ECLI:NL:RBNHO:2026:8762

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
15/039411-25
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 OpiumwetArt. 3a Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs voorbereidingshandelingen invoer cocaïne

De rechtbank Noord-Holland behandelde op 9 juli 2026 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van voorbereidingshandelingen met betrekking tot de invoer van cocaïne. De tenlastelegging betrof onder meer het opzettelijk voorbereiden en bevorderen van de invoer van cocaïne, het onderhouden van contact met koeriers en het verstrekken van middelen en informatie.

De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 10 maanden, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte wegens gebrek aan bewijs voor opzet en betrokkenheid. Het onderzoek richtte zich vooral op telecomgegevens en contacten tussen verdachte en medeverdachten die op 29 januari 2025 op Schiphol werden aangehouden.

De rechtbank oordeelde dat ondanks het contact en het doorsturen van berichten door verdachte, niet wettig en overtuigend kon worden vastgesteld dat verdachte opzet had op de invoer van verdovende middelen of een rol had bij de voorbereiding daarvan. Daarom werd verdachte vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van opzet en betrokkenheid bij voorbereidingshandelingen invoer cocaïne.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/039411-25 (P)
Uitspraakdatum: 9 juli 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 25 juni 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
nu gedetineerd in P.I. Krimpen aan den IJssel.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. S.P. Visser en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. D.N.A. Brouns, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij, in of omstreeks de periode van 18 december 2024 t/m 29 januari 2025 te Dordrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen
van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door:
- in genoemde periode telefonisch contact te onderhouden met koeriers [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of aan [persoon 1] te vragen of die ‘dingen’ goed waren en/of
- contact te onderhouden met [persoon 3] en/of hem berichten door te sturen en/of hem instructies te geven en/of
- berichten van [persoon 3] te ontvangen over een wijziging van het vliegticket van [persoon 1] en/of afbeeldingen van NS-reisgegevens van Middelburg naar Schiphol en/of berichten van [persoon 2] over het aanschaffen van tickets en het verrekenen van kosten en/of - te beslissen of er handgeld kan worden verstrekt aan [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of over de wijze waarop dat handgeld kan worden verstrekt en/of daarvoor een onbekend gebleven derde langs de verblijfsplaats van [persoon 1] en/of [persoon 2] op Curaçao te laten sturen en/of
- door foto’s te maken van een of meerdere hotelovernachtingen voor [persoon 1] en/of [persoon 2] bij het Bastion Hotel en/of over die foto’s van die hotelovernachtingen te beschikken.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Standpunten van partijen

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit omdat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte opzet heeft gehad op de voorbereiding of het bevorderen van de invoer van cocaïne. Bovendien is niet gebleken dat de door de verdachte verstuurde berichten verband hielden met de invoer van verdovende middelen.

4.Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Op 29 januari 2025 worden de verdachten [persoon 2] , [persoon 1] en [persoon 3] op Schiphol aangehouden op verdenking van de invoer van cocaïne. Op 3 februari 2025 volgt een bericht van het Team Criminele Inlichtingen dat de verdachte eveneens betrokken zou zijn bij de invoer van cocaïne via Schiphol. Naar aanleiding van deze melding is een onderzoek gestart naar de verdachte.
Dit onderzoek bestond grotendeels uit het analyseren van de telecomgegevens van de verdachte en medeverdachten.
De verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat de medeverdachten [persoon 2] , [persoon 1] en [persoon 3] zich bezighielden met de invoer van cocaïne.
De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de verdachte de medeverdachten kent, met hen contact onderhield en berichten heeft doorgestuurd. De rechtbank is echter van oordeel dat op grond van het voorgaande niet met de voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte opzet heeft gehad op de invoer van verdovende middelen en dat de verdachte bij de voorbereiding hiervan een rol bij heeft gespeeld. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.

4.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
mr. I.A. Groenendijk, voorzitter,
mr. C.S. Schoorl en mr. H.P.H.I. Cleerdin, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffiers mr. R.M. Beekhuizen en mr. T.A.F. Pomper,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 juli 2026.
mr. Cleerdin is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.