ECLI:NL:RBNHO:2026:8731

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
C/15/378794
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming voor verhuizing en schoolinschrijving minderjarige in belang van het kind

Partijen zijn gescheiden ouders van een minderjarige zoon, die gezamenlijk het gezag uitoefenen. Na de echtscheiding woonde de zoon hoofdzakelijk bij de moeder, met een co-ouderschapsregeling waarbij hij weekenden bij de vader verbleef. Door een crisissituatie in het voorjaar van 2026, waarbij de moeder psychische problemen had en de relatie met haar ouders ernstig verstoord was, zijn tijdelijke afspraken gemaakt waarbij de zoon zijn hoofdverblijf bij de vader kreeg.

Na de zomervakantie 2026 wilde de moeder met de zoon verhuizen naar een andere plaats en hem inschrijven op een nieuwe school. De vader vorderde in kort geding dat de zoon terugkeert naar zijn hoofdverblijf bij hem en dat de moeder zich houdt aan de afspraken van maart 2026. De moeder vorderde vervangende toestemming voor de verhuizing en schoolinschrijving.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de afspraken van maart 2026 tijdelijk waren en voortkwamen uit een crisissituatie die inmiddels voorbij is. De moeder wordt gezien als de primair verzorgende ouder en de verhuizing is in het belang van het kind, onder meer vanwege de stabiliteit en het herstel van de moeder-kindrelatie. De vader kreeg geen gelijk omdat hij rekening had moeten houden met de situatie en de tijdelijke aard van de afspraken.

De rechtbank verleent de moeder vervangende toestemming voor de verhuizing en schoolinschrijving van de zoon en wijst de vorderingen van de vader af. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De moeder krijgt vervangende toestemming voor verhuizing en schoolinschrijving van de zoon; de vorderingen van de vader worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/378794 / KG ZA 26-305
Vonnis in kort geding van 21 juli 2026
in de zaak van
[de man],
wonende te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. I. Akkaya,
tegen
[de vrouw],
wonende te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. N.H. Fridsma.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 12 producties
- de akte overlegging nadere producties van de zijde van de man met productie 13 en 14
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie met 6 producties
- de mondelinge behandeling van 7 juli 2026, waarbij namens de man een pleitnota is overgelegd en waarvan voor het overige door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Ter zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over de zomervakantieregeling en het paspoort van [de zoon] . Deze overeenstemming is vastgelegd in een proces-verbaal.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn gehuwd geweest. Zij hebben samen een zoon:
- [de zoon] , geboren op [geboortedatum] .
Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de zoon] .
2.2.
Het huwelijk van partijen is in juli 2025 door echtscheiding ontbonden. In het kader van de echtscheiding hebben partijen een ouderschapsplan opgesteld, waarin zij, onder meer, hebben afgesproken dat [de zoon] zijn hoofdverblijf bij de vrouw heeft en ieder weekend en de helft van de schoolvakanties en feestdagen bij de man verblijft. Ten tijde van het sluiten van het ouderschapsplan woonden partijen in [plaats] .
2.3.
Het huurrecht van de voormalige echtelijke woning in [plaats] is na echtscheiding toebedeeld aan de man. De vrouw is met [de zoon] na het uiteengaan van partijen bij haar ouders ingetrokken.
2.4.
Kort na het uiteengaan van partijen kreeg de vrouw een relatie met een man uit [plaats] en is zij, omdat haar ouders deze relatie niet goedkeurden, met [de zoon] bij hem ingetrokken. De relatie verliep moeizaam en op enig moment wilde de vrouw met [de zoon] naar haar ouders terugkeren. De vrouw was op dat moment zwanger van haar nieuwe partner en haar ouders wilden haar alleen terug in huis nemen als zij deze zwangerschap zou beëindigen. De vrouw heeft daarop een abortus ondergaan. De relatie met de nieuwe partner is hersteld en de vrouw is met [de zoon] weer bij hem ingetrokken. Zij kreeg echter suïcidale gedachten, heeft zichzelf verwond en is met een ambulance naar het ziekenhuis gebracht. De vrouw wilde met [de zoon] wederom terugkeren bij haar ouders, die aanvankelijk alleen [de zoon] opnamen en niet ook de vrouw.
2.5.
Tijdens een vakantie in [land] begin maart 2026 besloten de vrouw en haar nieuwe partner samen een bestaan op te bouwen in [plaats] en heeft de vrouw besloten het contact met haar ouders te verbreken. Toen de vrouw [de zoon] na haar vakantie bij haar ouders wilde ophalen, werkten haar ouders daaraan niet mee.
2.6.
Op 31 maart 2026 heeft een gesprek tussen partijen plaatsgevonden op het politiebureau in [plaats] , in bijzijn van twee medewerkers van Veilig Thuis en twee politiemedewerkers. Door Veilig Thuis is hiervan een verslag opgesteld, waarin onder meer is opgenomen:
  • ‘ [de zoon] mag 5 dagen in de week, van maandag t/m vrijdag bij vader in [plaats] verblijven. Hij mag dan ook verblijven bij de moeder van vader, [de zoon] zijn oma. Hij moet bij een van hen slapen. In het weekend gaat hij naar [de vrouw] en haar partner in [plaats] .
  • Vader en zijn moeder (oma [de zoon] ) dragen zorg voor het brengen en halen van [de zoon] van en naar school.
  • Vader draagt zorg dat [de zoon] naar afspraken die doordeweeks plaatsvinden kan gaan (zoals logopedie, tandarts).
  • [de zoon] blijft tenminste tot aan de zomervakantie op school in [plaats] . [de man] en [de vrouw] gaan samen met een advocaat een plan opstellen voor daarna.
  • (..)
  • [de vrouw] mag doordeweeks elke avond voor het slapengaan bellen met [de zoon] . Voorwaarde is dat het gesprek niet over de ouders van [de vrouw] gaat. Andersom mag [de man] [de zoon] bellen in het weekend, wanneer [de zoon] bij [de vrouw] verblijft.
  • (..)
  • Ouders laten zich niet beïnvloeden door derden en dragen er beide zorg voor dat de communicatie tussen hen als gezaghebbend ouders soepel blijft verlopen, in het belang van [de zoon] . Zij zorgen ervoor dat derden zich hier niet mee bemoeien.’
2.7.
In april 2026 is de vrouw gehuwd met haar partner.
2.8.
Op zondag 17 mei 2026 zou de vrouw [de zoon] na zijn weekend bij haar terugbrengen naar de man, maar dat heeft zij niet gedaan. Sinds dat moment verblijft [de zoon] bij de vrouw en haar huidige echtgenoot in [plaats] en heeft de man [de zoon] niet meer gezien.
2.9.
Ná 17 mei 2026 heeft [de zoon] enige weken onderwijs gevolgd in [plaats] , bij basisschool [de basisschool] . De man heeft de school echter geïnformeerd daarvoor geen toestemming te hebben verleend. Vanaf dat moment heeft [de zoon] geen onderwijs meer gevolgd. Partijen zijn verdeeld over hoe de schoolgang het komend jaar vorm te geven.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
De man vordert, kort gezegd, om de vrouw bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bevelen [de zoon] binnen 24 uur na betekening van het vonnis aan de man af te geven en afgegeven te houden;
II. te bevelen haar volledige medewerking te verlenen aan de uitvoering van de tussen partijen op 31 maart 2026 gemaakte afspraken, inhoudende dat [de zoon] gedurende de schoolweek bij de man verblijft en gedurende de weekenden bij de vrouw verblijft, zulks totdat in een bodemprocedure anders wordt beslist;
III. te bevelen [de zoon] overeenkomstig voornoemde regeling tijdig aan de man af te geven aan het begin van iedere schoolweek en hem tijdig van de man in ontvangst te nemen aan het begin van ieder weekend, althans op de wijze zoals partijen daaraan voorafgaand feitelijk uitvoering hebben gegeven;
IV. te bevelen haar volledige medewerking te verlenen aan de onmiddellijke hervatting van het schoolbezoek van [de zoon] op de school waar hij voorafgaand aan 17 mei 2026 onderwijs volgde, alsmede aan alle daarbij behorende vormen van begeleiding, ondersteuning, logopedie en overige hulpverlening die reeds voor [de zoon] waren ingezet;
V. te verbieden de onder ll tot en met lV bedoelde regeling, schoolgang, begeleiding en verblijfssituatie eenzijdig te wijzigen, op te schorten, te frustreren of anderszins buiten werking te stellen zonder voorafgaande rechterlijke beslissing dan wel schriftelijke overeenstemming tussen partijen;
VI. te bevelen haar volledige medewerking te verlenen aan de inschrijving van [de zoon] op het woonadres van de man binnen twee werkdagen na betekening van het vonnis;
VII. voor zover voor die inschrijving toestemming van de vrouw is vereist en zij die toestemming niet verleent, te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van die
toestemming;
VIII. te veroordelen tot betaling aan de man van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de vrouw handelt in strijd met één of meer van de onder I tot en met Vl gevorderde voorzieningen, met een maximum van € 25.000,00;
IX. te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente;
X. althans een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie passend acht en in het belang van de minderjarige [de zoon] noodzakelijk acht.
3.2.
De man legt aan deze vorderingen, samengevat, ten grondslag dat partijen op 31 maart 2026 nadere afspraken hebben gemaakt, die niet tijdelijk van aard waren. Er bestonden grote zorgen over de psychische gesteldheid van de vrouw; zij had mogelijk suïcidale gedachten. Ook was de verhouding van de vrouw met haar familie ernstig verstoord. Tegen die achtergrond hebben politie en Veilig Thuis op 31 maart 2026 bemiddeld om te komen tot afspraken die rust, veiligheid en stabiliteit voor [de zoon] zouden bieden. Afgesproken is dat [de zoon] zijn hoofdverblijfplaats bij de man zou hebben en in de weekenden bij de vrouw zou verblijven. Ook is afgesproken dat [de zoon] ten minste tot de zomervakantie op zijn school in [plaats] blijven. De woorden ‘ten minste’ zijn hier van belang. De vrouw heeft zich per 17 mei 2026 eenzijdig aan de afspraken onttrokken, waardoor de man [de zoon] niet meer heeft gezien en, erger nog, [de zoon] niet meer naar school is gegaan. Het is in het belang van [de zoon] dat hij terugkeert naar zijn vertrouwde omgeving en naar zijn basisschool in [plaats] . Zijn leerkracht heeft aangegeven dat [de zoon] zich daar positief ontwikkelt; hij functioneert goed, heeft vriendjes gemaakt, is goed stuurbaar en profiteert van de structuur die de school hem biedt. Ter zitting heeft de man nog naar voren gebracht dat tijdens het gesprek van 31 maart 2026 niet is besproken dat de ouders van de vrouw geen rol meer mochten spelen in het leven van [de zoon] . De man houdt zich buiten de verhoudingen van de vrouw met haar familie, zo gaf hij aan.
3.3.
De vrouw voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de man. Zij stelt daartoe, samengevat, dat zij inderdaad een roerige tijd achter de rug heeft. Haar ouders keurden de relatie met haar partner niet goed en hebben haar gedwongen abortus te plegen toen zij zwanger van hem bleek. Dat heeft de vrouw veel verdriet gedaan en zij en haar ouders zijn inmiddels gebrouilleerd. De vrouw wil niet dat [de zoon] nog contact met hen heeft. Haar ouders beïnvloeden [de zoon] op een negatieve wijze. De man was volledig van die situatie op de hoogte en tijdens het gesprek op 31 maart 2026 is dit ook besproken. Er zijn daar naar aanleiding van de ontstane situatie tijdelijke afspraken gemaakt die golden tot aan de zomervakantie 2026. Afgesproken is dat [de zoon] ofwel bij de man ofwel bij zijn moeder zou verblijven, maar de vrouw raakte ervan op de hoogte dat [de zoon] tegen de afspraken in doordeweeks bij haar ouders verbleef. De vrouw heeft hiervan aangifte gedaan bij de politie. Nu de man zich niet aan de gemaakte afspraken hield, hoefde de vrouw dit ook niet langer te doen. Zij is teruggevallen op het ouderschapsplan, waarin was afgesproken dat [de zoon] zijn hoofdverblijf bij haar had. Veilig Thuis had haar ook bevestigd dat, toen de nadere afspraken door de man niet werden nagekomen, zij terug mocht vallen op het ouderschapsplan. Inmiddels is de zomervakantie aangebroken en gelden de tijdelijke afspraken over het verblijf van [de zoon] bij de man hoe dan ook niet meer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
De vrouw stelt reconventionele vorderingen in. Ter zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over de zomervakantieregeling en afgifte van het paspoort van [de zoon] . In reconventie vordert de vrouw, kort gezegd, thans nog om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. primair haar vervangende toestemming te verlenen voor de verhuizing van [de zoon] naar [plaats] , althans subsidiair haar voorlopig vervangende toestemming te verlenen voor deze verhuizing met de bepaling dat de vrouw uiterlijk op 10 augustus 2026 dan wel een in goede justitie te bepalen datum een bodemprocedure aanhangig heeft gemaakt waarin zij toestemming voor de verhuizing van [de zoon] naar [plaats] heeft gevraagd;
II. primair haar vervangende toestemming te verlenen om [de zoon] in te schrijven op de openbare basisschool [de basisschool] , gevestigd aan [adres] , althans subsidiair haar voorlopig vervangende toestemming te verlenen voor deze inschrijving met de bepaling dat de vrouw uiterlijk op 10 augustus 2026 dan wel een in goede justitie te bepalen datum een bodemprocedure aanhangig heeft gemaakt waarin zij toestemming voor het inschrijven op de basisschool [de basisschool] heeft gevraagd.
3.6.
De vrouw legt aan deze vorderingen ten grondslag dat het in het belang van [de zoon] is zijn hoofdverblijf bij haar te hebben. Dit is ook hoe partijen het in het ouderschapsplan hebben afgesproken. De vrouw werkt niet en de man wel, waardoor hij doordeweeks niet beschikbaar is voor [de zoon] en de zorg voor hem uit handen moet geven. De moeder van de man is ernstig ziek en de vrouw wil niet dat [de zoon] bij haar ouders is. De relatie met haar partner is goed en stabiel en de band tussen [de zoon] en haar partner is ook heel goed. Haar partner heeft herhaaldelijk tevergeefs getracht met de man in contact te komen om de situatie te bespreken. Het is in [de zoon] ’s belang dat hij, zoals afgesproken, zijn hoofdverblijf bij de vrouw heeft. Feitelijk heeft de vrouw dus vervangende toestemming nodig voor de verhuizing naar [plaats] . [de zoon] zal daar dan ook naar school gaan. De vrouw had [de zoon] al ingeschreven op een school in [plaats] en hij heeft daar ook enige weken onderwijs gevolgd, tot de man aan de nieuwe school aangaf geen toestemming daarvoor te hebben gegeven. Vanaf dat moment kon [de zoon] niet meer naar school. Ook voor de inschrijving op school vordert de vrouw dus vervangende toestemming.
3.7.
De man voert verweer en concludeert tot afwijzing van de reconventionele vorderingen. De vrouw wil met haar vorderingen een wijziging van de gemaakte afspraken en het is aan de bodemrechter om daarover een zorgvuldig oordeel te vellen, al dan niet na een advies van de Raad voor de Kinderbescherming. Juist omdat de gevolgen van deze beslissingen grotendeels onomkeerbaar zijn, past terughoudendheid bij het treffen van voorlopige voorzieningen die de bodemrechter straks feitelijk voor een reeds gerealiseerde situatie plaatsen.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
4.1.
Gelet op de samenhang van de vorderingen in conventie en reconventie zullen deze hierna gezamenlijk behandeld worden.
4.2.
De vorderingen van partijen zijn gebaseerd op artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW). De gezamenlijke gezagsuitoefening brengt mee dat partijen samen afspraken moeten maken. Als zij het niet eens kunnen worden, kan de rechtbank een beslissing nemen. Indien sprake is van een spoedeisend belang kunnen in kort geding ter zake ordemaatregelen worden gevorderd. De voorzieningenrechter geeft in deze geschillen een zodanige beslissing als hem of haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt, waarbij alle omstandigheden in acht worden genomen en alle belangen worden afgewogen.
4.3.
Het spoedeisend belang is naar het oordeel van de voorzieningenrechter gelet op de aard van de gevorderde voorzieningen gegeven.
4.4.
De voorzieningenrechter zal de gevorderde voorzieningen in conventie afwijzen, en de gevorderde voorzieningen in reconventie als hierna onder de beslissing vermeld toewijzen. Daarvoor is het volgende redengevend.
4.5.
In het ouderschapsplan zijn partijen overeengekomen dat [de zoon] zijn hoofdverblijf bij de vrouw zou hebben, terwijl het huurrecht van de voormalig echtelijke woning aan de man werd toebedeeld. De vrouw is daarop met [de zoon] bij haar ouders ingetrokken, hetgeen naar de aard der zaak een tijdelijke situatie was. De man had er dus rekening mee kunnen en moeten houden dat de vrouw met [de zoon] op enig moment elders onderdak diende te vinden. De voorzieningenrechter merkt hierbij ook op dat de man tijdens de zitting heeft verklaard vanuit huis te werken en zelf zijn werktijden te kunnen indelen. Niettemin is op een co-ouderschapsregeling bij het opstellen van het ouderschapsplan door de man kennelijk geen prijs gesteld. Hieruit volgt dat de vrouw gezien moet worden als de primair verzorgende ouder; een rol die zij ook op zich heeft genomen tot de persoonlijke gebeurtenissen in het voorjaar van 2026, zoals hiervoor onder 2.4. kort opgenomen, haar dat onmogelijk maakten.
4.6.
De voorzieningenrechter acht voldoende aannemelijk dat de hiervoor onder 2.5 opgenomen afspraken (hierna: de afspraken van 31 maart 2026) niet zijn ontstaan als uitwerking van een door partijen overeengekomen wijziging van het ouderschapsplan, maar als reactie op de uitzonderlijke crisissituatie waarin de vrouw zich destijds bevond en waarin voor [de zoon] op korte termijn rust en stabiliteit moesten worden gecreëerd. Deze crisissituatie volgt genoegzaam uit het procesdossier, met name ook de als productie 2 bij conclusie van antwoord overgelegde gespreksverslagen van Veilig Thuis, en hetgeen ter zitting is besproken. Er lijkt sprake van een forse inbreuk op de persoonlijke integriteit van de vrouw door haar ouders en hun acties hebben mede geleid tot het ontstaan van de crisissituatie.
4.7.
Het tijdelijke karakter van de afspraken van 31 maart 2026 blijkt ook uit de afspraken zelf; uitdrukkelijk is bepaald dat [de zoon] tot aan de zomervakantie op zijn school in [plaats] zou blijven en dat partijen voor de periode daarna een nieuwe regeling zouden treffen. Nu de zomervakantie inmiddels is aangevangen, ziet de voorzieningenrechter onvoldoende aanleiding om de in maart 2026 getroffen crisisregeling in afwijking van het ouderschapsplan te laten voortduren.
4.8.
De voorzieningenrechter acht gelet op hetgeen ter zitting door de vrouw is verklaard ook voldoende aannemelijk dat de crisissituatie voorbij is, dat de rust is wedergekeerd en dat de vrouw zich op dit moment in een stabiele situatie bevindt. De vrouw heeft verklaard dat zij en haar huidige echtgenoot voor de relatie hebben gekozen en dat het goed gaat. De voorzieningenrechter overweegt dat het, gelet op de gebeurtenissen van het afgelopen half jaar, meer dan ooit zaak is dat de vrouw de zorg voor [de zoon] weer op zich kan nemen in een omgeving waar zij zich veilig voelt.
4.9.
De voorzieningenrechter acht het in het belang van [de zoon] dat hij weer kan wonen met zijn primaire verzorger, dat de band met zijn moeder kan herstellen en dat hij een verdere band kan opbouwen met de huidige echtgenoot van zijn moeder. Ook acht de voorzieningenrechter het in het belang van [de zoon] dat de inmiddels ontstane feitelijke situatie niet opnieuw wordt gewijzigd. Een nieuwe wijziging van het hoofdverblijf zou opnieuw onrust in zijn leven brengen. Het belang van [de zoon] vergt dat zo spoedig mogelijk weer structuur ontstaat, waaronder hervatting van zijn schoolgang na de zomervakantie. De voorzieningenrechter heeft de indruk dat, zolang [de zoon] overwegend in [plaats] verblijft en daar in de regio naar school gaat, hij onder invloed zal blijven staan van de ouders van de vrouw. De voorzieningenrechter baseert dit op de uitlating van de vrouw dat haar ouders de kant van de man hebben gekozen en op uitlatingen van de man ter zitting dat hij nog altijd goed contact heeft met de familie van de vrouw en het gegeven dat hij hen in het voorjaar van 2026 heeft ingeschakeld bij de zorg voor [de zoon] terwijl hij wist – zo staat ook in zijn dagvaarding – dat de band van de vrouw met haar ouders ernstig verstoord was. Over de invloed van haar ouders heeft de vrouw blijkens de gespreksverslagen van Veilig Thuis en ook op zitting verklaard dat sprake is van emotionele mishandeling van [de zoon] en dat haar ouders [de zoon] in een loyaliteitsconflict brengen. Uit het verslag van het gesprek dat de medewerker van Veilig Thuis op 12 maart 2026 met [de zoon] zelf had (gevoegd bij productie 2 bij conclusie van antwoord) blijkt ook dat [de zoon] aangaf dat hem was verteld dat zijn moeder weg was en nooit meer terug zou komen. Het is niet in [de zoon] ’s belang hem aan het risico van een dergelijk loyaliteitsconflict bloot te blijven stellen.
4.10.
De voorzieningenrechter weegt ook mee dat de aanwezigheid van [de zoon] op zijn school in [plaats] , waar hij afgelopen schooljaar in groep 2 zat, niet zo lang heeft geduurd dat hij daar het centrum van zijn schoolgang heeft ontwikkeld. Uit het verslag van het gesprek dat de medewerker van Veilig Thuis op 12 maart 2026 met [de zoon] zelf had (gevoegd bij productie 2 bij conclusie van antwoord) volgt dat [de zoon] haar heeft aangegeven zowel zijn school in [plaats] als zijn school in [plaats] leuk te vinden. Uit de stukken komt een beeld naar voren van een (in dit opzicht) redelijk flexibele zesjarige jongen die -mits de thuisbasis veilig en geild is- vrij makkelijk zal ingroeien in een nieuwe schoolomgeving.
4.11.
Op grond van al het voorgaande zal de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige ordemaatregel de vrouw vervangende toestemming verlenen voor de verhuizing van [de zoon] naar [plaats] en voor zijn inschrijving op basisschool [de basisschool] aldaar.
4.12.
De omstandigheid dat de vrouw de afspraken van 31 maart 2026 sinds 17 mei 2026 niet langer is nagekomen is geen reden om anders te oordelen. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat de vrouw de regeling heeft beëindigd nadat zij had vastgesteld dat [de zoon] doordeweeks buiten schooltijd feitelijk verbleef bij haar ouders, terwijl zij uitdrukkelijk had aangegeven dat zij dat niet wenste. De man heeft ter zitting weliswaar aangevoerd dat tijdens het gesprek van 31 maart 2026 niet is afgesproken dat de ouders van de vrouw geen rol mochten spelen in het leven van [de zoon] , maar in de afspraken is uitdrukkelijk opgenomen dat [de zoon] bij de man of diens moeder mocht verblijven. Die vermelding heeft geen betekenis als [de zoon] ook bij anderen mag verblijven.
Door [de zoon] niettemin bij de ouders van de vrouw te laten verblijven kan de man de vrouw niet tegenwerpen dat zij deze afspraken, die tijdelijk waren, sinds 17 mei 2026 niet meer is nagekomen.
4.13.
Tot slot is de omstandigheid dat deze beslissing zou kunnen prejudiciëren op een beslissing door de bodemrechter over de verhuizing van [de zoon] evenmin reden voor een ander oordeel. De man heeft met zijn keuze voor overname van het huurrecht, terwijl de vrouw de primaire zorg voor [de zoon] voortzette, geen werk heeft en overduidelijk de economisch zwakkere partij is, rekening moeten houden met de omstandigheid dat dat ertoe zou kunnen leiden dat de vrouw en [de zoon] op grotere afstand van de man zouden komen te wonen dan op zichzelf wenselijk is te achten. Bij die stand van zaken dienen de hiervoor vermelde argumenten vóór de verhuizing te prevaleren. Het staat de man vrij een bodemprocedure te starten in het geval hij zich niet bij de verhuizing van [de zoon] naar [plaats] kan neerleggen. De voorzieningenrechter geeft de man echter in overweging in het belang van [de zoon] te zoeken naar oplossingen die ervan uitgaan dat [de zoon] bij de vrouw woont. Zo zouden partijen gezamenlijk kunnen bezien of een verhuizing van de man richting [regio] te bewerkstelligen is.
4.14.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
5.1.
wijst de gevorderde voorzieningen af,
in reconventie
5.2.
verleent de vrouw vervangende toestemming (in de plaats komend van de toestemming van de man) voor de verhuizing van [de zoon] naar [plaats] ,
5.3.
verleent de vrouw vervangende toestemming (in de plaats komend van de toestemming van de man) om [de zoon] in te schrijven op de openbare basisschool [de basisschool] , gevestigd aan [adres] ,
5.4.
verklaart 5.2 en 5.3 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
in conventie en in reconventie
5.6.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.
2009