ECLI:NL:RBNHO:2026:8780

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
15/229674-25
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor ontucht met minderjarige met voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf

De rechtbank Noord-Holland heeft op 9 juli 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van ontucht met een minderjarige. Primair werd hem verkrachting ten laste gelegd, subsidiair aanranding. De rechtbank sprak verdachte vrij van verkrachting wegens gebrek aan bewijs van binnendringen, maar achtte het subsidiair ten laste gelegde feit van aanranding wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaarde feiten betreffen seksuele handelingen op 29 augustus 2025 waarbij verdachte het slachtoffer, een kind van 8 jaar, aanraakte aan haar vagina en billen. De rechtbank oordeelde dat verdachte het vertrouwen van het slachtoffer en haar ouders ernstig heeft geschonden en dat het slachtoffer psychische schade heeft opgelopen.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 90 dagen op, waarvan 84 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht, ambulante behandeling, contact- en locatieverbod en het vermijden van contact met minderjarigen. Daarnaast werd een taakstraf van 60 uur opgelegd. De vordering tot schadevergoeding van €3.162,34 werd toegewezen, bestaande uit materiële en immateriële schade. De overige schadeposten werden niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank wees tevens een schadevergoedingsmaatregel toe en bepaalde dat verdachte zich moet melden bij de reclassering en zich moet houden aan de opgelegde voorwaarden. De vrijheidsbeperkende maatregel en dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden werden niet opgelegd vanwege het lage recidiverisico.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 90 dagen gevangenisstraf, waarvan 84 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden, en 60 uur taakstraf voor ontucht met minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/229674-25 (P)
Uitspraakdatum: 9 juli 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 25 juni 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[huidig adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. A.M.H.G. Peters en van hetgeen de verdachte en zijn raadslieden, mr. A.T. Leigh en mr. B. Pronk, advocaten te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Primair
hij op verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2025 tot en met 29 augustus 2025 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 1] , een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
-het één of meermalen brengen van zijn, verdachtes, vinger(s) en/of hand in de vagina van die [slachtoffer 1] en/of vervolgens wrijven tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] en/of
-het aanraken en/of wrijven/betasten van/over de vagina van die [slachtoffer 1] en/of
-het aanraken van de billen van die [slachtoffer 1] ;
Subsidiair
hij op verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2025 tot en met 29 augustus 2025 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 1] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
-het aanraken en/of wrijven/betasten van/over de vagina van die [slachtoffer 1] en/of
-het aanraken van de billen van die [slachtoffer 1] .

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.
3.2
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit. De verdachte ontkent met zijn vinger het lichaam van het slachtoffer te zijn binnengedrongen en het dossier bevat geen aanknopingspunten die de verklaring van het slachtoffer op dit punt ondersteunen.
Met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde feit heeft de verdediging naar voren gebracht dat niet ter discussie staat dat de verdachte op 29 augustus 2025 het slachtoffer seksueel heeft aangeraakt, door met zijn hand over haar vagina te wrijven en haar billen aan te raken. Met betrekking tot het incident op 29 augustus 2025 refereert de verdediging zich dan ook aan het oordeel van de rechtbank. Er kan echter niet bewezen worden dat de ten laste gelegde gedragingen hebben plaatsgevonden in de periode van 1 juli 2025 tot en met 29 augustus 2025.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Vrijspraak primair ten laste gelegde feit
De rechtbank ziet zich om te beginnen voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte aangeefster [slachtoffer 1] (hierna te noemen: [slachtoffer 1] ) heeft verkracht door met zijn vingers binnen te dringen in haar vagina en/of het wrijven tussen de schaamlippen.
[slachtoffer 1] heeft op 9 september 2025 in een kindvriendelijke verhoorstudio een verklaring afgelegd. Zij heeft – kort gezegd - verklaard dat de verdachte haar buurman is en dat zij en haar broertje soms zijn kat komen aaien. De verdachte heeft haar toen aangeraakt. Dat gebeurde terwijl hij achter haar ging staan op de trap en in de woonkamer bij hem thuis. De verdachte heeft [slachtoffer 1] onder haar kleding bij haar billen en vagina aangeraakt. Zij heeft verklaard dat ze het niet fijn vond en het pijn deed.
Beoordeling van de verklaringen van [slachtoffer 1]
De rechtbank acht de verklaringen van [slachtoffer 1] op hoofdlijnen betrouwbaar en zal deze als uitgangspunt voor de bewijsvoering nemen. Ondanks haar jonge leeftijd heeft zij gedetailleerd en consistent verklaard over welke handelingen de verdachte bij haar heeft verricht. Haar woordgebruik komt authentiek over. Ook geeft zij het duidelijk aan wanneer zij bepaalde dingen niet weet of als zij ergens geen gedetailleerde herinnering aan heeft. Tegelijkertijd constateert de rechtbank dat [slachtoffer 1] niet eenduidig verklaart over het al dan niet binnendringen met de vingers door de verdachte. Tegen haar moeder heeft [slachtoffer 1] vlak na het incident verklaard dat de verdachte haar vagina heeft aangeraakt en daaroverheen heeft gewreven. De volgende dag heeft zij tegenover haar moeder verklaard dat de verdachte tussen haar schaamlippen heeft gewreven. Bij het studioverhoor een week later verklaart [slachtoffer 1] voor het eerst dat de verdachte ook ‘een beetje erin’ ging en verklaart zij wisselend over ‘aaien’, ‘drukken’ en ‘ertussen’. De rechtbank zal dan ook behoedzaam met de verklaringen van [slachtoffer 1] omgaan en vindt de verklaringen bruikbaar voor het bewijs voor zover er voldoende steun is in andere bewijsmiddelen.
De verdachte heeft bekend dat hij de vagina en de billen van [slachtoffer 1] heeft aangeraakt en over haar vagina heeft gewreven, maar heeft ontkend dat hij in de vagina of tussen de schaamlippen is geweest.
Nu het seksueel binnendringen van het lichaam het verschil vormt tussen verkrachting en aanranding en bewijs van dit binnendringen dus vereist is om tot een bewezenverklaring van verkrachting te kunnen komen, is de rechtbank van oordeel dat op dit punt niet alleen kan worden volstaan met de verklaringen van het slachtoffer. Het gevolg is dat nu er steunbewijs ontbreekt de primair ten laste gelegde verkrachting niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
3.3.2
Redengevende feiten en omstandigheden subsidiair ten laste gelegde feit
De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden, die zijn vervat in de hierna te noemen bewijsmiddelen, tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit.
De hierna vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.
De rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde feit sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Gelet daarop zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 29 augustus 2025 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,
met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 1] ,
seksuele handelingen heeft verricht, te weten
-het aanraken en wrijven/betasten van/over de vagina van die [slachtoffer 1] en
-het aanraken van de billen van die [slachtoffer 1] .
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:
ontucht plegen met een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie vordert daarnaast om de bijzondere voorwaarden op te leggen zoals door de reclassering geadviseerd, te weten: een meldplicht, ambulante behandeling, een contact- en locatieverbod en het vermijden van contact met minderjarigen, en deze ook dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Voorts wordt de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) gevorderd voor de duur van vijf jaren, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer 1] en haar ouders en een locatieverbod voor het woonadres van hen. Voor iedere overtreding van deze maatregel door de verdachte moet vervangende hechtenis voor de duur van zeven dagen worden toegepast, met een maximum van zes maanden.
6.2
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht bij de straftoemeting rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en een deels voorwaardelijke taakstraf op te leggen. De oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou het reeds gestarte behandeltraject van de verdachte doorkruisen. De verdachte is bereid om mee te werken aan de door de reclassering geformuleerde bijzondere voorwaarden. De verdediging verzoekt echter om de geadviseerde voorwaarde ‘vermijden van contact met minderjarigen’ niet op te leggen, omdat deze te verstrekkend en onuitvoerbaar is.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte, toen 70 jaar oud, heeft zijn buurmeisje, toen 8 jaar, op 29 augustus 2025 aangerand. De seksuele handelingen bestonden uit het aanraken van het slachtoffer aan haar billen en haar vagina. Dit is een ernstig strafbaar feit. De handelingen hebben plaatsgevonden in het huis van de verdachte, waar het slachtoffer soms kwam omdat zij buren waren en zij en haar broertje de kat mochten aaien. Het slachtoffer en haar ouders moesten erop kunnen vertrouwden dat het slachtoffer in goede handen was bij de verdachte. Dit vertrouwen heeft de verdachte op grove wijze beschaamd. De verdachte heeft met deze gedragingen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat misbruik van jonge kinderen hun seksuele ontwikkeling kan verstoren en dat zij nog lange tijd op diverse vlakken ernstige gevolgen kunnen ondervinden van hetgeen hen is aangedaan. Uit de slachtofferverklaring die de moeder van het slachtoffer op de zitting heeft voorgelezen blijkt dat het slachtoffer nog dagelijks de psychische gevolgen ondervindt van het handelen van de verdachte. De moeder van het slachtoffer heeft verteld dat het slachtoffer is veranderd van een zorgeloos meisje in een meisje dat veel huilt, schreeuwt, boos is en worstelt met emoties. Zij heeft veel last van nachtmerries en is gediagnostiseerd met PTSS waarvoor zij onder behandeling staat bij een psycholoog. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 11 mei 2026 van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder met justitie in aanraking is geweest.
Verder heeft de rechtbank kennis genomen van de over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 18 juni 2026. De reclassering schat het risico op recidive in als laag-matig, wanneer er geen behandeling wordt gevolgd. Ondanks het relatief lage recidiverisico, acht de reclassering het wenselijk om in te zetten op behandeling en begeleiding, mede gericht op delictpreventie en het bieden van hulp en steun bij het opnieuw opbouwen van een sociaal leven van de verdachte. Er wordt geadviseerd om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden en deze ook dadelijk uitvoerbaar te verklaren:
- Meldplicht bij reclassering;
- Ambulante behandeling;
- Contactverbod;
- Locatieverbod (zonder elektronisch toezicht);
- Vermijden contact met minderjarigen.
De op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf rechtvaardigen. De rechtbank zal bij het bepalen van de hoogte van de straf in strafmatigende zin enigszins rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte kan niet meer terug naar zijn woning in [plaats] en de rechtbank begrijpt dat, mede door het verlies van zijn vrijwilligerswerk en het weggevallen contact met buurtgenoten, zijn sociale netwerk is gekrompen. Verder is het behandeltraject van de verdachte bij De Waag reeds gestart. De rechtbank zal, rekening houdend met het voorgaande en een beperktere bewezenverklaring, aan de verdachte een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.
De combinatie van de ernst van het feit en de omstandigheid dat het behandeltraject van de verdachte zich nog in de beginfase bevindt en vermoedelijk nog enige tijd zal duren, maakt dat de rechtbank de oplegging van een langere proeftijd dan twee jaren aangewezen acht.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 90 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht, aan de verdachte moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte van 86 dagen vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie jaren, opdat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden. De rechtbank onderkent dat er praktische belemmeringen zijn bij de handhaving van de bijzondere voorwaarde dat de verdachte contact met minderjarigen moet vermijden. Niettemin acht de rechtbank deze voorwaarde van toegevoegde waarde, nu de reclasseringsmedewerker ter terechtzitting heeft toegelicht dat het doel om een krachtig signaal aan de verdachte te geven op deze wijze kan worden bereikt.
Naast een gevangenisstraf van voormelde duur is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 60 uren passend en geboden is.
Dadelijke uitvoerbaarheid en vrijheidsbeperkende maatregel
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het vastgestelde lage recidiverisico, niet wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor zowel dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden als de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr. De rechtbank zal daarom niet bepalen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn en niet de vrijheidsbeperkende maatregel opleggen.

7.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Namens de benadeelde partij [slachtoffer 1] is door haar ouders, [vader] en [moeder] een vordering tot schadevergoeding van € 36.437,01 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 33.937,01. De gestelde materiële schade bestaat uit € 662,34 aan reiskosten naar haar therapie, € 17.970,76 aan gederfde inkomsten, € 13.599,49 aan nog te verwachten gederfde inkomsten van de ouders door aanwezigheid bij de therapie en € 1.704,42 aan zicht- ontnemende afscheiding en beplanting. De gevorderde € 2.500 aan immateriële schade bestaat uit smartengeld.
Ter zitting heeft de gemachtigde de vordering van de benadeelde partij mondeling toegelicht.
7.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de vordering voor wat betreft de materiële schade ten aanzien van de reiskosten voor therapie en de zichtontnemende afscheiding en beplanting volledig toe te wijzen. Als het vaststellen van de gederfde inkomsten te complex blijkt te zijn, vordert de officier van justitie deze niet-ontvankelijk te verklaren. Met betrekking tot de immateriële schade heeft de officier van justitie verzocht het gehele gevorderde bedrag toe te wijzen.
7.2
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de vordering met betrekking tot de materiële schade te beperken tot de gevorderde reiskosten. Wat betreft de (nog te verwachten) gederfde inkomsten is aangevoerd dat niet duidelijk uit de vordering volgt of er sprake is van inkomstenderving in de zin van daadwerkelijk geleden vermogensschade, wat volgens de verdediging tot afwijzing moet leiden. Subsidiair is verzocht deze post niet-ontvankelijk te verklaren vanwege een onjuiste en onvoldoende onderbouwing. Ten aanzien van de kosten voor de zicht-ontnemende afscheiding en beplanting is aangevoerd dat het causale verband tussen het bewezenverklaarde en deze schadepost onvoldoende is komen vast te staan, mede omdat de verdachte zijn huis heeft verlaten en te koop heeft gezet. De verdediging verzoekt dan ook om afwijzing dan wel niet-ontvankelijkverklaring van deze post. Daarnaast heeft de verdediging verzocht om matiging van de immateriële schade, omdat de door de benadeelde partij aangehaalde vergelijkingsjurisprudentie betrekking heeft op ernstigere feiten en omstandigheden.
7.3
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde reiskosten van € 662,34 materiële schade is die rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Deze schade komt op grond van artikel 6:95 en Pro 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW) voor vergoeding in aanmerking. Deze vordering is door de verdediging niet betwist en komt de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voor, en zal daarom worden toegewezen.
De rechtbank is van oordeel dat de gestelde overige materiële schade niet voor toewijzing in aanmerking komt. Ten aanzien van de gevorderde vergoeding van de (nog te verwachten) inkomstenderving van de ouders van de benadeelde partij is voor de rechtbank in onvoldoende mate komen vast te staan welke uren daadwerkelijk opgenomen vrije uren betreffen. Nader onderzoek daarnaar levert een onevenredige belasting van het geding op en de rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in deze post.
Het rechtstreeks verband tussen de post die betrekking heeft op de door de benadeelde partij gemaakte kosten voor de zicht ontnemende afscheiding en beplanting is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende komen vast te staan. Beantwoording van de vraag of sprake is van een causaal verband brengt eveneens een onevenredige belasting van het strafproces met zich mee. De rechtbank zal de benadeelde partij op dit punt eveneens niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.
Immateriële schade
Met betrekking tot de gestelde immateriële schade acht de rechtbank het op grond van het strafdossier, de onderbouwing bij de vordering tot schadevergoeding en hetgeen namens de benadeelde partij ter zitting is aangevoerd voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij psychische schade heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde feit. Deze schade komt op grond van artikel 6:106 onder Pro b BW voor vergoeding in aanmerking. Het gevorderde bedrag van € 2.500,- komt de rechtbank gelet op de aard van het bewezen verklaarde handelen en gelet op de schadevergoedingen die in andere – tot op zekere hoogte vergelijkbare - strafzaken zijn toegekend billijk voor, en zal daarom worden toegewezen.
Conclusie
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van
€ 3.162,34 vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet in zijn vordering ontvangen.
De benadeelde partij kan de delen van de vordering, die tot niet-ontvankelijkheid zullen leiden, desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: ontucht met een minderjarige] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 249 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het subsidiair bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
90 [negentig] dagen.
Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 86 [zesentachtig] dagen
nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van
driejaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
- de veroordeelde zich zal melden binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland Haarlem. De veroordeelde zal zich blijven melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren;
- de veroordeelde zal zich laten (blijven) behandelen door forensische polikliniek de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde zal zich houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
- de veroordeelde zal gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoeken of hebben met het slachtoffer [slachtoffer 1] , geboren op 1 maart 2017 en haar ouders [vader] , geboren op [geboortedatum 2] en [moeder] , geboren op [geboortedatum 2] .
- de veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd niet bevinden in de straat van het slachtoffer en haar directe familie, te weten: [plaats] . Wanneer de veroordeelde hier moet zijn in verband met de verkoop van zijn woning, kan dit na overleg met en toestemming van de reclassering en in gezelschap van een andere volwassene. De veroordeelde zal niet langer bij zijn te koop staande woning blijven dan strikt noodzakelijk;
- de veroordeelde zal op geen enkele wijze contact met minderjarigen zoeken. De veroordeelde zal deze contacten zoveel mogelijk vermijden. Als contacten onvermijdelijk zijn, zal de veroordeelde ervoor zorgen dat hierbij een andere volwassene aanwezig is. Vanuit het oogpunt van re-integratie en het onderhouden van de familie- en gezinsrelaties, is het van belang dat de veroordeelde wel contact kan hebben met zijn kleindochter. Hierover kunnen met de dochter van de veroordeelde, in samenspraak met de behandelaar en de toezichthouder, veiligheidsafspraken gemaakt worden, waarbij risicobeheersing en veiligheid voorop staan. Het nakomen van die veiligheidsafspraken zal met regelmaat getoetst worden en deze zullen eventueel tussentijds worden aangepast.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van
60 [zestig] urentaakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 30 dagen hechtenis.
Vordering benadeelde partij
[slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van
€ 3.162,34[drieduizend honderdtweeënzestig euro en vierendertig cent], bestaande uit € 662,34 [zeshonderdtweeënzestig euro en vierendertig cent] als vergoeding voor de materiële en € 2.500 [tweeduizend vijfhonderd euro] als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 augustus tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.162,34 [drieduizend honderdtweeënzestig euro en vierendertig cent], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 31 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. H.P.H.I. Cleerdin, voorzitter,
mr. C.S. Schoorl en mr. I.A. Groenendijk, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.M. Beekhuizen en mr. T.A.F. Pomper,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 juli 2026.
mr. Cleerdin is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.