ECLI:NL:RBNHO:2026:8658

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
15/084490-26, 15/091391-25 (gev ttz), 15/114567-26 (gev ttz) en 15/035018-24 (tul)
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 23 SrArt. 24c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor wederrechtelijke vrijheidsberoving, mishandeling, openlijke geweldpleging, diefstal en rijden met verlopen rijbewijs

De rechtbank Noord-Holland heeft verdachte veroordeeld voor zes strafbare feiten, waaronder wederrechtelijke vrijheidsberoving, mishandeling met een mes, vernieling, openlijke geweldpleging, diefstal van een bakfiets en rijden met een verlopen rijbewijs. De feiten vonden plaats tussen februari 2025 en maart 2026 in Hoorn en Medemblik.

De rechtbank verwierp het beroep op noodweer dat de verdediging voerde voor de openlijke geweldpleging. De bewezenverklaring is gebaseerd op verklaringen van slachtoffers, getuigen, politieverslagen, medische rapporten en camerabeelden. De rechtbank oordeelde dat verdachte een mes gebruikte bij de mishandeling en dat hij samen met medeverdachten openlijk geweld heeft gepleegd.

De strafmaat is tien maanden gevangenisstraf, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, inclusief bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij reclassering, ambulante behandeling, contactverbod en locatieverbod met elektronisch toezicht. Daarnaast is een geldboete van €430 opgelegd voor het rijden met een verlopen rijbewijs. De rechtbank wijst gedeeltelijk de schadevergoeding toe aan het slachtoffer en gelast de tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf wegens het niet naleven van de proeftijd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf, deels voorwaardelijk, met bijkomende voorwaarden en een geldboete van €430.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/084490-26, 15/091391-25 (gev ttz), 15/114567-26 (gev ttz) en 15/035018-24 (tul) (P)
Uitspraakdatum: 9 juli 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 25 juni 2026 in de zaken tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1].
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.
De zaak met parketnummer 15/084490-26 wordt hierna aangeduid als zaak A.
De zaak met parketnummer 15/091391-25 wordt hierna aangeduid als zaak B.
De zaak met parketnummer 15/114567-26 wordt hierna aangeduid als zaak C.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. R. Visser en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. C.C.J. Tuip, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is, verkort en zakelijk weergegeven, ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:
Zaak A
Feit 1
wederrechtelijke vrijheidsberoving van [benadeelde 1] op 20 maart 2026 te Hoorn;
Feit 2
primair
poging tot zware mishandeling van [benadeelde 1] op 20 maart 2026 te Hoorn;
subsidiair
mishandeling van [benadeelde 1] op 20 maart 2026 te Hoorn;
Feit 3
vernieling van een telefoon op 20 maart 2026 te Hoorn;
Zaak B
het openlijk in vereniging geweld plegen tegen [benadeelde 2] op 13 februari 2025 te Medemblik;
Zaak C
Feit 1
het rijden met een rijbewijs, waarvan de geldigheid is verstreken, op 19 augustus 2025 te Hoorn;
Feit 2
primair
diefstal van een bakfiets op 19 augustus 2025 te Hoorn;
subsidiair
heling van een bakfiets op 19 augustus 2025 te Hoorn.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten in zaak A, het ten laste gelegde feit in zaak B en de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten in zaak C.
3.2
Standpunt van de verdediging
Zaak A
De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt gesteld dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het tonen van een mes en het maken van steekbewegingen. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. Voor feit 3 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Zaak B
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het schoppen en het steken en/of snijden met een mes. Ten aanzien van het steken en/of snijden met een mes heeft hij subsidiair bepleit dat niet kan worden bewezen dat die handelingen in vereniging hebben plaatsgevonden.
Zaak C
Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft ten aanzien van feit 2 integrale vrijspraak bepleit.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten in zaak A, het ten laste gelegde feit in zaak B en de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten in zaak C op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
3.3.2
Bewijsoverwegingen zaak A (feiten 1 en 2)
Ten aanzien van feit 1
Op grond van het dossier en wat op zitting is besproken gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 20 maart 2026 gaat de verdachte naar het huis van [benadeelde 1] (hierna: de aangeefster) toe. De aangeefster wordt buiten door de verdachte vastgepakt en met kracht aan haar arm meegetrokken. Hij zegt tegen haar dat zij mee moet komen en dat zij haar telefoon moet afgeven. Vervolgens trekt de verdachte de aangeefster mee en blijft haar vasthouden. Zij lopen vanaf het adres van de aangeefster richting het [adres 2] in Hoorn. Dat heeft ongeveer tien tot vijftien minuten geduurd. De getuige [getuige] ziet dat aangeefster door de verdachte is vastgegrepen en meegetrokken. Hij heeft de politie gebeld en is de aangeefster en de verdachte op afstand gevolgd. De twee verbalisanten die ter plaatse komen, zien dat de aangeefster angstig uit haar ogen kijkt en dat zij onvrijwillig lijkt te worden meegetrokken. Ook zien zij op het rechterbovenbeen van de aangeefster twee kleine verse bloedvlekken. De aangeefster is later die dag bij de spoedeisende hulp geweest, waar de arts twee steekverwondingen heeft waargenomen. Deze wonden zijn gehecht en de aangeefster heeft een tetanusvaccin gekregen.
Tonen van en steken met een mes
De raadsman heeft betoogd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte een mes bij zich had, dat hij een mes heeft getoond en dat hij daarmee in het bovenbeen van de aangeefster heeft gestoken. Dit standpunt wordt niet gevolgd.
De rechtbank vindt de aangifte betrouwbaar en zal deze daarom als uitgangspunt voor de bewijsvoering nemen. De aangifte is consistent en gedetailleerd en wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen.
De aangeefster heeft verklaard dat de verdachte een mes bij zich had, dat hij deze heeft getoond, dat hij hiermee richting haar buik en been stekende bewegingen heeft gemaakt en dat zij daadwerkelijk in haar been is gestoken met het mes. Het letsel van de aangeefster op haar rechterbovenbeen past bij het steken met een mes. Verder beschrijft de politie dat de aangeefster wordt meegetrokken en dat zij angstig uit haar ogen kijkt. De verbalisanten zien verse bloedplekken op de plek waarover de aangeefster heeft verklaard daar te zijn gestoken door de verdachte. De getuige [getuige] verklaart dat de aangeefster door de verdachte is vastgegrepen en meegetrokken. Ook verklaart hij dat de aangeefster tegen hem zei dat de verdachte een mes had en dat zij daarmee was gestoken. Verder kan uit de beschrijving van de camerabeelden worden afgeleid dat de aangeefster niet vrijwillig met de verdachte is meegegaan.
Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van het voorgaande met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte een mes bij zich had en dat hij daarmee stekende bewegingen heeft gemaakt, als gevolg waarvan de aangeefster twee steekverwondingen heeft opgelopen.
Ten aanzien van feit 2
Onder feit 2 is primair een poging tot zware mishandeling en subsidiair mishandeling van de aangeefster ten laste gelegd. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is hoe het steken met het mes in het bovenbeen van de aangeefster gekwalificeerd moet worden.
Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte de uitdrukkelijke bedoeling heeft gehad om de aangeefster zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Van zogenoemd vol opzet is daarom geen sprake.
De vraag is vervolgens of de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de aangeefster. Het is vaste rechtspraak dat voor het aannemen van voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel is vereist dat de ten laste gelegde gedraging een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven heeft geroepen, de verdachte ten tijde van de gedraging wetenschap heeft gehad van die aanmerkelijke kans en hij die aanmerkelijke kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard dan wel op de koop heeft toegenomen. Onder een ‘aanmerkelijke kans’ op een bepaald gevolg moet worden verstaan een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat dit gevolg zal intreden. Leidend bij de beoordeling van de aanmerkelijkheid van de kans op het gevolg, is de vraag of die kans naar objectieve maatstaven aanwezig kon worden geacht.
De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende informatie bevat om te kunnen concluderen dat de kans aanmerkelijk was dat de aangeefster als gevolg van de stekende bewegingen met het mes zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Zo bevat het dossier geen informatie over de lengte of scherpte van het mes. Ook is niet duidelijk op welke wijze en met welke kracht de verdachte heeft gestoken. Tot slot blijkt uit de letselverklaring - die enkele weken na het incident is opgesteld - dat in verband met de gevorderde genezing niet meer kon worden vastgesteld wat voor soort verwondingen ten grondslag hebben gelegen aan de geconstateerde huidbeschadigingen op het rechter bovenbeen.
Omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte met zijn handelen een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven heeft geroepen, kan voorwaardelijk opzet op dit gevolg niet worden aangenomen. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het primair ten laste gelegde feit.
De rechtbank acht gelet op het geen hierboven ten aanzien van feit 1 is overwogen, wel bewezen dat de verdachte de aangeefster heeft mishandeld door meerdere keren met een mes in haar been te steken. Het onder 2 subsidiair ten laste gelegde feit is dan ook wettig en overtuigend bewezen.
3.3.3
Bewijsoverweging zaak B
De rechtbank gaat op grond van het dossier en wat op zitting is besproken uit van het volgende.
Op 13 februari 2025 gaat [benadeelde 2] (hierna: de aangever) naar het huis van [medeverdachte 1], de zus van de verdachte. In de woning zijn aanwezig de verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (hierna: de medeverdachten). Op enig moment verlaat de aangever de woning, maar komt vervolgens terug omdat hij iets vergeten is. De deur wordt niet open gedaan en hij trapt tegen de deur. Vervolgens komen de verdachte en de medeverdachten naar buiten op de aangever af. De verdachte heeft de aangever een klap in het gezicht gegeven. De aangever belandt op de grond en er ontstaat een worsteling. Hierbij heeft de aangever letsel opgelopen.
De verdachte wordt openlijke geweldpleging verweten. Het is vaste rechtspraak dat van in vereniging plegen van openlijk geweld sprake is indien de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld. Voor een bewezenverklaring van de ten laste gelegde geweldshandelingen is niet vereist dat de verdachte aan al die afzonderlijke geweldshandelingen een wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Beoordeeld moet worden of de door de verdachte geleverde bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde schoppen en het snijden en/of steken met een mes door een van de medeverdachten. Dit verweer wordt verworpen.
De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de aangifte en zal deze daarom als uitgangspunt voor de bewijsvoering nemen. De aangifte is op hoofdlijnen consistent en gedetailleerd en wordt op verschillende onderdelen bevestigd door ander bewijs. In de eerste plaats past het bij de aangever geconstateerde letsel bij de geweldshandelingen waarover hij in zijn aangifte heeft verklaard. Uit de letselverklaring blijkt dat de aangever een gebroken neus, een breuk aan zijn linkeroogkas (onderste botgedeelte), een kaakfractuur en licht traumatisch hoofdhersenletsel heeft opgelopen. Verder heeft de arts op de onderrug van de aangever drie lijnvormige oppervlakkige verwondingen en een puntvormige verwonding waargenomen. De bewoonster aan de [adres 3] heeft verklaard dat zij de betreffende ochtend geschreeuw hoorde en dat een op de grond liggend persoon door twee andere mannen werd geslagen en dat in hun nabijheid ook een vrouw stond. Bovendien komt de aangifte in grote lijnen overeen met de verklaringen van de verdachte en de getuigen over de aanleiding van de ruzie. Tot slot heeft de verdachte bekend dat hij de aangever heeft geslagen en zijn bij de verdachte verwondingen aangetroffen op zijn rechterhand.
De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat de aangever meerdere keren door de verdachte en de medeverdachten is geslagen. De verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] hebben de aangever allebei minstens één keer met kracht geslagen en medeverdachte [medeverdachte 1] heeft met een mes in de rug van de aangever gesneden. Het gaat om openlijke geweldpleging omdat het incident heeft plaatsgevonden op straat voor de woning van medeverdachte [medeverdachte 1]. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat voor het ten laste gelegde schoppen onvoldoende bewijs is, aangezien de aangever daarover niet heeft verklaard.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte een significante en wezenlijke bijdrage geleverd aan het geweld, zodat hij dat geweld in vereniging met de medeverdachten heeft gepleegd. Dat de verdachte niet alle ten laste gelegde handelingen zelf heeft verricht doet daaraan niet af, gelet op het hiervoor uiteengezette beoordelingskader.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde openlijke geweldpleging in vereniging.
3.3.4
Bewijsoverweging zaak C (feit 2)
De rechtbank gaat op grond van het dossier en wat op zitting is besproken uit van de volgende feiten en omstandigheden.
De verdachte wordt op 19 augustus 2025 in Hoorn in zijn auto staande gehouden wegens onder andere een afgeplakt kenteken. Uit de achterbak van de auto steekt een zwarte bakfiets. De verbalisanten zien dat het framenummer van de bakfiets [framenummer] is en dat de bakfiets op slot is. De verdachte zegt op dat moment tegen de verbalisanten dat de sleutel van de bakfiets thuis ligt. Op 20 augustus 2025 heeft [benadeelde 3] (hierna: de aangeefster) aangifte gedaan van diefstal van haar fiets met hetzelfde framenummer op 19 augustus 2025 . De bakfiets in de auto van de verdachte blijkt dus de gestolen bakfiets van de aangeefster te zijn.
De verdachte heeft verklaard dat hij dacht dat de bakfiets van zijn vriendin was. Op 18 augustus 2025 heeft zij haar bakfiets op de kermis laten staan en de verdachte heeft de bakfiets voor haar opgehaald. Hij heeft per ongeluk de verkeerde bakfiets meegenomen. In zijn verhoor heeft de verdachte verklaard dat zijn vriendin de sleutel van de bakfiets zou zijn kwijtgeraakt op de kermis.
De rechtbank acht dit alternatieve scenario van de verdachte ongeloofwaardig en gaat hieraan voorbij. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. De verdachte is ’s-nachts onder dubieuze omstandigheden door de politie staande gehouden: hij vervoerde een bakfiets van iemand anders in de achterbak van zijn auto waarvan het kenteken was afgeplakt. Daarnaast heeft de verdachte wisselend verklaard. De verdachte heeft tegenover de verbalisanten verklaard dat de sleutel van de bakfiets thuis zou liggen, maar in zijn verhoor kwam de verdachte hierop terug en stelde hij dat zijn vriendin de sleutel was verloren. Verder is er voor het alternatieve scenario van de verdachte in het dossier geen enkel aanknopingspunt te vinden.
Gelet op deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de bakfiets heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. De rechtbank acht het onder 2 primair ten laste gelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten van zaak A, het ten laste gelegde feit in zaak B en de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten van zaak C heeft begaan, in die zin dat:
Zaak A
Feit 1
hij op 20 maart 2026 te Hoorn opzettelijk [benadeelde 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden,
- door die [benadeelde 1] vast te pakken en met kracht aan de arm van die [benadeelde 1] te trekken en
- vervolgens een mes te tonen aan die [benadeelde 1] en
- vervolgens tegen die [benadeelde 1] te zeggen dat zij met hem mee moest komen en dat zij haar telefoon moest geven en
- vervolgens die [benadeelde 1] met zich mee te trekken en
- stekende bewegingen met een scherp voorwerp in de richting van de buik en het been van die [benadeelde 1] te maken en
- vervolgens die [benadeelde 1] aan de arm te trekken en mee te sleuren en vast te houden;
Feit 2
hij op 20 maart 2026 te Hoorn [benadeelde 1] heeft mishandeld, door meerdere malen met een mes in het been, van die [benadeelde 1] te steken;
Feit 3
hij, op 20 maart 2026 te Hoorn opzettelijk en wederrechtelijk een telefoon die aan [benadeelde 1] toebehoorde heeft vernield;
Zaak B
hij op 13 februari 2025 te Medemblik openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde 2] door die [benadeelde 2] meermalen
- met kracht in zijn gezicht te slaan en
- met een mes te snijden.
Zaak C
Feit 1
hij op 19 augustus 2025 te Hoorn, als bestuurder van een motorrijtuig heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Westfrieshof, terwijl de geldigheidsduur van het rijbewijs dat voor het besturen van die categorie motorrijtuigen was vereist, te weten categorie B, meer dan één jaar was verstreken;
Feit 2
hij op 19 augustus 2025 te Hoorn één bakfiets (Urban Arrow Family Performance D) die aan [benadeelde 3] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

4.1
Beroep op noodweer
De raadsman heeft, voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van het ten laste gelegde feit in zaak B, een beroep gedaan op noodweer, zodat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft bepleit dat sprake is geweest van een noodweersituatie, omdat de aangever zich buitengewoon agressief heeft gedragen door te schreeuwen en te schoppen tegen de deur en de ramen van de woning van de medeverdachte [medeverdachte 1], de zus van de verdachte. Dit was reden voor de verdachte om in te grijpen en zijn zus (en haar woning) te beschermen. Tegen deze ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding heeft de verdachte zich mogen verdedigen. In de visie van de verdediging heeft de verdachte met het geven van een klap aan de subsidiariteits- en proportionaliteitseis voldaan. Daarnaast is de situatie dusdanig dreigend geweest, dat het onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is geweest.
4.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en dus evenmin van een noodweersituatie. Het trappen tegen een deur kan niet worden gezien als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Verder is het verdedigingsbelang niet noodzakelijk geweest en ook niet geboden. De verdachte en de medeverdachten zijn naar de voorkant van het huis gegaan. Zij hebben er niet voor gekozen om zich terug te trekken, maar hebben gekozen voor de aanval, gewapend met een mes. Een beroep op noodweer kan dus niet slagen. Voor zover het trappen tegen een deur wel als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding kan worden gezien, was op het moment dat de verdachte geweld gebruikte, deze ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding al voorbij.
4.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op noodweer aannemelijk moet worden dat het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.
De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een noodweersituatie. Het trappen tegen de deur door de aangever kan niet worden beschouwd als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich heeft mogen verweren.
Het beroep op noodweer wordt daarom verworpen.
4.4
Kwalificatie van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
zaak A (feit 1)
opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven/beroofd houden;
zaak A (feit 2)
mishandeling;
zaak A (feit 3)
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;
zaak B
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
zaak C (feit 1)
overtreding van artikel 107, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
zaak C (feit 2)
diefstal.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden (met aftrek van voorarrest), waarvan zeven maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel moeten de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden. Daarnaast heeft de officier van justitie dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gevorderd. Verder heeft de officier van justitie de maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) gevorderd in de vorm van een contactverbod met de aangeefster. Ten aanzien van de overtreding onder feit 1 van zaak C heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 430,00.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht om aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest, aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf en met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Subsidiair heeft de raadsman verzocht bij een langere onvoorwaardelijke straf geen toepassing te geven aan artikel 57 Sr Pro en separate hoofdstraffen op te leggen, waardoor ook andere strafmodaliteiten dan een gevangenisstraf kunnen worden toegepast (te weten: een taakstraf). Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht aan te sluiten bij de straffen opgelegd in vergelijkbare zaken in de door hem aangehaalde jurisprudentie.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straffen die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich in de eerste plaats schuldig gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandeling van het slachtoffer [benadeelde 1]. Daarbij heeft de verdachte ook haar telefoon vernield. Dit zijn ernstige misdrijven. Dat de wederrechtelijke vrijheidsberoving niet langer heeft geduurd, is een omstandigheid die niet aan de verdachte is te danken maar aan het ingrijpen van de politie. Daarnaast heeft de verdachte het slachtoffer meerdere keren met een mes in haar been gestoken. Hiermee heeft de verdachte een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Uit de ter zitting voorgedragen spreekrechtverklaring blijkt dat het slachtoffer nog steeds de nadelige psychische gevolgen van het incident ervaart. Zij is erg angstig voor de verdachte en bang dat hij haar familieleden iets aan gaat doen.
Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging door samen met twee anderen het slachtoffer [benadeelde 2] in elkaar te slaan en met een mes te snijden. Het slachtoffer is meermaals met kracht in zijn gezicht geslagen en heeft daardoor ernstig letsel opgelopen. De verdachte heeft een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Op de zitting is gebleken dat het slachtoffer daarvan nog steeds de nadelige gevolgen ondervindt.
Met de diefstal van de bakfiets heeft de verdachte een gebrek aan respect getoond voor het eigendom van een ander. Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het rijden met een rijbewijs dat al meer dan een jaar was verstreken.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 15 mei 2026, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder voor geweldsdelicten, vermogensdelicten en Wegenverkeersfeiten is veroordeeld.
De rechtbank heeft verder gelet op het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport van 11 juni 2026. De reclassering heeft geadviseerd een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, en daaraan de volgende bijzondere voorwaarden te verbinden:
  • een meldplicht bij de reclassering;
  • ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname;
  • verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
  • een verbod op verdovende middelen;
  • een alcoholverbod;
  • een contactverbod met het slachtoffer;
  • een locatieverbod (met elektronisch toezicht).
Op te leggen straffen
Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, waaronder met name de wederrechtelijke vrijheidsberoving, de mishandeling en de openlijke geweldpleging, is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur gerechtvaardigd is. Bij het bepalen van de duur daarvan heeft de rechtbank gekeken naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).
Alles afwegende, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van drie jaar, passend. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden. Ten aanzien van het locatieverbod (met elektronische monitoring) zal de rechtbank bepalen, gelet op de omvang en impact van de voorgestelde maatregel, dat de elektronische monitoring voor maximaal zes maanden geldt.
Ten aanzien van de overtreding van feit 1 in zaak C zal de rechtbank een geldboete opleggen van € 430,00.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. De reclassering acht de kans op recidive en letsel hoog. De verdachte heeft een omvangrijk strafblad (ook ten aanzien van geweldsincidenten), een beperkte agressieregulatie en hij is het afgelopen jaar veelvuldig bij de politie in beeld gekomen. De rechtbank ziet daarom aanleiding de gevorderde dadelijke uitvoerbaarheid op te leggen.
Geen maatregel ex artikel 38v Sr
De rechtbank ziet geen aanleiding om een contactverbod op grond van artikel 38v Sr op te leggen, zoals door de officier van justitie is gevorderd. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat de verdachte het contactverbod (dat reeds gold in het kader van de voorwaarden voor de schorsing van de voorlopige hechtenis) heeft overtreden. Daarnaast wordt het contactverbod reeds als bijzondere voorwaarde opgelegd.
Voorlopige hechtenis
Nu de schorsing van de voorlopige hechtenis voor onbepaalde tijd is bevolen en de rechtbank geen aanleiding ziet om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen, zal de rechtbank geen beslissing nemen over de voorlopige hechtenis, zodat de schorsing ook na de einduitspraak blijft voortduren.

7.Vordering benadeelde partij schadevergoedingsmaatregel

[benadeelde 1] heeft zich gesteld als benadeelde partij in zaak A. Namens haar is door Slachtofferhulp Nederland een vordering tot schadevergoeding ingediend en zij vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 2.483,60, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 483,60 voor vergoeding van materiële schade en € 2.000,00 voor vergoeding van immateriële schade vanwege lichamelijk letsel. De materiële schade bestaat uit kosten voor een nieuwe telefoon (€ 400,00), een nieuw rijbewijs dat met de telefoon verloren is gegaan (€ 53,56) en een nieuwe broek (€ 29,95). Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
7.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden toegewezen.
7.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van de materiële schade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman verzocht om het bedrag te matigen tot € 1.000,00.
7.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde materiële schade voldoende is onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bewezen verklaarde feiten van zaak A, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.
De rechtbank stelt ten aanzien van de immateriële schade vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit, te weten verwondingen aan haar been. Immateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Verder wordt bij de begroting, zoveel als mogelijk, gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Naast de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, heeft de rechtbank bij de begroting van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen.
De rechtbank zoekt aansluiting bij categorie 13, licht letsel, met bandbreedte tot € 1.100,00.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend en de Rotterdamse schaal is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 1.000,00 billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom tot dat bedrag toe.
De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 20 maart 2026 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
De vordering zal dus gedeeltelijk worden toegewezen tot een bedrag van € 1.483,60.
Schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 1.483,60 aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 maart 2026 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald. Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van veertien dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

8.Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 24 maart 2025 in de zaak met parketnummer 15/035018-24 heeft de politierechter te Noord-Holland de verdachte ter zake van het verlaten van een plaats ongeval en gevaarlijk rijgedrag veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee maanden. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 1 april 2025 aan de verdachte toegezonden. De genoemde proeftijd is ingegaan op 7 april 2025.
8.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd en ter terechtzitting heeft de officier van justitie dit gehandhaafd.
8.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de proeftijd te verlengen met een jaar.
8.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering moet worden toegewezen, omdat uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 36f, 57, 62, 63, 141, 282, 300, 350 van het Wetboek van Strafrecht;
artikel 107, 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

10.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 2 primair van zaak A is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4.4 vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van een gevangenisstraf voor de duur van
tien (10) maanden. Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot vijf (5) maanden
nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van drie jaren.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als
bijzondere voorwaarden:
1. Meldplicht bij reclassering
De verdachte zal zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de
reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.
2. Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname
De verdachte zal zich laten behandelen door GGZ NHN en/of Brijder Verslavingszorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een
zodanige verslechtering van de psychische toestand van de verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken.
Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.
3. Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang (indien nodig)
De verdachte zal – indien nodig geacht door de reclassering – gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijven in een nader te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
4. Verbod verdovende middelen
De verdachte zal geen verdovende middelen gebruiken genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en/of geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
5. Alcoholverbod
De verdachte zal geen alcohol gebruiken, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn
urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk
controlemiddel wordt gecontroleerd.
6. Contactverbod
De verdachte zal op geen enkele wijze direct of indirect contact zoeken of hebben met:
[benadeelde 1], geboren op [geboortedatum 2].
7. Locatieverbod (met elektronisch toezicht)
De verdachte zal zich gedurende de proeftijd niet bevinden binnen vijf kilometer van het adres van [benadeelde 1], te weten [adres 4] (zie bijlage III), zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering kan tijdens deze periode het verboden gebied laten vervallen, het verboden gebied verkleinen en/of aan de verdachte toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in een bepaald deel van het verboden gebied te bevinden. De verdachte werkt gedurende maximaal zes maanden mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatieverbod. Deze elektronische monitoring vindt plaats zolang de reclassering dit nodig vindt met een maximum van zes maanden. De verdachte zal niet zonder toestemming van de reclassering Nederland verlaten.
Geeft aan GGZ Reclassering Fivoor de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn.
Veroordeelt de verdachte ten aanzien van feit 1 van zaak C tot het betalen van een
geldboete van € 430,00(vierhonderddertig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door vier (4) dagen hechtenis).
Vordering benadeelde partij
Wijst de vordering van
[benadeelde 1]gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 1.483,60 (zegge: duizend vierhonderddrieëntachtig euro en zestig cent), en veroordeelt de verdachte tot betaling aan [benadeelde 1] van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 maart 2026 tot de dag van volledige betaling, aan [benadeelde 1], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 1] aan de Staat € 1.483,60 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 maart 2026 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met veertien dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Vordering tenuitvoerlegging
Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/035018-24 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee (2) maanden, opgelegd bij vonnis van de politierechter van 24 maart 2025.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. P. Reemst, voorzitter,
mr. G.M.G. Hink en mr. S.H. Bouwers, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. Verheul,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 juli 2026.
Bijlage I
De tenlastelegging
Zaak A (15/084490-26)
Feit 1hij, op of omstreeks 20 maart 2026 te Hoorn opzettelijk [benadeelde 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden,
- door die [benadeelde 1] vast te pakken en met kracht aan de arm van die [benadeelde 1] te trekken en/of
- vervolgens een mes te tonen aan die [benadeelde 1] en/of
- vervolgens tegen die [benadeelde 1] te zeggen dat hij haar terug wilde en/of hij zich zou veranderen en/of dat zij met hem mee moest komen en/of dat zij haar telefoon moest geven en/of
- vervolgens die [benadeelde 1] met zich mee te trekken en/of
- een of meermalen tegen die [benadeelde 1] te zeggen dat hij haar had gewaarschuwd en/of
- een of meerdere stekende bewegingen met een scherp en/of puntig voorwerp in de richting van de buik en/of het been, althans het lichaam van die [benadeelde 1] te maken en/of
- vervolgens die [benadeelde 1] een- of meermalen aan de arm te trekken en/of mee te sleuren en/of vast te houden;
Feit 2primairhij, op of omstreeks 20 maart 2026 te Hoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [benadeelde 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een of meerdere malen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in (de richting van) de buik en/of het been, althans in het lichaam te steken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiairhij, op of omstreeks 20 maart 2026 te Hoorn [benadeelde 1] heeft mishandeld, door een of meerdere malen met een mes, althans enig scherp en/of puntig voorwerp in het been, althans het lichaam van die [benadeelde 1] te steken;
Feit 3hij, op of omstreeks 20 maart 2026 te Hoorn opzettelijk en wederrechtelijk een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde 1], toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
Zaak B (15/091391-25)hij op of omstreeks 13 februari 2025 te Medemblik openlijk, te weten voor een woning, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde 2] door die [benadeelde 2] meermalen, in ieder geval ten minste één maal,
- met kracht in zijn gezicht, althans tegen zijn lichaam te slaan en/of schoppen
- met een mes te steken en/of te snijden;
Zaak C (15/114567-26)Feit 1
hij op of omstreeks 19 augustus 2025 te Hoorn, als bestuurder van een motorrijtuig (Hyundai Getz, [kenteken]) heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Westfrieshof, terwijl de geldigheidsduur van het rijbewijs dat voor het besturen van die categorie motorrijtuigen was vereist, te weten categorie B, meer dan één jaar was verstreken;
Feit 2
primairhij op of omstreeks 19 augustus 2025 te Hoorn één bakfiets (Urban Arrow Family Performance D), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 3], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
subsidiairhij op of omstreeks 19 augustus 2025 te Hoorn, één fiets (Urban Arrow Family Performance D), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist,
althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Bijlage II
De bewijsmiddelen
(…)
Bijlage III
(…)