ECLI:NL:RBNHO:2026:8649

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
15/271428-25
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 45 SrArt. 46b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot diefstal met geweld ondanks beroep op vrijwillige terugtred

De rechtbank Noord-Holland heeft op 9 juli 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte die werd verdacht van poging tot diefstal met geweld bij een Lidl in Purmerend op 12 oktober 2025. De verdachte had een mes getrokken en dreigend om geld gevraagd, maar de diefstal werd niet voltooid doordat de kassière de lade dichtdeed en wisselgeld naar hem gooide.

De verdediging voerde aan dat sprake was van vrijwillige terugtred, omdat de verdachte bewust afzag van het voltooien van het misdrijf. De rechtbank verwierp dit verweer omdat het niet aannemelijk was dat het terugtreden het gevolg was van een spontane besluitvorming, maar van externe omstandigheden. De poging tot diefstal met geweld werd bewezen verklaard.

De verdachte werd verminderd toerekeningsvatbaar verklaard op basis van een psychiaterrapportage die schizofrenierestverschijnselen en persoonlijkheidsproblematiek vaststelde. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 300 dagen op, waarvan 100 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en stelde bijzondere voorwaarden waaronder opname en behandeling in een forensische psychiatrische kliniek.

De bijzondere voorwaarden zijn dadelijk uitvoerbaar en omvatten onder meer meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling, begeleid wonen, dagbesteding en beheersing van middelengebruik. De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht op het onvoorwaardelijke deel van de straf.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 300 dagen gevangenisstraf, waarvan 100 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en proeftijd van twee jaar.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/271428-25 (P)
Uitspraakdatum: 9 juli 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 26 januari 2026, 13 april 2026 en 25 juni 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. R. Klein en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. J. Sietsma, advocaat te Koog aan de Zaan, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 12 oktober 2025 te Purmerend ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om geld in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de [benadeelde 1], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde 2], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
- een of meerdere malen een (groot)mes, althans een scherp voorwerp heeft getrokken en deze dreigend naar [benadeelde 2] en/of de kassalade heeft gericht en/of heeft getoond en/of;
- een of meerdere malen dreigend de woorden "geef geld, geef geld, geef geld, heeft geroepen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit omdat geen sprake was van een strafbare poging: de verdachte is vrijwillig teruggetreden.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
3.3.2
Bewijsoverweging
De raadsman heeft betoogd dat geen sprake is geweest van een poging tot diefstal met geweld (hierna ook: overval). De verdachte heeft de overval namelijk niet doorgezet. De rechtbank volgt dit standpunt niet, en legt hierna uit waarom.
Begin van uitvoering
Voor een strafbare poging tot het plegen van een misdrijf is nodig dat het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Volgens de Hoge Raad is sprake van een begin van uitvoering indien de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate waren gericht op de voltooiing van het misdrijf. Dit criterium is algemeen geformuleerd en de rechtspraak hierover is dan ook casuïstisch. Het komt aan op een beoordeling van de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Een belangrijke beoordelingsfactor is hoe dicht de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lagen, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats, en hoe concreet deze gedragingen daarop waren gericht.
De rechtbank stelt op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
De verdachte is op 12 oktober 2025 naar de [benadeelde 1] in Purmerend gegaan met een mes in zijn tas. Bij de kassa rekende hij bij [benadeelde 2] (hierna: de aangeefster) een pakje paracetamol af. Vervolgens reikte hij met zijn hand in zijn tas en pakte hier een groot mes uit. De verdachte wees met het mes richting de aangeefster en naar de kassalade en zei: ‘geef geld, geef geld!’. Vervolgens heeft de aangeefster de kassalade dichtgegooid en het wisselgeld naar de verdachte gegooid. De aangeefster zei tegen een collega ‘hij heeft een mes bij zich’. De verdachte liep op dat moment weg.
Deze gedragingen van de verdachte zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate gericht op de voltooiing van het misdrijf. Zij lagen in tijd en plaats dicht bij de voltooiing van het misdrijf. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een voltooide poging tot diefstal met geweld en dat dus bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat:
hij op 12 oktober 2025 te Purmerend ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om geld dat aan de [benadeelde 1] toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en te doen vergezellen van bedreiging met geweld tegen [benadeelde 2], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
- een mes heeft getrokken en deze dreigend naar [benadeelde 2] en de kassalade heeft gericht en
- dreigend de woorden "geef geld, geef geld” heeft gezegd,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Zoals hiervoor onder 3.2 vermeld heeft de raadsman een beroep op vrijwillige terugtred gedaan. Aangezien dit verweer, indien juist, aan de strafbaarheid van de bewezenverklaarde poging overval in de weg staat, zal de rechtbank dit verweer hieronder bespreken.
4.1
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat sprake is van vrijwillige terugtred als bedoeld in artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Volgens de raadsman heeft de verdachte de poging overval zelfstandig beëindigd zodra hij zich realiseerde dat hij de aangeefster niet wilde beroven en er bewust voor koos niets weg te nemen. De verdachte heeft verklaard dat hij geen vrouw wilde beroven en dat hij zich daarom heeft teruggetrokken. De raadsman stelt dat dit een intrinsieke, van de wil van de verdachte afhankelijke overweging is en dat geen sprake is geweest van een externe dwang.
4.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een beroep op vrijwillige terugtred niet kan slagen, omdat sprake is geweest van een begin van uitvoering. Daarnaast is het bij een poging gebleven omdat de aangeefster de kassalade dicht deed en snel naar achteren is gestapt. Dit zijn omstandigheden die niet als gevolg van de wil van de verdachte hebben plaatsgevonden.
4.3
Oordeel van de rechtbank
Van vrijwillige terugtred in de zin van artikel 46b Sr is sprake, indien de verdachte vrijwillig is teruggetreden voordat het misdrijf is voltooid. Of gedragingen van de verdachte toereikend zijn voor de conclusie dat het misdrijf niet is voltooid als gevolg van omstandigheden die van zijn wil afhankelijk zijn, hangt – mede gelet op de aard van het misdrijf – af van de concrete omstandigheden van het geval. Beslissend voor de vrijwillige terugtred is de vraag of het terugtreden het gevolg was van een spontane besluitvorming en niet plaatsvond uitsluitend onder invloed van externe omstandigheden. Daarbij verdient opmerking dat voor het aannemen van vrijwillige terugtred in geval van een voltooide poging veelal een zodanig optreden van de verdachte is vereist dat dit naar aard en tijdstip geschikt is het intreden van het gevolg te beletten.
Anders dan de raadsman, is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van vrijwillige terugtred door de verdachte. De feitelijke gedragingen van de verdachte waren in beginsel gericht op het voltooien van de diefstal. Daarnaast is, gelet op de beschreven gang van zaken, aannemelijk dat de verdachte de voorgenomen diefstal niet doorzette omdat hij daartoe werd belet door de aangeefster. Kortom: dat het voorgenomen misdrijf niet is voltooid is niet het gevolg van een spontaan besluit door de verdachte, maar van een externe omstandigheid, te weten: de aangeefster die de kassalade dicht deed. Aan de vereisten voor een geslaagd beroep op vrijwillige terugtred is dan ook niet voldaan. Het verweer wordt verworpen.
4.4
Kwalificatie
Het bewezenverklaarde levert op:
poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

5.1
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard en dat de verdachte om die reden moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
5.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte niet ontoerekeningsvatbaar is geweest. In lijn met het advies van de psychiater moet het feit in verminderde mate aan de verdachte worden toegerekend.
5.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft kennisgenomen van de door de psychiater [psychiater] opgemaakte Pro Justitia rapportage van 21 februari 2026. Uit deze rapportage volgt onder andere het volgende:
“Bij betrokkene is sprake van een psychische stoornis in de vorm van een schizofreniespectrumstoornis in remissie, met persisterende restverschijnselen zoals cognitieve desorganisatie, verhoogd wantrouwen, beperkt realiteitsbesef en gering ziekte- inzicht. Daarnaast is sprake van persoonlijkheidspathologie, passend bij een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken.
Ook ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde was sprake van bovengenoemde stoornissen. Hoewel er geen aanwijzingen zijn voor een floride psychose op dat moment, was wel sprake van blijvende schizofrenierestverschijnselen en persoonlijkheidsproblematiek die het functioneren beïnvloedden.
De aanwezige psychiatrische stoornissen hebben de gedragskeuzes en gedragingen van betrokkene ten tijde van het delict beïnvloed.
De schizofrenierestverschijnselen leidden tot verminderd beoordelingsvermogen, cognitieve rigiditeit en verhoogde achterdocht. Hierdoor was sprake van een beperkte realiteitstoetsing en verminderde mentale flexibiliteit. De persoonlijkheidsproblematiek, met name antisociale en narcistische trekken, droeg bij aan impulsiviteit, externaliserend gedrag, krenkbaarheid en een gebrekkig empathisch vermogen. In combinatie resulteerde dit in beperkte emotieregulatie en een verhoogde neiging tot acting-out bij frustratie of ervaren onrecht.
Dit leidt tot het advies om het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen.
Betrokkene was ten tijde van het delict niet volledig handelingsonbekwaam en kon in zekere mate doelgericht en planmatig handelen. Zijn wilsvrijheid en gedragsalternatieven waren echter beperkt door de combinatie van psychotische restverschijnselen, persoonlijkheidsgebonden ontremming en beperkte impulscontrole. Hierdoor was sprake van een verminderde, maar niet opgeheven, gedragscontrole en toerekenbaarheid.”
Gelet op het advies van de psychiater volgt de rechtbank de verdediging niet in de stelling dat de verdachte in het geheel niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn handelen en de gevolgen daarvan. De psychiater heeft duidelijk en gemotiveerd uitgelegd dat bij de verdachte sprake is van schizofrenierestverschijnselen en dat hij eerder psychoses heeft gehad, maar dat hij ten tijde van het delict niet volledig handelingsonbekwaam was. De rechtbank is van oordeel dat de rapportage op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de conclusie van de psychiater wordt ondersteund door een deugdelijk en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank neemt de conclusie dat het bewezenverklaarde de verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend over en maakt deze tot de hare.
Nu niet is gebleken dat de verdachte het bewezenverklaarde in het geheel niet valt toe te rekenen en er ook geen andere omstandigheden zijn die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, is de verdachte strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen, waarvan 101 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Van het onvoorwaardelijk strafdeel moet de tijd die de verdachte voorarrest heeft gezeten worden afgetrokken (waardoor de duur van het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest). Aan het voorwaardelijk strafdeel moeten de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden. Daarnaast heeft de officier van justitie dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gevorderd.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de psychische toestand van de verdachte en om aan hem een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest, eventueel aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf en met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal met geweld. De verdachte heeft een caissière van de [benadeelde 1] dreigend een mes getoond en gezegd ‘geef geld, geef geld’. Dat het tot een poging tot diefstal is gebleven, is een omstandigheid die niet aan de verdachte is te danken maar aan het handelen van de aangeefster. Een poging overval is een zeer ernstig feit en heeft in de regel een grote impact op de slachtoffers. Daar komt bij dat een gewapende overval ook gevoelens van onveiligheid veroorzaken in de samenleving
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 30 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
De rechtbank heeft verder gelet op de Pro Justitia rapportage van 21 februari 2026, zoals hiervoor onder 5.3 opgenomen. Overeenkomstig het advies van de psychiater zal de rechtbank het bewezenverklaarde feit in verminderde mate aan de verdachte toerekenen. Daarnaast adviseert de psychiater een deels voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden, waarbij de verdachte een sterk, gestructureerd en dwingend behandeltraject moet krijgen.
De reclassering heeft op 20 maart 2026 een rapportage over de verdachte uitgebracht. De reclassering heeft geadviseerd een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met daaraan verbonden de volgende bijzondere voorwaarden:
  • een meldplicht bij de reclassering;
  • opname in een zorginstelling;
  • ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname;
  • verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
  • het vinden en behouden van een dagbesteding;
  • beheersing van het middelengebruik.
De reclassering acht de verdachte in staat aan deze voorwaarden te voldoen, mits daarbij sprake is van een zorgmachtiging. Ook de psychiater heeft geadviseerd om te bezien of een zorgmachtiging kan worden ingezet of doorgezet, zodat zo nodig medicatietoediening en psychiatrische zorg kan worden afgedwongen. De rechtbank heeft uit het dossier opgemaakt dat bij beschikking van 29 augustus 2025 op grond van artikel 6:4 Wet Pro verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) een zorgmachtiging is verleend tot en met 29 augustus 2026. [1]
Oordeel van de rechtbank
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank houdt bij het bepalen van de duur daarvan rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte als strafverminderde omstandigheid. Omdat zowel de reclassering als de psychiater begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht en de verdachte is opgenomen in de Forensische Psychiatrische Kliniek in Rotterdam, zal de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen die gelijk is aan het voorarrest. Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd.
Alles afwegend, zal de rechtbank een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 300 dagen, waarvan 100 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Aan het voorwaardelijk strafdeel worden de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbonden.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Zonder een beschermend kader van bijzondere voorwaarden moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank baseert dit op de rapportages van de psychiater en de reclassering. Daarom beveelt de rechtbank dat de aan de voorwaardelijke veroordeling te verbinden bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

7.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 14a, 14b, 14c, 45, 312 van het Wetboek van Strafrecht.

8.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
300 (driehonderd) dagen. Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 100 (honderd) dagen,
nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als
bijzondere voorwaarden:
1. Meldplicht bij reclassering
De verdachte zal zich gedurende de proeftijd melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak.
2. Opneming in een zorginstelling
De verdachte zal zich tijdens de proeftijd voor de periode van één jaar of zoveel korter als de
reclassering nodig vindt, laten opnemen in en behandelen door een FPK of een soortgelijke
zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De behandeling is gericht op de psychische problematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
3. Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname
De verdachte zal zich aansluitend aan de klinische behandeling laten behandelen door forensische polikliniek Fivoor te Rotterdam of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de psychische problematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven
medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de verdachte dat een kortdurende klinische opname voor stabilisatie en crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat betrokkene zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.
4. Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
De verdachte zal gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijven in de begeleid wonen instelling ‘Zorghub 24/7’ of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
5. Dagbesteding
De verdachte zal zich inspannen voor het vinden en behouden van een dagbesteding met een vaste structuur.
6. Beheersing middelengebruik
De verdachte zal gedurende de proeftijd meewerken aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs) en/of lijst II (softdrugs) en/of middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.H. Bouwers, voorzitter,
mr. G.M.G. Hink en mr. P. Reemst, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. Verheul,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 juli 2026.
Bijlage
De bewijsmiddelen
(…)

Voetnoten

1.Bijlage bij proces-verbaal van verhoor verdachte in raadkamer van 19 november 2025.