ECLI:NL:RBNHO:2026:8702

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
C/15/362816 / HA ZA 25-122
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:248 BWArt. 2:11 BWArt. 2:9 BWArt. 6:162 BWArt. 3:248 lid 1 BW
Verwijzingen
13 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bestuurdersaansprakelijkheid en faillissementspauliana bij activaovereenkomst

De curator vorderde bestuurdersaansprakelijkheid van de voormalige bestuurders van Le Bon Voyage B.V. en vernietiging van een activaovereenkomst op grond van faillissementspauliana. De vennootschap had kort voor faillissement haar activa overgedragen aan een verbonden vennootschap. De rechtbank oordeelde dat deze overdracht plaatsvond in het kader van een pandrecht en niet leidde tot schuldeisersbenadeling.

De rechtbank stelde vast dat de pandakten rechtsgeldig waren en dat de pandhouder bevoegd was tot executie op het moment van de onderhandse verkoop. De koopprijs van € 20.000 werd niet als benadelend aangemerkt. De curator kon niet aantonen dat de bestuurders hun taak onbehoorlijk hadden vervuld in die mate dat zij aansprakelijk waren voor het boedeltekort.

De rechtbank nam mee dat het faillissement mede werd veroorzaakt door het terugtrekken van een potentiële investeerder, wat niet aan de bestuurders kon worden toegerekend. De curator werd niet-ontvankelijk verklaard in een deel van zijn vorderingen en veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van de curator af en veroordeelt hem in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/362816 / HA ZA 25-122
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
MR. MAURITS VICTOR VERMEIJ, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LE BON VOYAGE B.V.,
te Alkmaar,
eisende partij,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. E.N. van Essen,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[de Holding B.V.] HOLDING B.V.,
te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [de Holding B.V.]
advocaat: mr. M.M.E. van Veen-Oudenaarden,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [ gedaagden sub 1 en 2] ,
en

3.3. [gedaagde sub 3] ,

te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 3] ,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[de B.V. 1],
te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [de B.V. 1] ,
[gedaagde sub 3] en [de B.V. 1] hierna samen te noemen: [gedaagden sub 3 en 4] ,
5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HIDEAWAYS B.V.,
te De Goorn, gemeente Koggenland,
hierna te noemen: Hideaways,
advocaat: mr. J.S. van Daal,
gedaagde partijen.
De zaak in het kort
Deze zaak gaat over bestuurdersaansprakelijkheid en schuldeisersbenadeling (de faillissementspauliana). De curator maakt de (voormalig) bestuurder(s) van de failliete vennootschap verschillende verwijten, die naar het oordeel van de rechtbank echter niet tot bestuurdersaansprakelijkheid leiden. Daarnaast is onder meer aan de orde de vernietiging van een activaovereenkomst op grond van schuldeisersbenadeling. Op grond van de activaovereenkomst heeft de vennootschap kort voor haar faillissement haar activa overgedragen aan een vennootschap die verbonden is aan haar voormalig bestuurder. De rechtbank oordeelt (kort gezegd) dat de activa zijn verkocht in het kader van een pandrecht en dat van schuldeisersbenadeling geen sprake is.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 4 juni 2025, waarin de rechtbank een mondelinge behandeling heeft bevolen.
1.2.
Deze mondelinge behandeling heeft op 13 oktober 2025 plaatsgevonden. De griffier heeft van deze zitting aantekeningen gemaakt. De advocaten hebben gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die zij hebben overgelegd. De rechtbank heeft ter zitting de volgende stukken aan het procesdossier toegevoegd:
- de akte overlegging producties met producties 53 tot en met 72 van de curator;
- de akte overlegging producties met producties 39 en 40 van [ gedaagden sub 1 en 2] ;
- de akte overlegging producties met producties 7 en 8 van [gedaagden sub 3 en 4] en Hideaways.
1.3.
Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank bepaald dat zij in deze zaak vonnis zal wijzen.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde sub 1] is bestuurder en enig aandeelhouder van [ gedaagden sub 1 en 2] [gedaagde sub 3] is bestuurder en enig aandeelhouder van [de B.V. 1]
2.2.
Op 18 augustus 2017 heeft [gedaagde sub 3] via [de B.V. 1] Le Bon Voyage B.V. (hierna: de vennootschap) opgericht. De vennootschap heette toen Lovebnb.nl B.V. [de B.V. 1] en [gedaagde sub 1] waren tot 4 april 2022 de bestuurders van de vennootschap. Met ingang van 4 april 2022 is [ gedaagden sub 1 en 2] enig bestuurder van de vennootschap geworden. Tot 5 april 2022 was [de B.V. 1] enig aandeelhouder van de vennootschap. Vanaf 5 april 2022 had de vennootschap drie aandeelhouders: [de B.V. 1] (voor 20%), [ gedaagden sub 1 en 2] (voor 74%) en [de B.V. 2] (hierna: [de B.V. 2] ) (voor 6%).
2.3.
De vennootschap richtte zich op de exploitatie van een online boekingsplatform voor luxe en boutique hotels. Toen de vennootschap werd opgericht, moest de online boekingssite echter nog worden ontwikkeld en worden gebouwd.
2.4.
De vennootschap werd niet extern gefinancierd. [de B.V. 1] trad op als financier. Vanaf 2017 heeft [de B.V. 1] in rekening-courant bedragen aan de vennootschap uitgeleend. Op 20 juli 2018 hebben [de B.V. 1] en de vennootschap hun rekening-courantovereenkomst schriftelijk vastgelegd (hierna: geldlening I). De vennootschap had op dat moment een rekening-courantschuld aan [de B.V. 1] van € 149.892,00. In geldlening I staan de volgende relevante bepalingen (wat tussen haakjes staat, is een verduidelijking van de rechtbank):
“(…)
Artikel 3. Saldo
(…)
2. Partijen komen overeen dat het saldo van de rekening-courant niet hoger mag zijn dan € 250.000,--
(…)
Artikel 5. Opeisbaarheid
1. De hoofdsom of het restant daarvan en de daarover verschuldigde rente, zal terstond opeisbaar zijn:
(…)
g. bij overtreding van enige bepaling van deze overeenkomst, dan wel een partij goede gronden
heeft te vrezen dat de andere partij in de nakoming van zijn/haar verplichtingen uit deze
overeenkomst zal tekortschieten of een partij in zijn/haar verhaalsmogelijkheden zal worden
benadeeld.
(…)
Artikel 7. Zekerheid
Op eerste verzoek van partij x [ [de B.V. 1] ] zal partij y [de vennootschap], voor de correcte nakoming van verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst, aan partij x [ [de B.V. 1] ] aanvullende zekerheden verstrekken.
(…)”
2.5.
Op 1 december 2019 is tussen [de B.V. 1] als pandhouder en de vennootschap als pandgever een onderhandse pandakte opgemaakt, die op 16 januari 2020 bij de Belastingdienst is geregistreerd. In de pandakte (hierna: pandakte I) staan de volgende relevante bepalingen (wat tussen haakjes staat, is wederom een verduidelijking van de rechtbank):
“(…)
1. Verpanding
1.1.
In aansluiting op de Leningsovereenkomst [geldlening I], verpandt partij y aan partij x (…)
“het intellectueel eigendom (IE rechten) van partij y [de vennootschap] die thans reeds bestaan of zullen voortvloeien uit een thans reeds bestaande rechtsverhouding terzake van de uitoefening door partij y [de vennootschap], waartoe onder meer behoren de handelsnaam BNB LOVED, de merknaam BNB LOVED en het beeldmerk bnb loved (voor zover deze niet al in het bezit zijn van partij x [ [de B.V. 1] ]), de domeinnaam www.bnbloved.nl en www.bnbloved.com, het platform die ontwikkeld is in opdracht van partij y [de vennootschap] en heden actief is op de domeinnaam www.bnbloved.nl (dan wel www.bnbloved.com) met al haar content, afbeeldingen, beeldmerken, auteursrechten, en andere IE rechten die onderdeel zijn van dit platform, evenals de bijbehorende social media accounts (waaronder Facebook, Instagram en Youtube account/kanaal) behorende bij de merknaam BNB LOVED
(…)
4. Uitwinning
4.1.
Zodra partij y [de vennootschap] in verzuim is met de voldoening van haar (betaal)verplichtingen met betrekking tot de Leningsovereenkomst [geldlening I] of indien partij x [ [de B.V. 1] ] mag vrezen dat partij y [de vennootschap] zal tekortschieten in deze (betaal)verplichting is partij x [ [de B.V. 1] ] gerechtigd het recht van pand uit te winnen en zich op de opbrengst te verhalen tot voldoening van de (betaal)verplichtingen.
(…)”
2.6.
Eind 2019 was de basisversie van de boekingssite (de MVP) klaar.
2.7.
In de zomer van 2021 heeft [de B.V. 1] de vennootschap bericht dat zij geen aanvullende financiering meer aan de vennootschap wilde verstrekken. Feitelijk bleef [de B.V. 1] de vennootschap echter financieren.
2.8.
De aankondiging van [de B.V. 1] dat zij geen aanvullende financiering meer wilde verstrekken was voor de vennootschap aanleiding om op zoek te gaan naar potentiële investeerders. De vennootschap heeft in de zomer van 2021 gesprekken gevoerd met twee potentiële investeerders: de heer [S.] (hierna: [S.] ) en [de B.V. 2] .
2.9.
Begin september 2021 heeft [S.] een liquiditeitsprognose laten opstellen. Daaruit bleek een liquiditeitstekort van de vennootschap en een negatieve cashflow. Op
21 september 2021 heeft [S.] de vennootschap laten weten dat hij niet wil investeren zolang de vennootschap geen omzet maakt. [S.] wilde op dat gebied meer tractie zien.
2.10.
Vanaf eind december 2021 konden op de boekingssite direct en in ‘realtime’ boekingen worden gedaan.
2.11.
De gesprekken met [de B.V. 2] hebben uiteindelijk geleid tot een investering van
€ 100.000,00. Dit bedrag heeft [de B.V. 2] op 5 april 2022 aan de vennootschap overgemaakt als agiostorting op de aandelen die [de B.V. 2] in de vennootschap verkreeg.
2.12.
Op 5 april 2022 hebben [de B.V. 1] en de vennootschap een overeenkomst van geldlening ondertekend (hierna: geldlening II). In geldlening II is onder meer het volgende vermeld, waarbij [de B.V. 1] is aangeduid als schuldeiser en de vennootschap als schuldenaar:
“(…)
in aanmerking nemend dat:
  • Vanaf het jaar 2017 Schuldeiser diverse bedragen als lening (of rekening courant) heeft verstrekt aan Schuldenaar (…)
  • De lening per 31 december 2021 een hoogte heeft van in totaal
(…)
Artikel 1. Hoofdsom
1.1
Schuldeiser heeft aan Schuldenaar ter leen een bedrag, dan wel t/m 31-12-2021 opgelopen
tot, groot
€ 738.912,58(…)
1.2
Deze Hoofdsom bevat zowel de verstrekte lening bedragen als de hierover opgebouwde rente t/m 31-12-2-21 die over deze lening verschuldigd is.
(…)
Artikel 6. Pandakte
6.1
Ter zekerheidstelling van de Hoofdsom zijn partijen een Pandrecht door middel van een Pandakte overeengekomen. Deze Pandakte is onlosmakelijk verbonden aan deze leningsovereenkomst en zal als bijlage worden toegevoegd. De pandakte zal notarieel worden vastgelegd en zal zijn bekrachtigd door de notaris.”
2.13.
Eveneens op 5 april 2022 hebben de vennootschap als schuldenaar/pandgever en [de B.V. 1] als schuldeiser/pandhouder een notariële pandakte getekend (hierna: pandakte II). Pandakte II vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:
“(…)
INLEIDING
(…)
2. Tot meerdere zekerheid voor de voldoening van al hetgeen de schuldenaar nu of te eniger tijd aan
de schuldeiser verschuldigd is of mocht zijn, heeft de schuldenaar zich jegens de schuldeiser
verbonden een pandrecht te vestigen op de hierna omschreven activa (…)
VERPANDING
(…)
A. Vestiging
1. De pandgever vestigt ten behoeve van de pandhouder, die hierbij aanvaardt een eerste stil
pandrecht op alle activa van de Vennootschap, waaronder onder meer, (maar niet uitsluitend)
worden verstaan:
I. alle roerende zaken van de vennootschap (…)
II. alle gebruikersdatabases (incl. CRM data) en bijbehorende contracten
III. de logo’s, merk- en domeinnamen en de merkrechten van de vennootschap inclusief alles wat
daartoe in de ruimste zin behoort inclusief haar licenties (…)
IV. de software
(…)
C.
Voorwaarden pandrecht
(…)
g. Indien de pandgever in verzuim is met de voldoening van hetgeen waarvoor het pandrecht tot
waarborg strekt, is de pandhouder bevoegd terstond en zonder rechterlijke tussenkomst over te
gaan tot de verkoop van de goederen overeenkomstig artikel 3:248 Burgerlijk Pro Wetboek (…)”
2.14.
In mei 2022 heeft de vennootschap opnieuw contact met [S.] gezocht om hem te bewegen te investeren. In augustus 2022 heeft [S.] de vennootschap laten weten dat hij wilde participeren en dat hij bereid was om onder voorwaarden € 500.000,00 te investeren (€ 300.000,00 als agiostorting en € 200.000,00 als lening). In augustus en september 2022 is op verzoek van [S.] een due diligence uitgevoerd. Na de due diligence en ondanks dat de liquiditeitsprognoses een tekort lieten zien, handhaafde [S.] zijn investeringsvoorstel.
2.15.
Op 21 oktober 2022 heeft [S.] zich als investeerder teruggetrokken omdat hij het met [de B.V. 1] niet over de voorwaarden van zijn investering eens werd.
2.16.
Op 25 oktober 2022 heeft de advocaat van [de B.V. 1] aan de vennootschap (toen geheten House of Hideaways B.V.) een brief gestuurd. In die brief staat, voor zover relevant, het volgende:
“(…)
Cliënte heeft aan House of Hideaways B.V. een geldlening verstrekt (…) Per 31 december 2021 bedroeg de stand van de lening € 738.912,68. Sindsdien is de lening verder opgelopen. (…) Daarenboven heeft cliënte goede gronden te vrezen dat House of Hideaways B.V. ook in de toekomst zal blijven tekortschieten in haar verplichtingen jegens cliënte. Cliënte heeft eveneens begrepen dat inmiddels een faillissement van House of Hideaways B.V. dreigt. Indien en voor zover nodig stelt cliënte House of Hideaways B.V. hierbij in gebreke.
(…)
Cliënte heeft mij opdracht gegeven om de verkoop van de verpande zaken op te starten. Cliënte is evenwel bereid om executiemaatregelen op te schorten, mits per ommegaande een voor cliënte conveniërend saneringsvoorstel (inclusief akkoord met eventuele andere schuldeisers) aan cliënte ter goedkeuring wordt voorgelegd op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat het bedrijf van House of Hideaways B.V. nog levensvatbaar is en cliënte zicht heeft op terugbetaling van de verstrekte lening.
Ik verneem graag per ommegaande van u. Indien ik niet
uiterlijk vrijdag as.verneem, zal ik zonder nadere aankondiging de deurwaarder opdracht geven om de executie voort te zetten. (…)”
2.17.
Op 30 november 2022 is Hideaways opgericht. [de B.V. 1] is enig aandeelhouder en bestuurder van Hideaways.
2.18.
Een werknemer van de vennootschap heeft op 6 december 2022 het faillissement van de vennootschap aangevraagd.
2.19.
Op 16 december 2022 is tussen [de B.V. 1] (als pandhouder), de vennootschap (als verkoper) en Hideaways (als koper) een overeenkomst gesloten getiteld “koop en verkoop activa” (hierna: de activaovereenkomst). In deze overeenkomst is onder meer het volgende vermeld:
“(…)
Nemen het volgende in aanmerking:
(…)
- Tussen Verkoper en Pandhouder is een overeenkomst van geldlening gesloten, Partijen
genoegzaam bekend. Per 31 december 2021 bedroeg de stand van de lening van Pandhouder aan Verkoper € 738.912,68 (hierna:
de Lening). Sindsdien is de Lening verder opgelopen.
- Tot meerdere zekerheid voor de voldoening van al hetgeen Verkoper nu of te eniger tijd aan Pandhouder verschuldigd is of mocht zijn, heeft Verkoper zich jegens Pandhouder verbonden een pandrecht te vestigen op onder meer, (maar niet uitsluitend): (i) alle roerende zaken van Verkoper (inventaris en voorraad), de domeinnamen en de merkrechten van Verkoper inclusief alles wat daartoe in de ruimste zin behoort inclusief haar licenties (en hetgeen daarvoor in de plaats komt), (iii) de software (waaronder databases en complete broncode website en contracten met derden) van Verkoper (hierna tezamen:
de Activa), en (iv) alle huidige en toekomstige vorderingen.
- Bij brief van 25 oktober 2022 heeft Pandhouder vastgesteld dat Verkoper als geldlener/pandgever toerekenbaar tekort schiet in haar verplichtingen jegens Pandhouder, aangezien een achterstand is ontstaan in de verschuldigde maandelijkse rentebetalingen. Evenmin heeft Verkoper afgelost conform de overeengekomen voorwaarden. Daarenboven heeft Pandhouder goede grond te vrezen dat Verkoper ook in de toekomst zal blijven tekort schieten in haar verplichtingen jegens Pandhouder. Pandhouder heeft eveneens begrepen dat inmiddels het faillissement van Verkoper dreigt, hetgeen Verkoper heeft bevestigd.
- Teneinde waardeverlies van de Activa te voorkomen, zijn Partijen in overleg getreden over een onderhandse verkoop van de Activa aan Koper in plaats van een openbare verkoop van de Activa. Partijen hebben hierover overeenstemming bereikt. Partijen achten het wenselijk om de voorwaarden en bepalingen van deze overeenkomst van koop en verkoop vast te leggen in een onderhandse akte.
Zijn met elkaar een overeenkomst van koop en verkoop aangegaan, die wordt beheerst door de
volgende voorwaarden en bepalingen:

1.Koop en verkoop van de Activa

1.1.
Verkoper verkoopt aan Koper, gelijk Koper koopt van Verkoper, de Activa.
1.2.
De levering van de Activa vindt plaats per heden (…)

2.De koopprijs

2.1.
De totale koopprijs bedraagt € 20.000,- exclusief eventueel verschuldigde omzetbelasting (hierna:
de Koopprijs). Koper zal de Koopprijs voldoen aan Pandhouder. Pandhouder zal de betaling van de Koopprijs door Koper aan Pandhouder in mindering brengen op de Lening.
(…)”
2.20.
Op 10 januari 2023 is de vennootschap failliet verklaard met aanstelling van de curator.
2.21.
De curator heeft [gedaagde sub 3] op 23 februari 2023 een e-mail gestuurd waarin hij de activaovereenkomst op grond van artikel 42 Faillissementswet Pro (Fw) vernietigt. Daarnaast heeft de curator [gedaagden sub 3 en 4] in deze e-mail op grond van onbehoorlijk bestuur aansprakelijk gesteld voor het boedeltekort.
2.22.
Op 30 maart 2023 heeft de curator ook [ gedaagden sub 1 en 2] op grond van onbehoorlijk bestuur aansprakelijk gesteld.
2.23.
Op 20 februari 2024 heeft de curator de vernietiging inroepen van geldlening II met een beroep op artikel 42 Fw Pro.
2.24.
[ gedaagden sub 1 en 2] en [gedaagden sub 3 en 4] hebben iedere aansprakelijkheid van de hand gewezen. Ook op de ingeroepen vernietigingen is afwijzend gereageerd.

3.Het geschil

3.1.
De curator vordert (samengevat):
ten opzichte van
[ gedaagden sub 1 en 2] en [gedaagden sub 3 en 4]
primair
I. een verklaring voor recht dat [ gedaagden sub 1 en 2] en [gedaagden sub 3 en 4] hun taak als bestuurders van de vennootschap onbehoorlijk hebben vervuld en dat aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest;
II. hoofdelijke veroordeling van [ gedaagden sub 1 en 2] en [gedaagden sub 3 en 4] tot betaling van het boedeltekort, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
III. hoofdelijke veroordeling van [ gedaagden sub 1 en 2] en [gedaagden sub 3 en 4] tot betaling van een voorschot van € 166.577,10 op het boedeltekort,
subsidiair
IV. een verklaring voor recht dat [ gedaagden sub 1 en 2] en [gedaagden sub 3 en 4] tekort zijn geschoten in de behoorlijke vervulling van hun taak als statutair (middellijk) bestuurders van de vennootschap, althans dat zij ten opzichte van de gezamenlijke schuldeisers van de vennootschap onrechtmatig hebben gehandeld;
V. hoofdelijke veroordeling van [ gedaagden sub 1 en 2] en [gedaagden sub 3 en 4] tot betaling van de daardoor geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
VI. hoofdelijke veroordeling van [ gedaagden sub 1 en 2] en [gedaagden sub 3 en 4] tot betaling van een voorschot van € 166.577,10 op deze schadevergoeding;
ten opzichte van
[de B.V. 1]
VII. een verklaring voor recht dat geldlening II en pandakte II op 20 februari 2024 buitengerechtelijk zijn vernietigd;
ten opzichte van
Hideaways
VIII. een verklaring voor recht dat de activaovereenkomst op 23 februari 2023 buitengerechtelijk is vernietigd;
IX. een verklaring voor recht dat de curator zich op de activa, die in de activaovereenkomst zijn genoemd, kan verhalen;
X. veroordeling van Hideaways om mee te werken aan de feitelijke teruggave van de activa aan de curator, op straffe van een dwangsom;
ten opzichte van
alle gedaagden
XI. veroordeling om aan de curator een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten te betalen;
XII. hoofdelijke veroordeling in de proceskosten en dat de rechtbank dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaart (voor zover mogelijk).
3.2.
De curator baseert zijn vorderingen tegen [ gedaagden sub 1 en 2] en [gedaagden sub 3 en 4] op bestuurdersaansprakelijkheid en zijn vordering tegen [de B.V. 1] en Hideaways op schuldeisersbenadeling (de faillissementspauliana).
3.3.
[ gedaagden sub 1 en 2] , [gedaagden sub 3 en 4] en Hideaways voeren verweer. Zij betwisten dat [ gedaagden sub 1 en 2] en [gedaagden sub 3 en 4] als bestuurders aansprakelijk zijn te houden en dat sprake is van schuldeisersbenadeling. [ gedaagden sub 1 en 2] , [gedaagden sub 3 en 4] en Hideaways concluderen tot afwijzing van de vorderingen van de curator, met veroordeling van de curator in de proceskosten. Voor [gedaagden sub 3 en 4] en Hideaways geldt dat zij willen dat de rechtbank de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaart.
3.4.
De rechtbank zal de stellingen van partijen en de verweren hierna bespreken als dat voor de beoordeling van de vorderingen nodig is.

4.De beoordeling

4.1.
De rechtbank zal eerst de vorderingen beoordelen die gaan over de vernietiging van de activaovereenkomst. Dat zijn de vorderingen tegen Hideaways. Daarna zal de vordering gericht tegen (uitsluitend) [de B.V. 1] aan de orde komen. Ten slotte zal de rechtbank de bestuurdersaansprakelijkheid bespreken.
De vorderingen tegen Hideaways - de activaovereenkomst
4.2.
De curator vordert dat de rechtbank voor recht verklaart dat hij de activaovereenkomst op 23 februari 2023 buitengerechtelijk heeft vernietigd. Deze vordering baseert de curator op de faillissementspauliana van artikel 42 en Pro 47 Fw. De rechtbank zal artikel 47 Fw Pro als grondslag echter niet bespreken omdat de curator de activaovereenkomst in zijn e-mail van 23 februari 2023 niet op grond van artikel 47 Fw Pro heeft vernietigd (zodat de rechtbank ook niet voor recht kan verklaren dat de activaovereenkomst toen op die grond is vernietigd).
4.3.
De curator vindt dat hij de activaovereenkomst rechtsgeldig op grond van artikel 42 Fw Pro heeft vernietigd omdat volgens de curator (i) de vennootschap de activaovereenkomst onverplicht is aangegaan omdat de vennootschap niet verplicht was mee te werken aan een afwijkende wijze van onderhandse verkoop in de zin van artikel 3:251 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW), (ii) de schuldeisers van de vennootschap door de activaovereenkomst zijn benadeeld omdat een te lage koopprijs (€ 20.000,00) is afgesproken en (iii) er op grond van wettelijke vermoedens van uit kan worden gegaan dat de partijen van deze benadeling wisten.
4.4.
Volgens [gedaagden sub 3 en 4] en Hideaways gaat het beroep van de curator op artikel 42 Fw Pro niet op omdat de activaovereenkomst is aan te merken als een executoriale verkoop in de zin van artikel 3:251 lid 2 BW Pro waardoor schuldeisers niet zijn benadeeld. De rechtbank geeft [gedaagden sub 3 en 4] en Hideaways daarin gelijk. Ook de rechtbank ziet de activaovereenkomst als een rechtsgeldige executoriale verkoop die ten behoeve van [de B.V. 1] als pandhouder heeft plaatsgevonden. Van schuldeisersbenadeling is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Hierna legt de rechtbank uit waarom.
Onderhandse executoriale verkoop - juridisch kader
4.5.
Op grond van de wet [1] is een pandhouder bevoegd het verpande goed te verkopen en wat aan hem is verschuldigd op de opbrengst te verhalen (het recht van parate executie). Een pandhouder mag dat echter pas doen als de pandgever in verzuim is met de voldoening van hetgeen waarvoor het pandrecht geldt. Een dergelijke verkoop geschiedt op grond van de wet [2] in principe openbaar, maar een daarvan afwijkende manier van verkoop is ook mogelijk [3] . Dit kan een onderhandse verkoop door de pandhouder zijn, maar de pandhouder en de pandgever kunnen ook afspreken dat de onderhandse verkoop geschiedt door de pandgever ten behoeve van de pandhouder. [4] Op het moment dat deze afspraak wordt gemaakt, moet de pandhouder al wel tot executie bevoegd zijn (dit is in de regel het geval als de pandgever in verzuim is). [5] Als de afspraak om de onderhandse verkoop door de pandgever te laten plaatsvinden wordt gemaakt vóórdat de pandhouder tot executie bevoegd is geworden, dan is deze afspraak niet rechtsgeldig (nietig).
Waren “de Activa” aan [de B.V. 1] verpand?
4.6.
In deze zaak is niet in geschil dat [de B.V. 1] als pandhouder en de vennootschap als pandgever op 16 december 2022 in de activaovereenkomst met elkaar hebben afgesproken dat de vennootschap “de Activa” onderhands executoriaal aan Hideaways verkoopt ten behoeve van [de B.V. 1] Volgens de (tekst van de) activaovereenkomst wordt met “de Activa” bedoeld (kort gezegd) (i) inventaris, (ii) domeinnamen en merkrechten en (iii) software.
4.7.
Allereerst is het de vraag of deze activa wel allemaal aan [de B.V. 1] waren verpand. De curator bestrijdt dit omdat volgens de curator pandakte II op grond van artikel 42 Fw Pro is vernietigd en [de B.V. 1] op grond van pandakte I een beperkter pandrecht op IE-rechten had dan op grond van pandakte II en bovendien geen pandrecht op inventaris had. Kortom: volgens de curator zijn op grond van de activaovereenkomst ook niet verpande activa verkocht.
4.8.
De rechtbank volgt de curator daarin niet omdat [gedaagden sub 3 en 4] en Hideaways terecht betogen dat, voor zover de betreffende activa niet vallen onder het op grond van pandakte I gevestigde pandrecht, deze activa aan [de B.V. 1] zijn verpand op grond van pandakte II (wat in ieder geval geldt voor de inventaris). Het beroep van de curator op vernietiging van pandakte II op grond van artikel 42 Fw Pro gaat namelijk niet op omdat, zoals [gedaagden sub 3 en 4] en Hideaways hebben aangevoerd, pandakte II niet onverplicht is aangegaan gelet op de in artikel 7 van Pro geldlening I opgenomen verplichting om aanvullende zekerheden te verstrekken. Pandakte II, die ook strekt tot meerdere zekerheid voor de voldoening van het op grond van geldlening I verschuldigde bedrag van € 250.000,00, is dus rechtsgeldig.
[de B.V. 1] was tot executie bevoegd
4.9.
De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de in de zin van artikel 3:251 lid 2 BW Pro tussen [de B.V. 1] en de vennootschap gemaakte afspraak om de activa onderhands executoriaal door de vennootschap te laten verkopen rechtsgeldig is. Partijen zijn het namelijk niet met elkaar eens of [de B.V. 1] op dat moment (op 16 december 2022) bevoegd was om tot executie over te gaan. De curator meent dat [de B.V. 1] niet bevoegd was omdat hij geldlening II en pandakte II op grond van artikel 42 Fw Pro heeft vernietigd. Volgens de curator kon [de B.V. 1] haar recht van parate executie ook niet op grond van pandakte I uitoefenen, omdat (aldus de curator) geldlening I nog niet opeisbaar was. Volgens de curator kent geldlening I, anders dan geldlening II, geen aflossingsverplichting en liep geldlening I in principe tot eind augustus 2027. Daartegen voeren [gedaagden sub 3 en 4] en Hideaways aan dat de vennootschap op 25 oktober 2022 in gebreke is gesteld en dat de vennootschap in verzuim verkeerde. Volgens [gedaagden sub 3 en 4] en Hideaways kon [de B.V. 1] op 16 december 2022 in ieder geval op grond van artikel 5 lid 1 sub g van Pro geldlening I in samenhang met artikel 4 van Pro pandakte I en pandakte II tot executie overgaan.
4.10.
De rechtbank volgt het standpunt van [gedaagden sub 3 en 4] en Hideaways, waarbij de rechtbank het volgende vooropstelt. Niet in geschil is dat de totale vordering van [de B.V. 1] op de vennootschap per 16 december 2022 in ieder geval (circa) € 740.000,00 bedroeg. Daarvan had [de B.V. 1] volgens de eigen stellingen van de curator € 250.000,00 op grond van geldlening I te vorderen. De curator heeft niet betwist dat het bedrag van € 250.000,00 op grond van artikel 5 lid 1 sub g van Pro geldlening I terstond opeisbaar is als [de B.V. 1] goede gronden heeft te vrezen dat de vennootschap in de nakoming van haar verplichtingen op grond van geldlening I zal tekortschieten of [de B.V. 1] in haar verhaalsmogelijkheden zal worden benadeeld. Verder is niet in geschil dat de op grond van pandakte I gevestigde pandrechten rechtsgeldig zijn en dat uit artikel 4 van Pro de pandakte I volgt dat zodra de vennootschap in verzuim is met haar betalingsverplichtingen of als [de B.V. 1] mag vrezen dat de vennootschap daarin zal tekortschieten, [de B.V. 1] bevoegd is haar pandrecht uit te winnen (en zich op de opbrengst te verhalen). En voor de niet op grond van artikel 42 Fw Pro vernietigde pandakte II (zie 4.8 van dit vonnis) geldt dat het recht van parate executie is opgenomen in artikel C sub g: als de pandgever in verzuim is met de voldoening van hetgeen waarvoor het pandrecht tot waarborg strekt, kan de pandhouder zijn recht van parate executie uitoefenen.
4.11.
De rechtbank is van oordeel dat [de B.V. 1] geldlening I met haar brief van
25 oktober 2022 heeft opgeëist. In deze brief refereert [de B.V. 1] aan de dreiging dat de vennootschap failliet gaat en aan haar vrees dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zal kunnen voldoen. Verder staat in deze brief dat [de B.V. 1] de vennootschap voor zover nodig in gebreke stelt en dat [de B.V. 1] haar pandrecht zal gaan uitoefenen als zij niet uiterlijk op 28 oktober 2022 (“vrijdag as.”) van de vennootschap een saneringsvoorstel ontvangt waaruit blijkt (kort gezegd) dat het geleende geld zal kunnen worden terugbetaald. Hieruit volgt dat geldlening I op grond van artikel 5 lid 1 sub g daarvan Pro opeisbaar was.
4.12.
[de B.V. 1] heeft de vennootschap geen ingebrekestelling gestuurd voor de terugbetaling van geldlening I. Toch verkeerde de vennootschap naar het oordeel van de rechtbank op (in ieder geval) 16 december 2022 in verzuim. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van het volgende.
4.13.
Gesteld noch gebleken is dat de vennootschap zich na 25 oktober 2022 richting [de B.V. 1] op het standpunt heeft gesteld dat er wel zicht bestaat op terugbetaling van het op grond van geldlening I verschuldigde bedrag van € 250.000,00. Op grond van het uitblijven van deze door [de B.V. 1] gewenste reactie en het feit dat de vennootschap in aanloop naar de activaovereenkomst heeft bevestigd dat haar (op 6 december 2022 aangevraagde) faillissement dreigt, kon [de B.V. 1] afleiden dat de vennootschap in haar verplichting om geldlening I terug te betalen zal tekortschieten. De eisen van redelijkheid en billijkheid brengen in dit geval dan ook mee dat aangenomen moet worden dat het verzuim zonder ingebrekestelling is ingetreden. [6]
4.14.
Dit betekent dat [de B.V. 1] op 16 december 2022 op grond van artikel 5 lid 1 sub g van Pro geldlening I, artikel 4 van Pro pandakte I en artikel C sub g van pandakte II bevoegd was om haar pandrecht te executeren. De tussen [de B.V. 1] en de vennootschap gemaakte afspraak om de onderhandse executoriale verkoop door de vennootschap te laten plaatsvinden is daarom rechtsgeldig.
4.15.
Daar komt bij dat niet is komen vast te staan dat de koopprijs van € 20.000,00 benadelend is geweest. Het enkele feit dat [de B.V. 2] in april 2022 op 6% van de aandelen in de vennootschap een agiostorting heeft gedaan van € 100.000,00 betekent namelijk nog niet dat (zoals de curator stelt en [gedaagden sub 3 en 4] en Hideaways betwisten) ervan uitgegaan moet worden dat de vennootschap, en daarmee volgens de curator de activa, omgerekend
€ 1.600.000,00 waard was. Andere feiten en/of omstandigheden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat sprake was van een te lage koopprijs heeft de curator niet gesteld.
4.16.
Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank de gevorderde verklaring voor recht dat de activaovereenkomst op 23 februari 2023 is vernietigd zal afwijzen. Dit geldt ook voor de daarop voortbouwende vorderingen onder r.o. 3.1.IX. en 3.1.X.
De vordering tegen (uitsluitend) [de B.V. 1]
4.17.
Over de gevorderde verklaring voor recht dat de curator geldlening II en pandakte II op 20 februari 2024 (op grond van artikel 42 Fw Pro) heeft vernietigd kan de rechtbank kort zijn. In 4.8 van dit vonnis heeft de rechtbank al geoordeeld dat het beroep van de curator op vernietiging van pandakte II niet opgaat, zodat de rechtbank de vordering op dit punt zal afwijzen. Als het gaat om de verklaring voor recht dat geldlening II op 20 februari 2024 is vernietigd, zal de rechtbank de curator in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaren omdat de rechtbank niet ziet dat de curator voldoende belang bij deze vordering heeft. Of de curator geldlening II heeft vernietigd is namelijk niet van belang aangezien [de B.V. 1] haar pandrechten op grond van zowel pandakte I als op grond van pandakte II al op basis van geldlening I kon uitoefenen (zie 4.14 van dit vonnis).
Bestuurdersaansprakelijkheid
4.18.
Daarmee komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de bestuurders-aansprakelijkheid. Aan zijn primaire vorderingen (zie 3.1.I. tot en met 3.1.III. van dit vonnis) legt de curator ten grondslag dat [ gedaagden sub 1 en 2] en [gedaagden sub 3 en 4] op grond van artikel 2:248 BW Pro in samenhang met artikel 2:11 BW Pro aansprakelijk zijn voor het betalen van het boedeltekort omdat zij hun taken als bestuurder kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld en het onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement van de vennootschap is geweest. De curator verwijt [ gedaagden sub 1 en 2] en [gedaagden sub 3 en 4] in dit verband kort gezegd dat
(i) de jaarrekeningen over 2020 en 2021 niet zijn gedeponeerd,
(ii) de vennootschap haar activiteiten niet heeft gestaakt maar verplichtingen is blijven aangaan, terwijl redelijkerwijs was te voorzien dat deze niet nagekomen zouden worden,
(iii) geldlening II en pandakte II onverplicht zijn aangegaan ten koste van de andere schuldeisers en
(iv) de activaovereenkomst is gesloten (onverplicht en met benadeling van de andere schuldeisers).
4.19.
Uit de beoordeling van de vorderingen tegen Hideaways en [de B.V. 1] eerder in dit vonnis volgt dat de verwijten over het sluiten van geldlening II, pandakte II en de activaovereenkomst (verwijten (iii) en (iv) in r.o. 4.18) geen onbehoorlijk bestuur opleveren. De rechtbank zal deze verwijten daarom verder buiten beschouwing laten. De andere verwijten (verwijten (i) en (ii)) leiden niet tot bestuurdersaansprakelijkheid. Dit oordeel licht de rechtbank als volgt toe.
4.20.
Tussen partijen is niet in geschil dat de jaarrekeningen 2020 en 2021 niet zijn gedeponeerd. Daarmee staat op grond van de wet (artikel 2:248 lid 2 BW Pro) vast dat [gedaagde sub 1] en [de B.V. 1] hun taak als bestuurders onbehoorlijk hebben vervuld en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Om dit wettelijke vermoeden te ontzenuwen, dienen [gedaagde sub 1] en [de B.V. 1] aannemelijk te maken dat andere van buitenaf komende feiten en omstandigheden dan hun kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest.
4.21.
Daarin zijn zij geslaagd. [ gedaagden sub 1 en 2] en [gedaagden sub 3 en 4] hebben aannemelijk gemaakt dat de terugtrekking van [S.] op 21 oktober 2022 als investeerder een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Niet in geschil is dat de vennootschap met een structureel liquiditeitstekort kampte, terwijl [de B.V. 1] al in de zomer van 2021 duidelijk had gemaakt geen aanvullende financiering meer te willen verstrekken. Met de door de curator onweersproken serieuze interesse van [S.] had de vennootschap in ieder geval tot 21 oktober 2022 zicht op een substantiële financiering van € 500.000,00. De stelling van de curator dat al van begin af aan duidelijk was dat [S.] het met [de B.V. 1] niet over de voorwaarden eens zou worden en dus niet zou investeren, heeft de curator niet onderbouwd en strookt ook niet met het feit dat [S.] in oktober 2022 nog op kantoor van de vennootschap is geweest om als investeerder kennis te maken. Ook kan de rechtbank de curator niet volgen in zijn stelling dat de vennootschap ook failliet zou zijn gegaan als [S.] wel zou zijn ingestapt omdat dan nog steeds sprake zou zijn geweest (aldus de curator) van een liquiditeitstekort. De curator miskent daarmee namelijk dat het hier gaat om een startende onderneming die pas eind december 2021 beschikte over een boekingssite waarop direct in ‘realtime’ boekingen konden worden gedaan. Dit leidde in 2022 tot een door de curator onweersproken omzetgroei, wat voor [S.] reden was om toch te willen investeren.
4.22.
De rechtbank ziet dan ook niet, zoals de curator betoogt, dat de vennootschap vanaf de zomer van 2021 haar activiteiten had moeten staken en dat de bestuurder(s) kan worden verweten dat (in de bewoordingen van de curator) de vennootschap daarna “maar is blijven doormodderen”. Dat [de B.V. 1] in de zomer van 2021 aangaf geen aanvullende financiering meer te willen verstrekken (wat [de B.V. 1] feitelijk wel heeft gedaan) en dat er sprake was van structureel negatieve liquiditeitsprognoses, maakten het faillissement van de vennootschap vanaf de zomer van 2021 nog niet voorzienbaar.
4.23.
Omdat de aan het adres van [ gedaagden sub 1 en 2] en [gedaagden sub 3 en 4] gemaakte verwijten dus niet tot bestuurdersaansprakelijkheid leiden, zal de rechtbank de primaire vorderingen (onder r.o. 3.1.I. tot en met 3.1.III.) afwijzen. Dat geldt ook voor de subsidiaire vorderingen die de curator op dezelfde verwijten baseert. Om de subsidiaire vorderingen op grond van bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 2:9 BW Pro en artikel 6:162 BW Pro te kunnen toewijzen, is namelijk in ieder geval vereist dat aan de bestuurder van de benadeling een persoonlijk ernstig verwijt valt te maken. Daarvan is geen sprake.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.24.
Omdat de hoofdvorderingen van de curator niet toewijsbaar zijn, sneuvelt ook de nevenvordering met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten.
Proceskosten
4.25.
De curator is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De rechtbank zal de proceskosten berekenen op basis van het oude (vóór 1 februari 2026 geldende) liquidatietarief.
4.26.
De rechtbank begroot de proceskosten van [ gedaagden sub 1 en 2] op:
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
4.822,50
(2,5 punten × € 1.929,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
11.861,50
4.27.
De rechtbank begroot de proceskosten van [gedaagden sub 3 en 4] en Hideaways op:
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
3.858,00
(2 punten × € 1.929,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
10.897,00

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart de curator niet-ontvankelijk in zijn gevorderde verklaring voor recht dat geldlening II op 20 februari 2024 buitengerechtelijk is vernietigd,
5.2.
wijst de overige vorderingen van de curator af,
5.3.
veroordeelt de curator in de proceskosten van [ gedaagden sub 1 en 2] van € 11.861,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als de curator niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt de curator in de proceskosten van [gedaagden sub 3 en 4] en Hideaways van
€ 10.897,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als de curator niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart de in 5.4 vermelde proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. de Metz, rechter, bijgestaan door mr. N.M. Bindhammer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.

Voetnoten

1.artikel 3:248 lid 1 BW Pro
2.artikel 3:250 lid 1 BW Pro
3.zie artikel 3:251 BW Pro
4.Hoge Raad 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:319 (Feenstra q.q./ ING)
5.artikel 3:251 lid 2 BW Pro
6.Hoge Raad 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1581