ECLI:NL:RBNHO:2026:8778

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
12013568 \ CV EXPL 25-8460
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:290 BWArt. 7:292 lid 2 BWArt. 7:295 lid 1 BWArt. 7:296 lid 1 onder b BWArt. 7:296 lid 4 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging huurovereenkomst bedrijfsruimte wegens dringend eigen gebruik

De zaak betreft een geschil over de opzegging van een huurovereenkomst voor een bedrijfsruimte, waarop artikel 7:290 BW Pro van toepassing is. De verhuurders, sinds 2019 eigenaar van het pand, hebben de huurovereenkomst opgezegd wegens dringend eigen gebruik per 31 december 2026. De huurder exploiteert een horecagelegenheid in de bedrijfsruimte en betwist de opzegging.

De kantonrechter oordeelt dat de opzegging formeel geldig is en dat de verhuurders aannemelijk hebben gemaakt dat zij de bedrijfsruimte dringend nodig hebben voor persoonlijk en duurzaam gebruik, namelijk het realiseren van extra woonruimte voor hun gezin. Concrete bouwplannen en een omgevingsvergunning ondersteunen dit. Het verweer van de huurder dat de ruimte mede voor verhuur zal worden gebruikt, wordt niet gevolgd.

De kantonrechter wijst de vorderingen van de verhuurders tot betaling van achterstallige huurpenningen, herstelkosten en contractuele boetes af wegens onvoldoende onderbouwing. De gevorderde vergoeding voor verhuis- en inrichtingskosten wordt deels toegewezen, maar de hoogte wordt voorlopig gematigd. Het vonnis wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard, behalve voor de toewijzing van de beëindiging van de huurovereenkomst.

De zaak wordt aangehouden voor nadere beslissing over de verhuis- en inrichtingskosten. De huurovereenkomst eindigt op 31 december 2026, waarna ontruiming volgt. De verhuurders krijgen de mogelijkheid hun vordering tot beëindiging in te trekken indien de kosten te hoog blijken.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt beëindigd per 31 december 2026 wegens dringend eigen gebruik, overige vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12013568 \ CV EXPL 25-8460
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

te [plaats] ,
2.
[eiser 2],
te [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiser 1] c.s.,
gemachtigde: mr. B. Wernik,
tegen
[gedaagde] , HANDELEND ONDER DE NAMEN [handelsnaam 1] EN [handelsnaam 2],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigden: mr. L.S. Mauer en mr. S.T. Blom.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- dagvaarding van 8 december 2025, met producties;
- conclusie van antwoord van 11 februari 2026, met producties;
- de akte vermeerdering van eis, met producties;
- het tussenvonnis van 18 februari 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte van [eiser 1] c.s. van 11 juni 2026, met producties;
- de akte van [gedaagde] van 16 juni 2026, met producties;
- de mondelinge behandeling van 23 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 1 januari 2016 is tussen [voormalig verhuurder] (voormalig verhuurder) en [voormalig huurder] (voormalig huurder) een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de bedrijfsruimte gelegen aan het adres [adres] . [gedaagde] heeft op 14 juli 2017 door middel van een indeplaatsstellingsovereenkomst deze huurovereenkomst voortgezet.
2.2.
[gedaagde] exploiteert in de voornoemde bedrijfsruimte een horecagelegenheid onder de naam [naam lunchroom] . De bedrijfsruimte is een 7:290-bedrijfsruimte.
2.3.
In de overeenkomst staat:
“Huurprijsaanpassing: Jaarlijks op basis van het prijsindexcijfer volgens de consumentenprijsindex (CPI) reeks alle huishoudens (2006=100), zoals gepubliceerd door het C.B.S.(…)
Ingangsdatum huur : 1 januari 2016
Huurtermijn : 5 jaar
Optietermijn : 5 jaar
Afloopdatum huurtermijn 1 : 31 december 2021
Aflooptermijn huurtermijn 2 : 31 december 2026
(…)
3.2.
Deze huurovereenkomst wordt, na ommekomst van de in 3.1 genoemde periode, (…) voortgezet voor een aansluitende periode van 5 jaar, derhalve tot en met 31 december 2026. (…)
3.3.
Na ommekomst van de in 3.2 genoemde periode wordt deze huurovereenkomst, behoudens beëindiging van deze huurovereenkomst door opzegging door huurder of verhuurder in overeenstemming met 3.4 en 3.5 voortgezet voor een periode van 5 jaar.
3.4.
Beëindiging van deze huurovereenkomst door opzegging vindt plaats door huurder aan verhuurder of door verhuurder aan huurder tegen het einde van de lopende huurperiode (…), een en ander met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste één jaar. Verhuurder neemt de wettelijke opzeggingsgronden in acht.
3.5.
Opzegging van deze huurovereenkomst dient te geschieden bij deurwaardersexploot of per aangetekend schrijven. (…)”
2.4.
[eiser 1] c.s. zijn sinds 31 januari 2019 eigenaren en verhuurders van de hiervoor genoemde bedrijfsruimte.
2.5.
[eiser 1] c.s. hebben de huurovereenkomst met [gedaagde] bij deurwaardersexploot van 13 maart 2025 tegen 31 december 2026 opgezegd wegens dringend eigen gebruik:
“(…) Met inachtneming van een opzegtermijn van minimaal 1 jaar zeggen wij de huurovereenkomst betreffende winkelruimte te [adres] op per 31 december 2026. Wij gaan de ruimte persoonlijk in duurzaam gebruik nemen door het bij onze woning te betrekken. De uitbreiding van onze woning is noodzakelijk door de toenemende ruimtelijke behoeften van ons gezin met opgroeiende kinderen. De opzegging heeft als reden dringend eigen gebruik en de wijziging sluit aan bij de gemengde bestemming dat reeds op het gehuurde rust. Hierdoor is wonen toegestaan. De bouwplannen worden op dit moment uitgewerkt. De ruimte gaat voornamelijk dienen als woonkeuken c.q. studio met badkamer en levert ons tevens de nodige berging op. Voor ons (op)groeiende gezin is deze leefruimte van groot belang en dat weegt naar onze mening zwaarder dan het voor onbepaalde tijd moeten voortzetten van de huurovereenkomst. (…) Eenmalig en uit coulance hebben wij besloten geen huurprijsverhoging door te voeren per 1 januari 2025.De stijgende premiekosten voor de gebouwen verzekering hebben wij helaas niet in de hand en deze wordt, zoals toegestaan volgens huurcontract, doorberekend aan [naam lunchroom] . (…)”
2.6.
[gedaagde] heeft niet met de huuropzegging ingestemd.
2.7.
[eiser 1] c.s. hebben de huurprijs jaarlijks geïndexeerd conform de algemene voorwaarden.

3.Het geschil

3.1.
[eiser 1] c.s. vorderen na vermeerdering van eis:
dat de einddatum van de overeenkomst door de kantonrechter wordt vastgesteld op 31 december 2026;
veroordeling van [gedaagde] om het gehuurde uiterlijk op 31 december 2026 te ontruimen, op straffe van een dwangsom;
veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 6.362,00 aan achterstallige indexatie, vermeerderd de wettelijke (handels)rente;
te verklaren voor recht dat de huurprijs per 1 januari 2026 € 1.503,20 per maand bedraagt (exclusief de bijdrage aan de (gebouwen)verzekering);
veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 938,74 aan herstelkosten;
veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 25.200,00 aan contractuele boetes;
veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
[eiser 1] c.s. leggen aan de vordering ten grondslag dat zij de huurovereenkomst hebben opgezegd tegen 31 december 2026 op grond van dringend eigen gebruik. De opzegging voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Er is met [gedaagde] geprobeerd om tot minnelijke oplossing te komen. [gedaagde] heeft desondanks niet met de huuropzegging ingestemd.
3.3.
[eiser 1] c.s. leggen verder aan de vordering ten grondslag dat de door [gedaagde] betaalde huur structureel lager was dan de geïndexeerde huurprijs. Er had conform CPI 2015=100 geïndexeerd moeten worden. [gedaagde] wist dit, althans behoorde dit te weten. Om die reden is [gedaagde] nog een bedrag van € 6.362,00 verschuldigd. Omdat [gedaagde] niet tot betaling is overgegaan is hij ook contractuele boetes verschuldigd ter hoogte van
€ 25.200,00. Verder moet [gedaagde] – grond van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst – de herstelkosten van de pui betalen. De verschuldigdheid van deze kosten heeft [gedaagde] overigens ook erkend.
3.4.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser 1] c.s., dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser 1] c.s., met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser 1] c.s. in de kosten van deze procedure.
3.5.
Voor het geval de vorderingen van [eiser 1] c.s. worden toegewezen verzoekt [gedaagde] :
het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren;
de ontruimingstermijn op één jaar vast te stellen;
[eiser 1] c.s. te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Toetsingskader opzegging huurovereenkomst
4.1.
Het gaat in deze zaak om onder meer een vordering tot beëindiging van een huurovereenkomst met betrekking tot bedrijfsruimte waarop de artikelen 7:290 BW en verder van toepassing zijn. Vast staat dat [eiser 1] c.s. de huurovereenkomst hebben opgezegd tegen het einde van de termijn waarmee de huurovereenkomst krachtens het bepaalde in de huurovereenkomst [1] (zie rechtsoverweging 2.3) was verlengd. In dat geval moet [2] een vordering van de verhuurder tot beëindiging van de huurovereenkomst in ieder geval worden toegewezen (onder meer) indien de verhuurder aannemelijk maakt dat hij het verhuurde persoonlijk in duurzaam gebruik wil nemen en hij daartoe het verhuurde dringend nodig heeft. [3] Voor een afweging van de belangen van verhuurder en huurder is dan geen plaats.
4.2.
[gedaagde] heeft betoogd dat de opzegging niet geldig is, omdat de huurovereenkomst (inmiddels) is verlengd tot en met 31 december 2031, maar dat betoog slaagt niet. Overeenkomstig de wet en de huurovereenkomst konden [eiser 1] c.s. de huurovereenkomst tegen het einde van de tweede termijn (te weten 31 december 2026) opzeggen. Dat hebben zij gedaan. Omdat de opzegging voldoet aan de daaraan gestelde (formele) eisen, zal de door [eiser 1] c.s. gedane opzegging worden besproken.
Dringend eigen gebruik
4.3.
[eiser 1] c.s. hebben hun vordering gegrond op dringend eigen gebruik. [4] Een dergelijke vordering komt voor toewijzing in aanmerking indien de verhuurders aannemelijk maken dat zij het verhuurde persoonlijk in duurzaam gebruik willen nemen en daartoe het verhuurde dringend nodig hebben. Met dringend nodig hebben voor eigen gebruik is bedoeld dat het pand van wezenlijk belang moet zijn voor de verhuurder. De vraag of de verhuurders het verhuurde dringend nodig hebben, moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Daarbij wordt van de verhuurders niet verlangd dat zij het dringend persoonlijk gebruik aantonen met objectieve gegevens. Voldoende is dat zij het dringend persoonlijk gebruik aannemelijk maken. De wil tot eigen gebruik moet niet alleen bestaan ten tijde van de opzegging, maar ook op het tijdstip van de uitspraak van de rechter.
4.4.
Daarbij geldt nog het volgende. Het bestaan van andere mogelijkheden voor de verhuurders om in hun behoeften te voorzien, staat alleen dan aan een beroep op het dringend eigen gebruik van het verhuurde in de weg indien het benutten van die andere mogelijkheden voldoende in de rede ligt om van de verhuurders te vergen dat zij dat doen. De verhuurders behoeven niet te stellen en aannemelijk te maken dat hun geen andere mogelijkheid ten dienste staat dan het in eigen gebruik nemen van het verhuurde; het ligt in beginsel op de weg van de huurder om te stellen en aannemelijk te maken dat de verhuurders andere mogelijkheden ten dienste staan en dat het benutten daarvan voldoende in de rede ligt.
4.5.
De vraag die partijen met name verdeeld houdt, is of [eiser 1] c.s. de bedrijfsruimte dringend nodig hebben. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser 1] c.s. dat (lees: dringend nodig hebben voor eigen gebruik) voldoende aannemelijk hebben gemaakt en wel om het volgende. Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is toegelicht blijkt voldoende dat [eiser 1] c.s. de onroerende zaken (de bovenwoning en de bedrijfsruimte) gelegen aan [locatie] hebben aangekocht met de bedoeling om daar (uiteindelijk) met hun gezin te gaan wonen. Zij stellen de bedrijfsruimte dringend nodig te hebben om een extra slaapkamer te realiseren en hun spullen op te slaan. De bovenwoning is – gelet op de huidige gezinsgrootte – te klein. Er liggen concrete plannen die al in een (vergaand) stadium van ontwikkeling zijn. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning, opgesteld door Collo Architecten, ligt klaar om ingediend te worden. [eiser 1] c.s. hebben als onbetwist gesteld dat deze aanvraag gelet op de bestemming van het pand zal worden verleend. Wonen in de benedenverdieping is dus toegestaan. De vergunning is vanwege de onderhavige procedure alleen nog niet ingediend. Dat de bovenwoning reeds drie slaapkamers heeft, maakt het voorgaande naar het oordeel van de kantonrechter ook niet anders. [eiser 1] c.s. hebben als onvoldoende gemotiveerd betwist gesteld dat één slaapkamer niet als slaapkamer kan dienen.
4.6.
[gedaagde] kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de betreffende ruimte (mede) zal worden aangewend voor verhuurdoeleinden. Er wordt door [eiser 1] c.s., blijkens de overgelegde stukken, een studio gerealiseerd. Niet alleen komt er een slaapkamer, maar ook een keuken en een badkamer. [eiser 1] c.s. hebben het voornoemde gemotiveerd weersproken en gesteld dat de huidige (woon)keuken wordt verplaatst naar de benedenverdieping. Er komt dus geen tweede keuken. De benedenverdieping wordt daarbij bij de bovenverdieping betrokken. Er komt een deur tussen de huidige lunchroom en de woning, hetgeen ook volgt uit de tekening. Verhuurdoeleinden is hiermee uitgesloten. De bedoeling is altijd geweest een op de toekomst gericht woonhuis, aldus [eiser 1] c.s. Nu [gedaagde] zijn betoog niet (nader) heeft onderbouwd, kan niet worden aangenomen dat de bedrijfsruimte (mede) zal worden aangewend voor verhuurdoeleinden.
4.7.
Verder heeft [gedaagde] betoogd dat de gebruikelijke woonoppervlakte voor stedelijke gezinnen volgens het CBS (slechts) 28m2 bedraagt. Het huidige woonoppervlakte bedraagt 113m2 en zal straks alleen maar toenemen. Het woonoppervlakte is dan niet meer in lijn met wat volgens het CBS gangbaar is, aldus [gedaagde] . Wat hier ook van zij, geenszins is gebleken dat dit een beroep op dringend eigen gebruik in de weg staat dan wel kan staan. Dit betoog faalt dan ook. Ook het betoog dat [eiser 1] c.s. het gehele pand willen verkopen en hen daarom geen dringend eigen gebruik toekomt, kan niet slagen. Dit blijkt niet uit de stukken en is ook niet op een andere manier aannemelijk gemaakt.
4.8.
Voor zover [gedaagde] heeft willen betogen dat [eiser 1] c.s. het ontstaan van de dringende behoefte zelf hebben veroorzaakt, is de kantonrechter van oordeel dat dit geen beletsel vormt voor een beroep op artikel 7:296 lid 1 onder Pro b BW. Ook heeft [gedaagde] niet aannemelijk gemaakt dat [eiser 1] c.s. andere mogelijkheden ten dienste staan en dat het benutten daarvan voldoende in rede ligt.
4.9.
Uit het voorgaande volgt dat het beroep op dringend eigen gebruik slaagt. Dat betekent dat niet wordt toegekomen aan een belangenafweging.
Tijdstip einde van de huurovereenkomst en ontruiming
4.10.
Het tijdstip van het einde van de huurovereenkomst zal worden vastgesteld – zoals gevorderd – op 31 december 2026. Voor een langere termijn bestaat geen aanleiding. Daartoe is onvoldoende naar voren gebracht. Daarbij heeft [gedaagde] zelf gesteld dat niet zeker is dat de lunchroom in andere bedrijfsruimte wordt voortgezet.
4.11.
De toewijzing van vorenbedoelde vordering van [eiser 1] c.s. tot vaststelling van het tijdstip waarop de huurovereenkomst zal eindigen, geldt van rechtswege als een veroordeling tot ontruiming tegen dat tijdstip. [5] [eiser 1] c.s. hebben dan ook geen voldoende belang als bedoeld in artikel 3:303 BW Pro bij een separate veroordeling van [gedaagde] tot ontruiming van het gehuurde. Om die reden wordt een veroordeling tot ontruiming, zoals gevorderd, niet toegewezen. Dit geldt ook voor de gevorderde dwangsom.
Verhuis- en inrichtingskosten
4.12.
[gedaagde] heeft de kantonrechter verzocht om een bedrag vast te stellen ter tegemoetkoming in zijn verhuis- en inrichtingskosten. De kantonrechter kan een bedrag [6] vaststellen dat [eiser 1] c.s. aan [gedaagde] moeten betalen ter tegemoetkoming in zijn verhuis- en inrichtingskosten. Zoals gezegd een tegemoetkoming. Het gaat dus uitdrukkelijk niet om een vergoeding van alle door [gedaagde] te maken kosten of schadeloosstelling, maar om kosten verbonden met het feitelijk betrekken van de nieuwe bedrijfsruimte.
4.13.
De bepaling [7] geeft de kantonrechter de vrijheid de hoogte van de vergoeding te bepalen, rekening houdend met de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij rust op de huurder ( [gedaagde] ) de stelplicht dat de in het gehuurde uitgeoefende onderneming wordt verplaatst en dat met die verplaatsing kosten zijn gemoeid.
4.14.
Vooropgesteld wordt dat – zoals ter zitting met partijen is besproken – [eiser 1] c.s. nog op de door [gedaagde] gevorderde verhuis- en inrichtingskosten mogen reageren. Zij hebben daartoe nog geen gelegenheid gehad, omdat de kosten door [gedaagde] pas bij akte inzichtelijk zijn gemaakt. Wel dienen [eiser 1] c.s. bij de akte het volgende in ogenschouw te nemen.
4.15.
[gedaagde] heeft een bedrag van € 177.612,59 aan verhuis- en inrichtingskosten gevorderd. Het merendeel van deze kosten ziet op een eventuele bedrijfsovername. Die kosten zijn niet toewijsbaar. In de eerste plaats omdat niet is gebleken dat dit als redelijke en noodzakelijke kosten kunnen aangemerkt. Het gaat zoals gezegd bij de verhuis- en inrichtingskosten om een tegemoetkoming en niet om een volledige schadeloosstelling. Kosten voor een eventuele bedrijfsovername zouden dat wel zijn. Dat kan niet van [eiser 1] c.s. worden gevorderd. Ten tweede geldt dat [gedaagde] de mogelijke bedrijfsovername niet concreet heeft gemaakt. Hij heeft slechts brochures overgelegd.
4.16.
[gedaagde] heeft verder advertentie-, transport, schilder- en inrichtingskosten gevorderd van in totaal € 50.942,35. Voldoende aannemelijk is dat [gedaagde] door de beëindiging van de huurovereenkomst en (mogelijke) verhuizing naar een andere bedrijfsruimte geconfronteerd zal worden met verhuis- en inrichtingskosten. Een tegemoetkoming is zoals gezegd dan op zijn plaats. De tegemoetkoming dient echter gerelateerd te worden aan de omvang en inrichting van de huidige bedrijfsruimte. Dat de gevorderde kosten gerelateerd zijn aan de omvang en de inrichting van de huidige bedrijfsruimte is niet gebleken. Daartoe heeft [gedaagde] te weinig gesteld en onderbouwd. De overgelegde offertes en facturen bieden daarvoor te weinig aanknopingspunten. Het gevorderde bedrag van € 50.942,35 komt de kantonrechter daarom – gegeven de omstandigheden (te weten de grootte van de bedrijfsruimte en het feit dat goederen dan wel zaken inmiddels zijn afgeschreven) – buitenproportioneel over. De kantonrechter schat daarom vooralsnog deze kosten op € 20.000,00.
4.17.
[gedaagde] heeft tot slot een bedrag van € 1.837,24 gevorderd voor het verplaatsen van en installeren van de vaatwasmachine en de koffie- en Lattiz-apparatuur. Deze kosten kunnen als redelijke en noodzakelijke kosten worden aangemerkt en kunnen dan ook worden toegewezen. Het betreffen immers kosten die verbonden zijn aan het feitelijk betrekken van de nieuwe bedrijfsruimte.
4.18.
Met inachtneming van het voorgaande zou een bedrag van € 21.837,24 aan verhuis- en inrichtingskosten redelijk zijn. Deze kosten zouden, zoals [gedaagde] in de akte ook heeft betoogd, voorwaardelijk toewijsbaar zijn. Er is immers op dit moment onvoldoende zeker dat in het gehuurde geëxploiteerde lunchroom daadwerkelijk in een andere bedrijfsruimte zal worden voortgezet. [eiser 1] c.s. krijgen zoals gezegd nog de gelegenheid om zich hierover uit te laten.
4.19.
Tot slot het volgende. Op grond van artikel 7:297 lid 2 BW Pro moet de kantonrechter een termijn vaststellen waarbinnen [eiser 1] c.s. – als de huurbeëindiging voor hen te duur zou worden – de beëindigingsvordering nog kunnen intrekken. Hoewel [eiser 1] c.s. voldoende duidelijk hebben gemaakt de ontruiming te willen bewerkstelligen, hebben zij de mogelijkheid tot intrekking van hun vordering tot huurbeëindiging nog niet prijsgegeven.
4.20.
Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter iedere verdere beslissing hierover aanhouden totdat een beslissing is genomen over de tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten.
Herstelkosten schade pui
4.21.
[eiser 1] c.s. hebben verder herstelkosten gevorderd. Zij hebben hierbij toegelicht dat begin juni 2024 door vandalisme schade aan de pui is ontstaan. De factuur ter hoogte van € 938,74 heeft [gedaagde] nooit betaald, terwijl hij daar wel op grond van de huurovereenkomst toe verplicht is. [gedaagde] heeft deze factuur gemotiveerd betwist door aan te voeren dat de factuur niet nader gespecifieerd is, terwijl daar wel (herhaaldelijk) om is verzocht. De factuur is bovendien buitensporig hoog. Het is onaannemelijk dat een noodreparatie aan een ruit van 30 x 30 cm een dergelijk bedrag rechtvaardigt. Het is voorts opmerkelijk dat de factuur 10 maanden na uitvoering van de werkzaamheden opgemaakt.
4.22.
Gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] had het op de weg van [eiser 1] c.s. gelegen op de factuur nader toe te lichten en te onderbouwen. Dat hebben zij niet, althans onvoldoende, gedaan. Het is aldus niet gebleken dat met het herstel van de ruit (een ruit van 30 x 30 cm) € 938,74 gemoeid was. Dat [gedaagde] de vordering heeft erkend is eveneens niet gebleken. [gedaagde] heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat hij bereid is om een deel van de factuur te betalen mits de factuur nader gespecificeerd zou worden. Een erkenning kan daar niet uit worden opgemaakt. [eiser 1] c.s. hebben de factuur niet nader gespecificeerd. Dit deel van de vordering is daarom niet toewijsbaar.
Betaling achterstallige huurpenningen
4.23.
[eiser 1] c.s. hebben tot slot een bedrag van € 6.362,00 aan achterstallige huurpenningen gevorderd. [gedaagde] zou daarnaast de bijdrage voor de gebouwenverzekering onbetaald hebben gelaten.
4.24.
[gedaagde] heeft de vordering betwist door aan te voeren dat de huurprijs wel degelijk – conform de huurovereenkomst – is geïndexeerd en dat hij de geïndexeerde huurprijs steeds heeft betaald. Hij meent dat hij er op heeft mogen vertrouwen dat de indexatie (te weten CPI 2006=100) steeds correct is uitgevoerd. Voor een (verkapte) tweede indexatie bestaat dan ook geen ruimte, aldus [gedaagde] . Bovendien komt het gevorderde bedrag van
€ 6.362,00 niet overeen met de eerder door [eiser 1] c.s. genoemde bedragen van
€ 6.878,96 en € 5.479,88. [gedaagde] doet voor zover nog geïndexeerd kan worden een beroep op rechtsverwerking.
4.25.
Het is mede gelet op de gemotiveerde betwisting onvoldoende gebleken dat [gedaagde] nog een bedrag aan huurpenningen verschuldigd is. Zoals uit de toelichting en stukken blijkt is de huurprijs jaarlijks, met uitzondering van 2025, geïndexeerd. Die indexaties heeft [gedaagde] blijkens de stukken betaald. Dat in 2025 niet is geïndexeerd komt door [eiser 1] c.s. zelf. Zij hebben in 2025 bewust afgezien van een indexatie (zie rechtsoverweging 2.5). Het had op de weg van [eiser 1] c.s. gelegen om de vordering nader toe te lichten en te onderbouwen. Dat hebben zij onvoldoende gedaan.
4.26.
Daarbij komt dat in de huurovereenkomst het volgende over de huurprijsaanpassing is opgenomen:
Jaarlijks op basis van het prijsindexcijfer volgens de consumentenprijsindex (CPI) reeks alle huishoudens (2006=100), zoals gepubliceerd door het C.B.S”. Dat in de algemene voorwaarden een afwijkende dan wel een voor de verhuurder gunstigere huurprijsaanpassing is opgenomen doet niet ter zake. De huurovereenkomst moet worden beschouwd wat partijen (uiteindelijk) zijn overeengekomen. Van dit beding mocht [gedaagde] dan ook uitgaan. Het gevorderde bedrag aan achterstallige huurpenningen is dan ook niet toewijsbaar. Dit geldt ook voor de gevorderde boetes en de verklaring voor recht.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.27.
[eiser 1] c.s. hebben verzocht om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4.28.
Uit artikel 7:295 lid 1 volgt Pro dat het vonnis, waarin de huurovereenkomst na huuropzegging door de verhuurder wordt beëindigd, in beginsel niet uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard. Een uitvoerbaar bij voorraadverklaring is wel mogelijk indien het verweer van de huurder de kantonrechter kennelijk ongegrond voorkomt. Daarvan is sprake wanneer dat verweer misbruik van bevoegdheid zou opleveren. Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, in redelijkheid niet tot die uitoefening kan komen.
4.29.
De kantonrechter ziet geen grond om het vonnis op dat punt uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, omdat het verweer van [gedaagde] niet als kennelijk ongegrond kan worden bestempeld. [gedaagde] heeft zijn standpunten en belangen bij voortzetting van het gebruik van de bedrijfsruimte kenbaar gemaakt. Zijn belangen zijn evident. Dat de verweren van [gedaagde] falen, betekent niet dat het verweer kennelijk ongegrond is. [eiser 1] c.s. hebben daarvoor te weinig gesteld.
4.30.
De vordering wordt voor het overige wel uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zoals gevorderd. Dat betekent dat deze beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4.31.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de gevorderde achterstallige huurpenningen af;
5.2.
wijst de gevorderde verklaring voor recht af;
5.3.
wijst de gevorderde herstelkosten af;
5.4.
wijst de gevorderde contractuele boetes af;
5.5.
verklaart de veroordelingen zoals genoemd onder rechtsoverwegingen 5.1-5.4 uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 12 augustus 2026voor het nemen van een akte door [eiser 1] c.s. over wat is vermeld onder rechtsoverwegingen 4.14-4.20,
5.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.

Voetnoten

1.Overeenkomstig artikel 7:292 lid 2 BW Pro.
2.Ingevolge het bepaalde in art. 7:296 lid 4 BW Pro
3.Artikel 7:296 lid Pro 1, aanhef en onder b BW.
4.In de zin van artikel 7:296 lid 1 onder Pro b BW.
5.Artikel 7:296 lid 5 BW Pro.
6.Artikel 7:297 BW Pro.
7.Artikel 7:297 BW Pro.