ECLI:NL:RBNHO:2026:8654

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
15/013422-26
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 6:2:10 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzettelijke invoer van 4,5 kilogram cocaïne met vrijspraak medeplegen

De rechtbank Noord-Holland heeft op 9 juli 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte die op 13 januari 2026 op Schiphol 4539,46 gram cocaïne heeft ingevoerd. De verdachte werd beschuldigd van medeplegen en opzettelijke invoer van cocaïne. De rechtbank verklaarde het ten laste gelegde feit van opzettelijke invoer bewezen, maar sprak de verdachte vrij van medeplegen vanwege onvoldoende bewijs van nauwe en bewuste samenwerking.

De verdachte arriveerde met een vlucht uit de Dominicaanse Republiek en had vijf flessen met daarin cocaïne in zijn koffer. Hoewel de verdachte aanvankelijk verklaarde dat hij wist van de cocaïne, stelde hij ter zitting een andere verklaring voor, die de rechtbank niet geloofwaardig achtte. De rechtbank concludeerde dat de verdachte vol opzet handelde.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de hoeveelheid cocaïne en de bijdrage aan de internationale drugshandel. Tegelijkertijd werden de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals zijn dakloosheid en gezondheidsproblemen, en zijn meewerkende houding meegewogen. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 24 maanden op, met aftrek van voorarrest, lager dan de door het Openbaar Ministerie gevorderde 38 maanden.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf voor opzettelijke invoer van cocaïne, medeplegen vrijgesproken.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/013422-26 (P)
Uitspraakdatum: 9 juli 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 20 april 2026 en 25 juni 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in P.I. Rotterdam, locatie De Schie.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. R. Visser en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. N.H. Fridsma, advocaat te Heemskerk, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 13 januari 2026 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft partiële vrijspraak bepleit ten aanzien van het medeplegen.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, met uitzondering van het medeplegen, op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
3.3.2
Bewijsoverweging
De verdachte is op 13 januari 2026 met een vlucht vanuit de Dominicaanse Republiek aangekomen op de luchthaven Schiphol. In de koffer van de verdachte zijn vijf flessen aangetroffen waarin cocaïne was verborgen.
De verdachte heeft in zijn verhoor bij de Koninklijke Marechaussee (KMar) van 15 januari 2026 verklaard dat hij wist dat er cocaïne in zijn koffer zat. Ook heeft de verdachte toen verklaard dat hem was verteld dat de politie bij aankomst omgekocht zou zijn en hem zou doorlaten.
Eerst ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hem was verteld dat er XTC en viagra in de koffer zat. Pas toen de Douane-medewerker de flessen op Schiphol had opengemaakt, zou hij de geur van cocaïne hebben herkend en hebben geweten dat hij cocaïne had ingevoerd.
De rechtbank acht de op zitting bijgestelde verklaring van de verdachte niet geloofwaardig, gelet op de duidelijke en concrete verklaring die hij in eerste instantie bij de KMar heeft afgelegd. De rechtbank neemt daarom als vaststaand aan dat de verdachte bekend was met de aanwezigheid van cocaïne in zijn koffer en concludeert dat de verdachte vol opzet heeft gehad op de invoer daarvan in Nederland.
3.3.3
Vrijspraak medeplegen
Voor een bewezenverklaring van medeplegen is noodzakelijk dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking, waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage van de deelnemer aan het strafbare feit van voldoende gewicht moet zijn.
Uit het dossier kan weliswaar worden afgeleid dat de verdachte naar het vliegveld in Punta Cana (Dominicaanse Republiek) is gebracht door een ander die hem de koffer met cocaïne heeft verstrekt, dat hij instructies heeft gekregen over het vervoer van de koffer en dat hij geld zou krijgen voor de invoer. Maar deze omstandigheden zijn, mede gelet op de rol van de verdachte als koerier, onvoldoende voor de vaststelling dat de verdachte nauw en bewust met een ander heeft samengewerkt.
Dit leidt ertoe dat de rechtbank de verdachte van het ten laste gelegde medeplegen zal vrijspreken.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat
hij op 13 januari 2026 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6.Motivering van de straf

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 38 maanden.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden aan de verdachte op te leggen. De raadsvrouw heeft daarbij gewezen op de meewerkende houding van de verdachte, dat hij niet eerder in Nederland is veroordeeld voor een strafbaar feit en dat hij niet voor voorwaardelijke invrijheidsstelling in aanmerking zal komen.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de invoer van ongeveer 4,5 kilogram cocaïne. Cocaïne is een voor de volksgezondheid schadelijke stof. Gezien de ingevoerde hoeveelheid moet de cocaïne bedoeld zijn geweest voor verdere verspreiding en de handel in harddrugs. Met zijn handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van de internationale drugshandel, die gepaard gaat met vele andere vormen van (zware) criminaliteit
De persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft gelet op het strafblad van de verdachte van 25 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder in Nederland is veroordeeld.
Verder heeft de rechtbank acht geslagen op hetgeen de verdachte op de zitting naar voren heeft gebracht over zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder dat hij dakloos is en kampt met gezondheidsproblemen.
De op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur rechtvaardigt. Bij het bepalen van de duur daarvan heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Volgens deze oriëntatiepunten is het uitgangspunt bij de invoer van vier tot vijf kilogram harddrugs een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 tot 38 maanden. Naast de hoeveelheid harddrugs heeft de rechtbank meegewogen de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de specifieke omstandigheden waaronder het feit is begaan. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en zijn meewerkende houding aanleiding om ten voordele van de verdachte van genoemd uitgangspunt af te wijken.
Kort na zijn aanhouding heeft de verdachte de codes van zijn telefoon afgegeven en in zijn verhoor bij de KMar heeft hij openheid van zaken gegeven. Daarmee heeft hij het onderzoek naar andere betrokkenen bij de invoer vergemakkelijkt en zijn twee andere verdachten aangehouden. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat de verdachte op straat leefde en dus in een kwetsbare positie verkeerde.
Alles afwegend, acht de rechtbank een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, passend.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 2 en Pro 10 van de Opiumwet.

8.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het onder 3.4 bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
24 (vierentwintig) maanden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. F.H.B. Budde, voorzitter,
mr. G.M.G. Hink en mr. P. Reemst, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. Verheul,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 juli 2026.
Bijlage
De bewijsmiddelen
(…)