Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:875

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
AWB - 24 _ 6926
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Verordening parkeerbelastingArt. 2.13 Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2025
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens overmacht door website storing

Eiser beschikte over een bedrijfsparkeervergunning en parkeerde op 25 maart 2024 zijn auto op een locatie zonder dat de parkeerbelasting was voldaan. Verweerder legde een naheffingsaanslag op wegens het niet aanmelden van het kenteken in het parkeersysteem. Eiser stelde dat hij wel heeft geprobeerd aan te melden, maar dat de website een storing vertoonde, hetgeen hij onderbouwde met een foto van een foutmelding.

De rechtbank stelde vast dat het kenteken niet was aangemeld en dat de parkeerbelasting niet was voldaan, wat normaal gesproken rechtvaardigt dat een naheffingsaanslag wordt opgelegd. Echter, de rechtbank oordeelde dat de storing op de website, bevestigd door de foto en de correcte URL, een situatie van overmacht opleverde waardoor eiser niet kon voldoen aan zijn verplichting.

Verweerder kon niet aantonen dat er op dat moment een alternatieve aanmeldmogelijkheid via een parkeerapp bestond die aan eiser bekend was. De rechtbank vond het onredelijk om van eiser te verlangen dat hij in geval van een storing op de website alsnog op andere wijze parkeerbelasting zou betalen.

Daarom werd het beroep gegrond verklaard, de naheffingsaanslag en de uitspraak op bezwaar vernietigd en verweerder opgedragen het betaalde griffierecht te vergoeden. Eiser was niet verschenen bij de zitting, en een verzoek om uitstel werd afgewezen vanwege het belang van een spoedige uitspraak.

Uitkomst: De naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt vernietigd wegens overmacht door een storing op de website waardoor eiser niet kon aanmelden.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/6926

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

en

de heffingsambtenaar van Cocensus, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting (naheffingsaanslag) opgelegd.
Met de uitspraak op bezwaar van 18 juli 2024 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 20 januari 2026. Eiser is met bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam] .

Afwijzing verzoek aanhouding

1. Eiser is op 8 december 2025 uitgenodigd voor de zitting op 20 januari 2026.
2. Op 6 januari 2026 heeft eiser verzocht om uitstel vanwege de behandeling van een andere zitting in zijn hoedanigheid als advocaat.
3. De rechtbank heeft het aanhoudingsverzoek afgewezen om de volgende redenen.
4. Artikel 2.13, tweede lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2025 bepaalt dat een verzoek tot uitstel wordt ingewilligd tenzij zwaarder wegende belangen betrokken zijn bij de behandeling van de zaak:
De rechtbank willigt een verzoek dat voldoet aan de in het eerste of tweede lid van dit artikel omschreven voorwaarden in, tenzij de rechtbank oordeelt dat zwaarder wegende bij de behandeling van de zaak betrokken belangen hieraan in de weg staan. Als zwaarder wegende belangen kunnen mede worden aangemerkt een voor de rechtbank geldende beslistermijn, het belang van een tijdige uitspraak en het belang van andere bij de behandeling van de zaak betrokken belanghebbenden. Bij een verzoek om uitstel van de zitting kan de rechtbank betrekken de situatie dat voorafgaand aan de uitnodiging een aankondiging met de zittingsdatum is verzonden of de zittingsdatum op een andere manier met partijen is afgestemd.
5. Aan dit verzoek om uitstel zijn twee eerdere wel toegekende uitstelverzoeken voorafgegaan wegens verblijf in het buitenland. Zwaarder wegende belangen staan een verder uitstel nu in de weg, waarbij in het bijzonder het belang dat verweerder recht heeft op een spoedige uitspraak zwaar weegt, zeker nu het bezwaar dateert van 4 april 2024. Dit betekent dat de redelijke termijn voor het doen van uitspraak op 3 april 2026 verloopt. De rechtbank acht het bij verder uitstel onwaarschijnlijk dat vóór het verlopen van de redelijke termijn een nieuwe zitting gepland kan worden en uitspraak zal kunnen worden gedaan, wat tenslotte ook het zwaarwegende belang van een goede organisatie van de rechtspleging raakt.

Feiten

6. Het bedrijf van eiser beschikt over een bedrijfsparkeervergunning (parkeervergunning).
7. Op 25 maart 2024 omstreeks 09:24 uur stond de auto van eiser geparkeerd aan de [straat] in [plaats 2] (de parkeerlocatie).
8. Eiser heeft op zijn beeldscherm, na het intypen van een Uniform Rescource Locator (URL) om de auto via de website aan te melden voor het gebruikmaken van de parkeervergunning, de volgende foutmelding gekregen:

“Deze site is niet bereikbaar

Het duur te lang voordat [website] reageert.

Probeer dit eens (…)”.
9. Tijdens controle is geconstateerd dat voor de auto geen parkeerbelasting was voldaan en dat de auto zonder geldige parkeervergunning geparkeerd stond. Verweerder heeft daarom aan eiser de naheffingsaanslag opgelegd voor een bedrag van € 82,75, bestaande uit € 6,05 parkeerbelasting en € 76,70 naheffingskosten.
10. Met de uitspraak op bezwaar heeft verweerder de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Geschil

11. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Eiser stelt met verwijzing naar een foto van de foutmelding (zie onder 8) dat hij heeft geprobeerd zijn auto aan te melden voor het gebruik maken van de parkeervergunning, maar dat de website een storing had. Verweerder betwist de storing. Bovendien had eiser, aldus verweerder, via een parkeerapp de auto kunnen aanmelden met de parkeervergunning dan wel parkeerbelasting kunnen betalen voor het parkeren van de auto.

Overwegingen

12. Tussen partijen is niet in geschil dat op het moment van de controle de auto niet was aangemeld en eiser ook geen parkeerbelasting heeft voldaan.
13. Op grond van artikel 5, derde lid, van de Verordening parkeerbelasting moet het kenteken van de geparkeerde auto worden aangemeld in het parkeersysteem. Eiser heeft de auto niet aangemeld. Dus is niet voldaan aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de parkeervergunning. Dat betekent dat geen sprake is van parkeren met een parkeervergunning (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Hoge Raad 23 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD6051, onder 3.1). Ook is geen parkeerbelasting voldaan. Dit maakt dat verweerder een naheffingsaanslag mag opleggen, tenzij sprake is van overmacht.
14. Daartoe heeft eiser aangevoerd dat hij de auto wel heeft geprobeerd aan te melden, maar dat sprake was van een storing op de website. Eiser heeft dit onderbouwd met een foto van de foutmelding waaruit volgt dat de URL ‘ [website] ’ niet reageerde. Dat is, zoals verweerder op zitting heeft bevestigd, een correcte URL. De rechtbank volgt verweerder niet in de stelling dat eiser in plaats van ‘ [website] ’ een langere in de URL-balk vermelde URL heeft ingetypt. Dat blijkt namelijk niet uit de bewoordingen van de foutmelding. De langere URL laat zich bovendien, zoals op zitting voorgehouden, verklaren doordat de website gebruik maakt van een automatische doorverwijzing na het intypen van de URL ‘ [website] ’. Met de foto heeft eiser dan ook aannemelijk gemaakt dat de website van verweerder een storing had waardoor eiser de auto niet kon aanmelden. Verweerder heeft op zitting aangegeven dat uit een recente zoekopdracht via Google blijkt dat auto’s ook via een parkeerapp kunnen worden aangemeld. Daaruit volgt echter niet dat het ten tijde van de storing mogelijk was om de auto aan te melden met een parkeerapp en dat deze aanmeldmethode vooraf aan eiser kenbaar is gemaakt. De rechtbank stelt daarom vast dat sprake was van overmacht.
15. Van eiser mag niet worden verlangd dat hij, indien hij wegens een storing op de website van verweerder zijn auto niet kan aanmelden, (ook) parkeerbelasting betaalt bij bijvoorbeeld een parkeermeter. Immers lag de storing buiten zijn invloedsfeer, maar in die van verweerder. Verweerder heeft dan ook ten onrechte de naheffingsaanslag opgelegd.
16. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren.

Proceskosten

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding omdat gesteld noch gebleken is dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Wel dient verweerder aan eiser het griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de naheffingsaanslag;
- en draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 51 te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.E.A. Chao, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.G. van Gastelen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
3 februari 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).