggen ter beoordeling aan de rechtbank voor. Dit betekent dat de rechtbank moet beoordelen of de verdachte op grond van de wet schuld heeft aan het ongeval omdat hij (kortgezegd) niet voldoende op de weg heeft gelet waardoor hij niet in staat is geweest om [slachtoffer] te ontwijken en hij tegen of over haar is gereden en [slachtoffer] is overleden.
Bij feit 1 meer subsidiair, waarbij het gaat om een mogelijke overtreding van artikel 19 Rvv Pro, speelt schuld geen rol.
Bij feit 2 moet de rechtbank tot slot beslissen of de verdachte een verwijt te maken valt dat hij de plaats van het ongeval heeft verlaten.
De rechtbank (en de overige procesdeelnemers) heeft van het Openbaar Ministerie een procesdossier gekregen. In dat procesdossier zitten onder andere stukken van de politie (processen-verbaal van bevindingen), de verhoren van de verdachte en van de getuigen (die verhoren zijn door de politie in processen-verbaal uitgeschreven). In het procesdossier zitten verder de onderzoeksresultaten van deskundigen en de politie. De rechtbank gebruikt deze stukken en ook wat de verdachte op de zitting heeft gezegd, bij de beoordeling van de zaak.
Hierna zal de rechtbank eerst het standpunt van de officier van justitie (sterk samengevat) weergeven als ook dat van de verdediging. Daarna volgt het oordeel van de rechtbank, waarbij de rechtbank voor elk van de verweten gedragingen zal uitleggen wat de eisen van de wet zijn om tot een veroordeling te komen en ook hoe de rechtbank tot de beslissing is gekomen. Ten slotte zal de rechtbank beslissen op de door de vader en moeder van [slachtoffer] ingestelde vorderingen tot schadevergoeding. Zij willen dat de verdachte hun affectieschade en de kosten van de begrafenis van [slachtoffer] vergoedt.

4.Beoordeling van het bewijs

4.1.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie blijkt uit het procesdossier dat de verdachte tijdens het rijden bezig was met het navigeren en dat hij daardoor onvoldoende op de weg heeft gelet. Dit levert volgens de officier van justitie echter onvoldoende schuld op als bedoeld in artikel 6 Wvw Pro. De officier van justitie is daarom tot de conclusie gekomen dat de verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. De officier van justitie vindt dat de verdachte ook geen gevaar of hinder op de weg als bedoeld in artikel 5 Wvw Pro heeft veroorzaakt door tijdens het rijden bezig te zijn met de navigatie. Daarom moet de verdachte volgens de officier van justitie ook worden vrijgesproken van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde.
Wel vindt de officier van justitie dat de verdachte door de rechtbank moet worden veroordeeld voor de andere verwijten (feit 1 meer subsidiair en feit 2). De officier van justitie vindt namelijk dat de verdachte zodanig snel heeft gereden dat hij niet in staat was om tijdig de auto tot stilstand te brengen. Dit levert een overtreding op van artikel 19 RVV Pro. De officier van justitie vindt ook dat de verdachte de plaats van het ongeval heeft verlaten terwijl hij moest vermoeden dat [slachtoffer] hulpeloos werd achtergelaten of was gedood. Dit laatste is levert het misdrijf op van artikel 7 Wvw Pro.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte heeft de rechtbank gevraagd om de verdachte van alle beschuldigingen vrij te spreken.
4.3
Oordeel van de rechtbank
4.3.1
Wat is er gebeurd?De rechtbank zal eerst vaststellen wat de toedracht van het ongeval is geweest: wat is er gebeurd?
In de nacht van 24 op 25 juli 2020 is [slachtoffer] omstreeks 01:00 uur vanuit de ouderlijke woning in Marken weggelopen. Na enige tijd zijn zowel de moeder van [slachtoffer] als haar vader in de omgeving op zoek gegaan naar [slachtoffer] . Omstreeks 03:30 uur die nacht meldt de moeder van [slachtoffer] bij de politie dat zij wordt vermist. Politieagenten die naar aanleiding van deze melding vanuit Purmerend naar Marken rijden, vinden om ongeveer 03:43 uur in de berm van de Provincialeweg N518 ter hoogte van hectometerpaal 9.3 een gewond jong meisje. Het blijkt de vermiste [slachtoffer] te zijn. [slachtoffer] ademde niet en had geen hartslag. Reanimatie helpt niet, zij blijkt dan al te zijn overleden.
De agenten troffen [slachtoffer] aan met beide armen recht omhoog, boven haar hoofd. Ze lag op haar rug met haar bovenlichaam op de weg en met haar benen in de berm, bijna haaks ten opzichte van de wegas. Ze had een witte jas aan en een zwarte broek. Een politieagent die ook snel op de plek van het ongeval was, zag dat het gras om [slachtoffer] heen nog omhoog stond (terwijl het gras plat bleef als je erop liep). Op het wegdek zijn sporen gevonden die kunnen passen bij een aanrijding. Op het lichaam van [slachtoffer] wordt sectie verricht. De uitslag van de sectie, namelijk dat [slachtoffer] is overleden door de verwikkelingen van zeer hevig/hoogenergetisch stomp botsend, mogelijk (deels) comprimerend geweld op de romp, kan passen bij het overlijden als gevolg van een aanrijding door een voertuig.
Uit het politieonderzoek dat daarop volgde is gebleken dat [slachtoffer] , kort na 03:03 - 03:04 uur, op de weg door de auto van de verdachte is aan- en/of overreden. Rond 03:03-03:04 uur reed de auto van de verdachte namelijk 1.100 meter voor de plaats van het ongeval over een detectielus bij hectometerpaal 8.2 in de richting van Marken en bij later onderzoek aan de auto van de verdachte zijn er DNA-sporen van [slachtoffer] onder de auto gevonden. Bovendien heeft de verdachte verklaard dat hij over iets heen is gereden toen hij op de Provincialeweg reed, naar hij dacht een hert of een dier (of een drempel).
Op de plek van de detectielus (hectometerpaal 8.2 ) was de toegestane maximumsnelheid 80 km per uur. Door de detectielus is gemeten dat de auto van de verdachte op die plek 50 km per uur reed. Op de verdere route naar Marken is de toegestane maximumsnelheid 80 km per uur, waarbij op sommige stukken een adviessnelheid van 40 of 60 km per uur wordt aangegeven. Op de plek waar [slachtoffer] is gevonden, iets meer dan één kilometer na de detectielus, was de toegestane maximumsnelheid 80 km per uur. Op camerabeelden van de Geldmaat in Marken is te zien dat de auto van de verdachte omstreeks 03:09 uur de parkeerplaats aan de Kruisbaakweg in Marken inrijdt en daar parkeert.
Op de Provincialeweg N518 rond hectometerpaal 9.3 (waar [slachtoffer] half in de berm is gevonden) staan geen lantaarnpalen. Er loopt geen fiets- of voetpad direct naast de weg, maar wel op een hoger gelegen stuk van de dijk die parallel aan de weg loopt. Aan beide kanten van de weg ligt rond hectometerpaal 9.3 een berm en er staan geen huizen of andere bouwwerken aan de kant van de weg.
De verdachte heeft tijdens zijn verhoren bij de politie verklaard dat hij tussen de 50 en 60 km per uur heeft gereden en dat hij zijn dimlicht en mistlamp aanhad. Ter terechtzitting heeft hij verklaard dat hij ongeveer 50 of 60 km per uur reed maar in ieder geval niet harder dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 80 km per uur. [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ) zat naast de verdachte voor in de auto. Hij heeft verklaard dat ze rustig hebben gereden, de normale snelheid.
Er is geen bewijs in het dossier dat de verdachte zelf een telefoon in zijn hand had tijdens het rijden. De rechtbank gaat daar dan ook niet vanuit. De verdachte en [betrokkene] zijn bij de politie verhoord. Zij hebben verklaard dat [betrokkene] tijdens de rit een telefoon vasthield waarop de navigatie van de te rijden route was te zien. Zij hebben verder verklaard dat de navigatie vastliep, mogelijk door problemen met het mobiele internetnetwerk. De verdachte heeft vervolgens enige tijd gekeken op de navigatie op de telefoon in handen van [betrokkene] . Hij voelde op dat moment dat hij over iets heen reed. De auto begon te trillen en hij hoorde een geluid. [betrokkene] heeft verklaard dat hij op een bepaald moment voelde dat ze kennelijk over iets heen reden en dat hij merkte dat de verdachte sterk afremde. De verdachte is na enkele minuten verder rijden, op een parkeerplaats in Marken gestopt. Hij heeft daar de schade aan zijn voertuig bekeken. Bij de politie heeft de verdachte verklaard dat hij dacht dat hij over een hert of een ander dier was gereden en [betrokkene] heeft verklaard dat de verdachte dit toen ook tegen hem zei.
4.3.2
Vrijspraak van schuld aan het ongeval (feit 1 primair, artikel 6 Wvw Pro)De rechtbank oordeelt dat het primair ten laste gelegde feit niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.
De verdachte wordt er bij feit 1 primair van beschuldigd dat hij artikel 6 Wvw Pro heeft overtreden, doordat hij schuld heeft gehad aan een verkeersongeval, waardoor het slachtoffer is overleden. Om deze schuld te bewijzen, is het nodig dat kan worden vastgesteld dat dit verkeersongeval heeft plaatsgevonden doordat de verdachte zich als verkeersdeelnemer op zijn minst aanmerkelijk onvoorzichtig of aanmerkelijk onoplettend heeft gedragen. Van verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid is sprake, als de verkeershandelingen van de verdachte die tot het ongeval hebben geleid, tekortschoten ten opzichte van de handelingen die van een gemiddelde verkeersdeelnemer in een vergelijkbare verkeerssituatie mogen worden verwacht. Bij een kort moment van onoplettendheid zal geen sprake zijn van aanmerkelijke schuld, tenzij de omstandigheden zodanige aandacht vergden dat ook een kort moment als zeer onvoorzichtig moeten worden beschouwd.
De schuld bij artikel 6 Wvw Pro heeft geen betrekking op de relatie tussen het gedrag en de gevolgen bij één of meer slachtoffers. Dat betekent dat de schuld van de verdachte niet vaststaat alleen omdat [slachtoffer] door het ongeval is overleden. Hoe tragisch de gevolgen in dit geval ook zijn geweest, de rechtbank moet de schuld van de verdachte beoordelen aan de hand van zijn verkeersgedrag en niet aan de hand van de gevolgen.
De gedragingen die de verdachte worden verweten, staan genoemd in de tenlastelegging. De vraag is of de verdachte niet genoeg op de weg heeft gelet, doordat hij naar een mobiele telefoon of de navigatie keek of daarover instructies gaf aan de bijrijder [betrokkene] en niet in staat was om [slachtoffer] te ontwijken waardoor de verdachte met zijn auto haar heeft overreden.
Vast staat dat de verdachte naar de navigatie keek toen hij voelde dat de auto over iets heenreed. De vraag is hoe lang de verdachte niet naar de weg voor hem maar naar de navigatie heeft gekeken en of dat in de gegeven omstandigheden te lang is geweest. Hierbij is ook van belang wat de afstand was waarop [slachtoffer] voor de verdachte te zien moet zijn geweest. Naar deze laatste vraag is onderzoek gedaan, waarbij ook de positie van [slachtoffer] ten tijde van de aanrijding van belang is.
De rechtbank concludeert op basis van meerdere rapporten en onderzoeken [1] dat [slachtoffer] op het moment van de impact met de auto van de verdachte op de weg moet hebben gelegen en dat ze niet lopend of staand is aangereden. De aard van het letsel van [slachtoffer] wijst hierop. Zo had [slachtoffer] geen beenletsel, terwijl een aanrijding van een lopend of staand persoon in de meeste gevallen veel beenletsel tot gevolg heeft. Ook uit de schade aan de auto, namelijk op de voorbumper en aan de onderzijde van de auto maar niet op de motorkap of voorruit, volgt dat [slachtoffer] niet staand of lopend is aangereden. Ten slotte wijzen de sporen op de weg op een aan- of overrijding van een lichaam dat op de weg lag.
Uit het onderzoek ‘Zicht’ dat door verbalisant [naam verbalisant] is uitgevoerd [2] , blijkt dat een liggend slachtoffer op de weg vanaf 55,56 meter afstand zichtbaar moet zijn geweest als de auto van de verdachte - zoals hij heeft verklaard - het dimlicht aan had. Afhankelijk van de snelheid waarmee is gereden, heeft de verdachte volgens dit onderzoek [slachtoffer] kunnen zien tussen de 2,5 seconden (bij een snelheid van 80 km per uur) en 4 seconden (bij een snelheid van 50 km per uur). Omdat de verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] niet heeft zien liggen, maar op zijn navigatie keek, heeft hij - afhankelijk van de gereden snelheid - tussen de 2,5 en 4 seconden niet op de weg voor hem gelet.
De snelheid waarmee de verdachte vlak voor, en op het moment van de aanrijding heeft gereden is dus van doorslaggevende betekenis voor de vraag hoe lang [slachtoffer] voor de verdachte zichtbaar moet zijn geweest. Het politieonderzoek heeft echter niet exact kunnen vaststellen hoe hard de verdachte op de plek van het ongeval reed. De verdachte heeft verklaard dat hij tussen de 50 en 60 km per uur heeft gereden, maar in ieder geval niet harder dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 80 km per uur. Gelet op de onduidelijkheid over de exacte snelheid die de verdachte reed, kan de rechtbank niet buiten redelijke twijfel vaststellen hoe hard hij heeft gereden. Daarom kan de rechtbank niet anders dan ervan uitgaan dat de verdachte op het moment waarop [slachtoffer] is aangereden, tussen de 50 en 80 km per uur heeft gereden. Dit betekent dat de rechtbank er rekening mee moet houden dat de verdachte in elk geval en mogelijk niet langer dan 2,5 seconden niet op de weg voor hem heeft gelet.
Van de gemiddelde verkeersdeelnemer kan niet worden verwacht dat hij gedurende het rijden ononderbroken zijn aandacht op de weg voor hem houdt. In het algemeen wordt het tot een normale verkeershandeling gerekend als een bestuurder onder het rijden naar de navigatie kijkt. Dit geldt ook in het geval als de bestuurder ter plaatse onbekend is, zoals de verdachte. In deze zaak komt daarbij dat de aanrijding midden in de nacht heeft plaatsgevonden, dat het helder weer was en dat er weinig verkeer op de weg aanwezig was. Gelet op de inrichting van de weg hoefde de verdachte geen voetgangers of fietsers op de weg te verwachten. Tijdens het rijden op de plek net voor het ongeval was er dan ook geen bijzondere oplettendheid vereist. Onder deze omstandigheden kan niet gezegd worden dat de verdachte door 2,5 seconden zijn aandacht op de navigatie te richten, verwijtbaar aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend is geweest. Er is dus geen sprake van schuld in de zin van artikel 6 Wvw Pro.
De verdachte zal daarom van het onder 1 primair ten laste gelegde, overtreding van artikel 6 Wvw Pro, worden vrijgesproken.
4.3.3
Vrijspraak van gevaar op de weg veroorzaken (feit 1 subsidiair, artikel 5 Wvw Pro)Om tot een bewezenverklaring van artikel 5 Wvw Pro te kunnen komen, moet worden vastgesteld dat de verdachte zich in het verkeer zo heeft gedragen dat gevaar op de weg wordt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer wordt of kan worden gehinderd. Het enkel maken van één verkeersfout is niet voldoende. Er moet sprake zijn van gevaarlijk gedrag met een reële kans op een ongeval tot gevolg (een evidente vorm van gevaar).
Hiervoor heeft de rechtbank onder 4.3.2 voor het onder 1 primair ten laste gelegde uitgelegd dat de verdachte een kort moment, in elk geval 2,5 seconden, op de navigatie heeft gekeken en dat dit onder de gegeven omstandigheden als een normale verkeersgedraging moet worden beoordeeld. Dit betekent dat de rechtbank ook van oordeel is dat deze gedraging van de verdachte onder die omstandigheden niet zodanig is dat er een evidente vorm van gevaar ontstond of zou kunnen ontstaan.
De verdachte zal dan ook van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde, overtreding van artikel 5 WVW Pro, worden vrijgesproken.
4.3.4
Vrijspraak van niet tijdig tot stilstand komen (feit 1 meer subsidiair, overtreding van artikel 19 RVV Pro)Artikel 19 RVV Pro verplicht een bestuurder zijn snelheid zodanig te regelen dat hij in staat is zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is. Voor een bewezenverklaring moet kunnen worden vastgesteld dat de bestuurder, gelet op zijn snelheid, de beschikbare zichtafstand en de daarbij behorende remweg, niet in staat was tijdig tot stilstand te komen.
De rechtbank heeft bij feit 1 primair uitgelegd dat de verdachte [slachtoffer] op een afstand van 55,56 meter moet hebben kunnen zien en ook dat niet kan worden vastgesteld hoe hard de verdachte precies reed maar dat deze snelheid moet hebben gelegen tussen 50 en 80 km per uur. Het is een feit van algemene bekendheid dat de remweg bij gemiddelde omstandigheden op een Provinciale weg 53 meter is bij een snelheid van 80 kilometer per uur en 26 meter bij een snelheid van 50 kilometer per uur. Als alleen van deze gegevens wordt uitgegaan, had de verdachte dus bij een snelheid tussen de 50 en 80 km per uur voldoende tijd om de auto binnen de afstand waarop hij de weg kon overzien (namelijk 55,56 meter) tot stilstand te brengen. Dat betekent ook dat de verdachte niet te hard heeft gereden en zijn snelheid in relatie tot de remweg en de zichtafstand dus goed geregeld had.
Daarbij geldt dat de verdachte - als hij niet op de navigatie had gekeken - mogelijk 2,5 seconden de tijd zou hebben gehad om te reageren op een liggend persoon op de weg. Die reactietijd voor een ongebruikelijke situatie is zo kort, dat niet gezegd kan worden dat die tijd voldoende moet zijn geweest om een aanrijding met die persoon te kunnen voorkomen. De rechtbank trekt deze conclusie op basis van wat verbalisant [naam verbalisant] in zijn onderzoek ‘Zicht’ schrijft. Hij merkt daarin op dat een vermijdbaarheidsanalyse op basis van de gegevens niet kan worden gemaakt en dat dit onder meer te maken heeft met het verwachtingspatroon. De bestuurder van de auto verwachtte geen persoon op de weg en hoefde dit ook niet te verwachten. Normaal wordt een bij een ongevalsanalyse volgens [naam verbalisant] één schrikseconde reactietijd aangehouden bij een oplettende bestuurder in het verkeer. Maar hij schrijft ook dat in het donker, op een weg waar je dit niet hoeft te verwachten de reactietijd sterk kan oplopen.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte artikel 19 RVV Pro niet heeft overtreden. De snelheid waarmee de verdachte in de auto reed was voldoende om tijdig te kunnen stoppen, terwijl een bestuurder die wel voortdurend op de weg had gekeken geen op de weg liggend persoon hoefde te verwachten en een (veel) langere reactietijd dan één seconde schrikreactie nodig zou hebben gehad om in staat te zijn om op die ongebruikelijke situatie tijdig te reageren.
4.3.5
Vrijspraak van verlaten plaats ongeval (feit 2, artikel 7 Wvw Pro)Het is degene die bij een verkeersongeval is betrokken of door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt, verboden de plaats van het ongeval te verlaten als hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat bij dat ongeval een ander is gedood of aan een ander letsel is toegebracht, of bij dat ongeval schade aan een ander is toegebracht of iemand in hulpeloze toestand wordt achtergelaten.
De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat sprake was een ongeval waarbij een persoon was gedood of letsel was toegebracht, dan wel dat hij schade aan een goed van een ander had toegebracht of dat hij iemand in hulpeloze toestand had achtergelaten. De rechtbank legt dat hieronder uit.
De verdachte en [betrokkene] hebben verklaard dat ze over iets heen zijn gereden. Uit de verklaringen van de verdachte en [betrokkene] blijkt niet dat zij in dit verband aan een persoon hebben gedacht. Dat was ook de reden, zo hebben ze verklaard, dat ze niet direct gestopt zijn maar zijn doorgereden naar de parkeerplaats in Marken . Gelet op de feitelijke situatie op de plaats waar [slachtoffer] is aangereden zoals hiervoor onder 4.3.1 is beschreven, zijn die verklaringen niet zodanig dat die op voorhand als onaannemelijk moeten worden aangemerkt. Het was immers een Provinciale weg waar geen voetgangers of fietsers waren toegestaan. Het fietspad was gescheiden van de weg en liep op een hoger gelegen dijk. Naast de weg bevond zich een berm met hoog gras en er stonden geen huizen of gebouwen naast de weg. Het was kortom een landelijk gebied buiten de bebouwde kom. Daarbij geldt dat aan de auto geen schade te zien was die onmiskenbaar wijst op een aanrijding met een staand of lopend persoon. De verdachte heeft zelf verklaard dat hij op de parkeerplaats te Marken de auto op schade heeft geïnspecteerd. Hij heeft toen (lichte) schade onderaan de rechterbumper, rechterspatscherm en de rechtermistlamp gezien. Het schadebeeld aan de voor- en onderzijde van de auto biedt volgens de rechtbank ondersteuning voor de juistheid van de verklaring van de verdachte dat hij daadwerkelijk heeft gedacht een dier te hebben aangereden. Daar komt bij dat aan een forensisch onderzoeker verkeersongevallen bij het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) de vraag is gesteld “Kan/moet je als bestuurder herkennen dat je over een mens bent gereden?”. Het antwoord op deze vraag was dat je het verschil tussen het overrijden van een hert of lam en een mens (of ander dier) vermoedelijk niet kan duiden. [3] Anders dan de officier van justitie heeft gesteld, hoefde de verdachte naar het oordeel van de rechtbank bij de gedachte dat hij een (wild) dier heeft overreden niet redelijkerwijs te vermoeden dat hij schade aan een (goed van een) ander heeft toegebracht.
De verdachte zou wel moeten hebben geweten of moeten hebben vermoed dat hij [slachtoffer] had aangereden of in hulpeloze toestand had achtergelaten, als kan worden vastgesteld dat de verdachte en/of de inzittenden in de auto [slachtoffer] na de aanrijding richting de berm heeft/hebben verplaatst. De wijze waarop [slachtoffer] aan de kant van de weg was aangetroffen, gaf namelijk aanleiding te onderzoeken of zij na de aanrijding was verplaatst. Door de politie en de verschillende deskundigen is hier uitgebreid onderzoek naar gedaan waarbij ook de vraag is onderzocht of zij zichzelf kan hebben verplaatst.
De eerste vraag hierbij is of er voor de verdachte genoeg tijd was om [slachtoffer] te verplaatsen. In dit verband overweegt de rechtbank het volgende.
Op grond van onderzoeksresultaten in het procesdossier komt de rechtbank tot de vaststelling dat de verdachte voor het stoppen na de aanrijding, uit te stappen, vast te stellen wat er gebeurd was, te besluiten om [slachtoffer] te verplaatsen, naar haar toe te lopen, haar vast te pakken, haar naar de berm te brengen, terug naar de auto te lopen, in te stappen en weg te rijden ten hoogste één minuut en 40 seconden de tijd moet hebben gehad. De politie heeft namelijk zelfstandig willen vaststellen wat de gemiddelde reistijd is van de plek van de detectielus bij hectometerpaal 8.2 tot de parkeerplaats bij de Geldmaat in Marken . De verbalisanten rijden dit stuk weg in beide richtingen één keer, dus tweemaal in totaal en doen daar gemiddeld 4 minuten en 41 seconden over. De verdachte heeft over deze afstand tot één minuut en 40 seconden langer gedaan dan de politie. Op grond van deze bevindingen zou de verdachte dus tot één minuut en 40 seconden de tijd hebben gehad voor de genoemde handelingen.
Het onderzoek van de politie heeft echter niet onder gelijke omstandigheden plaatsgevonden als die waarbij de verdachte over de weg reed. De politie reed namelijk overdag en niet in de nacht en de politie was ter plaatse bekend en de verdachte niet. De uitkomsten van de gemiddelde reistijd over de weg van de detectielus tot aan de Geldmaat in Marken moet daarom met de nodige voorzichtigheid worden beoordeeld. Het is met andere woorden niet uit te sluiten dat de gemiddelde reistijd van de politie geen adequate inschatting is voor de tijd die de verdachte daarvoor nodig heeft gehad, waardoor er voor de verdachte minder tijd dan 1 minuut en 40 seconden overbleven om [slachtoffer] te hebben verplaatst. Dit geldt temeer omdat de verdachte heeft verklaard, hetgeen door [betrokkene] is bevestigd, dat hij heeft afgeremd toen hij over iets was heengereden. Onder deze omstandigheden vindt de rechtbank het niet aannemelijk dat de verplaatsing van [slachtoffer] door de verdachte binnen hooguit één minuut en 40 seconden gebeurd kan zijn.
De tweede vraag is of er sporen zijn gevonden die wijzen op een verplaatsing van [slachtoffer] door de verdachte of de inzittenden in de auto. Er heeft DNA-onderzoek plaatsgevonden aan het lichaam en de kleding van [slachtoffer] . Aan het lichaam van [slachtoffer] is geen DNA aangetroffen dat overeenkomt met het DNA van de verdachte of de inzittenden in de auto. Als er wel DNA van de verdachte zou zijn aangetroffen, zou dat een aanwijzing kunnen zijn dat hij haar verplaatst zou hebben. Door de afwezigheid van zijn DNA en dat van de inzittenden bevat het dossier geen aanwijzing dat de verdachte [slachtoffer] heeft verplaatst. Dat geldt temeer omdat aan de binnenkant van de auto van de verdachte geen DNA van [slachtoffer] is gevonden. Als er wel DNA van [slachtoffer] in de auto van de verdachte zou zijn gevonden, zou dat een aanwijzing kunnen zijn van een secundaire overdracht van dat DNA nadat [slachtoffer] door de verdachte zou zijn verplaatst. Het dossier bevat dus ook niet een aanwijzing dat zulk secundair overdracht heeft plaatsgevonden. Ook het forensisch onderzoek aan de kleding en het lichaam van [slachtoffer] hebben geen sporen gevonden die specifiek wijzen op het verslepen van [slachtoffer] door een persoon. [4]
Om het onderzoek zo volledig mogelijk te laten plaatsvinden, zijn alle scenario’s - hoe onwaarschijnlijk die op het eerste gezicht ook zouden mogen lijken - onderzocht. Eén van die scenario’s is dat [slachtoffer] na de aanrijding niet door een ander is verplaatst maar zichzelf naar de berm van de weg heeft weten te verplaatsen. [deskundige] (arts en forensisch patholoog) heeft op verzoek van de ouders van [slachtoffer] de vraag of zij “op eigen kracht in de berm is beland” ontkennend beantwoord. Gelet op het letsel is dit volgens [deskundige] uitgesloten. Aan [deskundige] (forensisch patholoog) is door het Openbaar Ministerie de vraag voorgelegd of “het slachtoffer nog activiteiten [kan] verrichten, in het bijzonder voortbewegen op eigen kracht richting de eindpositie, met de verkregen letsels, na de aanrijding/overrijding?”. Deze vraag beantwoordt [deskundige] bevestigend. De deskundige stelt dat de inwendige verwondingen ernstig waren en dat deze na het oplopen daarvan tot een directe handelingsonbekwaamheid of tot de dood kunnen hebben geleid maar beslist niet onmiddellijk hoeven te hebben geleid. Personen met dergelijke letsels kunnen nog een tijd in leven blijven en zelfs activiteiten verrichten. Dat betekent dat zij zich ook kunnen voortbewegen op eigen kracht, aldus de deskundige [deskundige] . In dit verband acht de rechtbank ook van belang dat door [deskundige] (patholoog bij het VU Medisch Centrum Amsterdam) een wonddateringsonderzoek is uitgevoerd waarbij de conclusie was dat het letsel minimaal meerdere minuten tot enkele tientallen minuten oud was. Dit betekent dat de vraag open blijft staan of de verplaatsing van [slachtoffer] door één of meer anderen is gebeurd of toch door haarzelf.
In de vroege ochtend van 25 juli 2020 heeft de verdachte Nederland weer verlaten. Na enkele uren geparkeerd te hebben op de parkeerplaats bij de Geldmaat in Marken , is hij eerst kort met de auto Marken ingereden om vervolgens naar het Europarcs Resort “Poort van Amsterdam” in Uitdam te rijden. Hij is hierbij langs de politieafzetting op de Provincialeweg N518 gereden. Iets voor 07:00 uur rijdt de verdachte over de Durgerdammerdijk in de richting van de Rijksweg A10 . Rond 08:00 uur rijdt hij via de Rijksweg A1 in de richting van Duitsland. Het dossier biedt geen enkel aanknopingspunt voor de conclusie dat deze handelwijze van de verdachte erop wijst dat hij een vlucht heeft ingezet en daaruit zou blijken dat hij moet hebben geweten dat hij iets ergs had gedaan, namelijk dat hij een persoon - [slachtoffer] - had overreden.
Gelet op het voorgaande kan de rechtbank op basis van het dossier niet vaststellen dat de verdachte heeft geweten of redelijkerwijs heeft moet vermoeden dat bij het ongeval [slachtoffer] was gedood of aan haar letsel was toegebracht, of schade aan een ander was toegebracht of [slachtoffer] in hulpeloze toestand was achtergelaten. Niet kan worden uitgesloten dat de verdachte daadwerkelijk heeft gedacht een dier te hebben aangereden. Het tijdstip van de aanrijding in combinatie met de overige bevindingen over de snelheid, laten onvoldoende tijd over waarbinnen de verdachte [slachtoffer] zou hebben moeten verplaatsen. Er is geen DNA van de verdachte op [slachtoffer] gevonden en er is geen DNA van [slachtoffer] in de auto aangetroffen. Bovendien sluiten de bevindingen van de deskundigen [deskundige] en [deskundige] een ander scenario dan het verplaatsen van [slachtoffer] door de verdachte niet uit.
De verdachte zal dan ook van het onder 2 ten laste gelegde, overtreding van artikel 7 Wvw Pro, worden vrijgesproken.

5.Vorderingen benadeelde partij

Namens benadeelde partijen [namen benadeelde partijen] heeft mr. S.M. Diekstra vorderingen tot schadevergoeding ingediend tegen de verdachte. Zij vorderen ieder een bedrag van € 20.000,00 aan affectieschade en de vader van [slachtoffer] vordert daarnaast ook de kosten van lijkbezorging van [slachtoffer] van € 8.154,84 en deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente.
Omdat de verdachte wordt vrijgesproken, kan de verdachte niet worden veroordeeld tot het betalen van schadevergoedingen aan de ouders van [slachtoffer] . Zij worden daarom in hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank zal bepalen dat de benadeelde partijen en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.

6.Beslissing

De rechtbank:
vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking van 13 september 2021 met
CJIB-nummer [.... 1]
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair en onder 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart de benadeelde partijen [namen benadeelde partijen] niet-ontvankelijk in de vorderingen;
compenseert de proceskosten van de benadeelde partijen [namen benadeelde partijen] en de verdachte, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. G.D. Kleijne, voorzitter,
mr. A.K. Korteweg en mr. P.E.A. Chao, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffiers, mr. M.N. de Bruijn en M. Leijtens, MSc.,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 juli 2026.
Bijlage I
Feit 1 primair
hij op of omstreeks 25 juli 2020 te Zuiderwoude , gemeente Waterland als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (te weten een personenauto, merk Mazda, type 3) daarmede rijdende over de weg, de Waterlandse Zeedijk ( Provincialeweg N518 ), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend op de weg te rijden op zodanige wijze dat hij, verdachte, niet in staat was om zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers heeft/is verdachte,
- niet voortdurend en/of onvoldoende zijn aandacht bij de weg en/of het verkeer gehouden, en/of
- niet, althans in onvoldoende mate, op het voor hem gelegen weggedeelte van voornoemde weg en/of het overige verkeer gelet en/of blijven letten, en/of
- naar een mobiele telefoon en/of de navigatie gekeken en/of aanwijzingen/instructies gegeven aangaande het gebruik van die telefoon en/of navigatie, en/of
- niet in staat geweest een op datzelfde weggedeelte/diezelfde rijbaan bevindende voetganger (genaamd [slachtoffer] ) te ontwijken,
- waarna verdachte met het door hem bestuurde motorrijtuig tegen/over die [slachtoffer] is gereden, waardoor die [slachtoffer] werd gedood.
Feit 1 subsidiair
hij op of omstreeks 25 juli 2020 te Zuiderwoude , gemeente Waterland als bestuurder van een voertuig (te weten een personenauto, merk Mazda, type 3), daarmee rijdende op de weg, de Waterlandse Zeedijk ( Provincialeweg N518 ), op de weg te rijden op zodanige wijze dat hij, verdachte, niet in staat was om zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers heeft/is verdachte,
- niet voortdurend en/of onvoldoende zijn aandacht bij de weg en/of het verkeer gehouden, en/of
- niet, althans in onvoldoende mate, op het voor hem gelegen weggedeelte van voornoemde weg en/of het overige verkeer gelet en/of blijven letten, en/of
- naar een mobiele telefoon en/of de navigatie gekeken en/of aanwijzingen/instructies gegeven aangaande het gebruik van die mobiele telefoon en/of navigatie, en/of
- niet in staat geweest een op datzelfde weggedeelte/diezelfde rijbaan bevindende voetganger (genaamd [slachtoffer] ) te ontwijken,
- waarna verdachte met het door hem bestuurde voertuig tegen/over die [slachtoffer] is gereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
Feit 1 meer subsidiair
hij op of omstreeks 25 juli 2020 te Zuiderwoude , gemeente Waterland als bestuurder van een voertuig (een personenauto, merk Mazda, type 3) rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten de Waterlandse Zeedijk ( Provincialeweg N518 ), zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers heeft/is verdachte,
- niet voortdurend en/of onvoldoende zijn aandacht bij de weg en/of het verkeer gehouden, en/of
- niet, althans in onvoldoende mate, op het voor hem gelegen weggedeelte van voornoemde weg en/of het overige verkeer gelet en/of blijven letten, en/of
- naar een mobiele telefoon en/of de navigatie gekeken en/of aanwijzingen/instructies gegeven aangaande het gebruik van die mobiele telefoon en/of navigatie, en/of
- niet in staat geweest een op datzelfde weggedeelte/diezelfde rijbaan bevindende voetganger (genaamd [slachtoffer] ) te ontwijken,
- waarna verdachte met het door hem bestuurde voertuig tegen/over die [slachtoffer] is gereden.
Feit 2
hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig (te weten een personenauto, merk Mazda, type 3) had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Zuiderwoude , gemeente Waterland op/aan de Waterlandse Zeedijk ( Provincialeweg N518 ), op of omstreeks 25 juli 2020 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden,
- schade aan een ander was toegebracht, en/of
- aan een ander (te weten [slachtoffer] ), aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten, en/of
- een ander (te weten [slachtoffer] ) was gedood.

Voetnoten

1.Te weten: het deskundigenrapport van [.... 1] (map B2 dossierpagina 372), de ongevallenanalyse opgesteld door [.... 1] en [.... 1] (map B2 dossierpagina 343), de Verkeersongevallenanalyse opgesteld door verbalisant [.... 1] (map B1 dossierpagina 306) en de reflectie op deze analyse, opgesteld door verbalisanten van de Koninklijke Marechaussee [.... 1] en [.... 1] (map B2 dossierpagina 338).
2.Map B1 dossierpagina 315.
3.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 april 2021, map B2 dossierpagina 399.
4.NFI Onderzoek aan Microsporen en Materialen naar aanleiding van een verkeersongeval met dodelijke afloop in Zuiderwoude op 25 juli 2020 d.d. 15 december 2023, Map C2, dossierpagina 698 en Proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [.... 1] ) d.d. 7 augustus 2020, map C1, dossierpagina 35 .