Uitspraak
1.[eiser 1] ,
2.
[eiser 2],
1.De procedure
2.De feiten
“(…) Met inachtneming van een opzegtermijn van minimaal 1 jaar zeggen wij de huurovereenkomst betreffende winkelruimte te [adres] op per 31 december 2026. Wij gaan de ruimte persoonlijk in duurzaam gebruik nemen door het bij onze woning te betrekken. De uitbreiding van onze woning is noodzakelijk door de toenemende ruimtelijke behoeften van ons gezin met opgroeiende kinderen. De opzegging heeft als reden dringend eigen gebruik en de wijziging sluit aan bij de gemengde bestemming dat reeds op het gehuurde rust. Hierdoor is wonen toegestaan. De bouwplannen worden op dit moment uitgewerkt. De ruimte gaat voornamelijk dienen als woonkeuken c.q. studio met badkamer en levert ons tevens de nodige berging op. Voor ons (op)groeiende gezin is deze leefruimte van groot belang en dat weegt naar onze mening zwaarder dan het voor onbepaalde tijd moeten voortzetten van de huurovereenkomst. (…) Eenmalig en uit coulance hebben wij besloten geen huurprijsverhoging door te voeren per 1 januari 2025.De stijgende premiekosten voor de gebouwen verzekering hebben wij helaas niet in de hand en deze wordt, zoals toegestaan volgens huurcontract, doorberekend aan [naam lunchroom] . (…)”
3.Het geschil
4.De beoordeling
Jaarlijks op basis van het prijsindexcijfer volgens de consumentenprijsindex (CPI) reeks alle huishoudens (2006=100), zoals gepubliceerd door het C.B.S”. Dat in de algemene voorwaarden een afwijkende dan wel een voor de verhuurder gunstigere huurprijsaanpassing is opgenomen doet niet ter zake. De huurovereenkomst moet worden beschouwd wat partijen (uiteindelijk) zijn overeengekomen. Van dit beding mocht [gedaagde] dan ook uitgaan. Het gevorderde bedrag aan achterstallige huurpenningen is dan ook niet toewijsbaar. Dit geldt ook voor de gevorderde boetes en de verklaring voor recht.
5.De beslissing
woensdag 12 augustus 2026voor het nemen van een akte door [eiser 1] c.s. over wat is vermeld onder rechtsoverwegingen 4.14-4.20,