ECLI:NL:RBNHO:2026:8807

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
15/241257-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot afpersing met geweld en contactverbod

De rechtbank Noord-Holland heeft op 29 juni 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte die samen met twee medeverdachten op 11 september 2025 te Purmerend heeft geprobeerd het slachtoffer met geweld en bedreiging te dwingen geld over te maken. De feiten omvatten het binnendringen van de woning, het vasthouden, slaan en schoppen van het slachtoffer, en het dwingen tot inloggen op de ING-app.

De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte medepleger was bij deze poging tot afpersing. De verdediging voerde aan dat verdachte geen opzet had en geen nauwe samenwerking, maar dit werd verworpen. De rechtbank legde een gevangenisstraf van twaalf maanden op, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een contactverbod met het slachtoffer.

De benadeelde partij diende twee vorderingen tot schadevergoeding in, maar werd niet ontvankelijk verklaard vanwege onduidelijkheid over de vorderingen. Wel werd een schadevergoedingsmaatregel van €1.350,- opgelegd aan verdachte ten behoeve van het slachtoffer. Het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis werd afgewezen vanwege het niet naleven van schorsingsvoorwaarden.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk met contactverbod en schadevergoedingsmaatregel.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/241257-25 (P)
Uitspraakdatum: 29 juni 2026
Tegenspraak (ex artikel 279 Sv Pro)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 15 juni 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
geen vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. R. Visser en van wat de raadsman van de verdachte, mr. C.C. Polat, advocaat te Breukelen, naar voren heeft gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 11 september 2025 te Purmerend tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n),
- die [slachtoffer] heeft/hebben vastgepakt en/of vastgehouden en/of geduwd, en/of
- op/tegen/in het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer] heeft/hebben geslagen, en/of
- op/tegen/in het gezicht, althans het hoofd, in elk geval het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben geschopt/getrapt, en/of
- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat hij 1000 euro moet overmaken, en/of
- die [slachtoffer] heeft/hebben gevraagd/gemaand in te loggen op de ING-app voor internetbankieren, en/of
- geldbedragen (te weten 1000 euro en/of 2000 euro) heeft/hebben ingetoetst in/op de ING-app voor internetbankieren en/of
- die [slachtoffer] heeft/hebben gevraagd/gemaand geld over te maken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 11 september 2025 te Purmerend tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op
heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
- die [slachtoffer] heeft/hebben vastgepakt en/of vastgehouden en/of geduwd, en/of
- op/tegen/in het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer] heeft/hebben geslagen, en/of
- op/tegen/in het gezicht, althans het hoofd, in elk geval het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben geschopt/getrapt, en/of
- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat hij 1000 euro moet overmaken, en/of
- die [slachtoffer] heeft/hebben gevraagd/gemaand in te loggen op de ING-app voor internetbankieren, en/of
- geldbedragen (te weten 1000 euro en/of 2000 euro) heeft/hebben ingetoetst in/op de ING-app voor internetbankieren en/of
- die [slachtoffer] heeft/hebben gevraagd/gemaand geld over te maken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde feit. Op het verweer van de raadsman zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Bewijsmiddelen
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
3.3.2
Bewijsoverweging
Wat is er gebeurd?
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte samen met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 11 september 2025 omstreeks 20.30 uur naar de woning van aangever [slachtoffer] in Purmerend is gegaan. Toen [slachtoffer] de voordeur opende, zijn de verdachte en de medeverdachten tegen zijn wil de woning binnen gegaan door de deur met kracht open te duwen. In de woning werd [slachtoffer] vastgepakt en geduwd. In de woning hebben zij gezegd dat ze voor geld kwamen. [slachtoffer] is door hen vastgepakt en geduwd. [medeverdachte 1] heeft [slachtoffer] geslagen. De verdachte heeft [slachtoffer] geslagen en in het gezicht geschopt. [medeverdachte 2] maakte dreigende bewegingen met zijn vuist naar het gezicht van [slachtoffer] . [medeverdachte 1] zei meermaals tegen [slachtoffer] dat hij € 1.000,- moest overmaken en dat zij dan weg zouden gaan.
[slachtoffer] heeft geprobeerd via de achterdeur van de woning te vluchten, maar de weg naar de voor- als de achterdeur werden door de verdachte en [medeverdachte 2] geblokkeerd. Vervolgens is [slachtoffer] naar zijn slaapkamer op de bovenverdieping gevlucht. [medeverdachte 1] is achter [slachtoffer] aan gegaan, gevolgd door [medeverdachte 2] en de verdachte. In de slaapkamer is [slachtoffer] opnieuw door [medeverdachte 1] gemaand een geldbedrag over te maken, waarbij een bedrag van € 1.000,- is genoemd. Daartoe heeft [medeverdachte 1] [slachtoffer] diens eigen telefoon gegeven en [slachtoffer] heeft vervolgens op zijn telefoon ingelogd op de ING-app. Alle drie de verdachten stonden op dat moment in de slaapkamer. [slachtoffer] zag zich genoodzaakt in te loggen op deze bank-app omdat hij niet weg kon. Nadat [slachtoffer] had gezegd dat er onvoldoende saldo was om het gewenste bedrag over te maken, heeft [medeverdachte 1] geprobeerd geld naar zijn eigen rekening over te maken, door eerst € 1.000,- en daarna € 2.000,- in te toetsen in de bank-app op de telefoon van [slachtoffer] , wat niet lukte. Daarna heeft de verdachte nog geprobeerd geld over te maken door met zijn eigen telefoon met een QR-code te scannen, hetgeen evenmin lukte. Kort daarna is de politie de woning binnengekomen en zijn alle drie de verdachten ter plaatse aangehouden. De politie constateerde bij [slachtoffer] meerdere verwondingen in zijn gezicht, op zijn hoofd, bij zijn keel en op zijn armen en rug.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt naar aanleiding van de hiervoor vastgestelde gang van zaken vast dat is gepoogd [slachtoffer] met geweld en bedreiging met geweld te dwingen tot afgifte van een geldbedrag.
Opzet en medeplegen
Door de raadsman van de verdachte is aangevoerd dat bij de verdachte geen sprake is geweest van opzet en evenmin een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten, zodat van medeplegen geen sprake is. De verdachte had geen wetenschap van het plan om [slachtoffer] door middel van geweld en bedreiging met geweld te dwingen tot afgifte van een geldbedrag en hij heeft zelf ook geen geweld gebruikt. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.
In het licht van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat de verdachte wist wat het plan was toen hij en de medeverdachten naar de woning van [slachtoffer] gingen. De verdachte is voortdurend aanwezig geweest bij en tijdens de feiten en hij heeft zich op geen moment aan de situatie onttrokken. De verdachte en de twee medeverdachten zijn gezamenlijk naar de woning van [slachtoffer] gegaan, zijn meteen na het aanbellen ook gezamenlijk en tegen de zin van [slachtoffer] diens woning binnengedrongen waarbij de medeverdachte meteen kenbaar heeft gemaakt dat ze voor geld kwamen. In de woning hebben de verdachte en één van de medeverdachten direct na binnenkomst geweldshandelingen tegen [slachtoffer] gepleegd en is meerdere keren gevraagd om geld.
Die feiten maken dat de rechtbank de verklaring van de verdachte dat hij in de veronderstelling was dat hij “legaal” geld ging ophalen, ongeloofwaardig vindt en dat de verdachte het oogmerk had om aangever geld afhandig te maken. Aan dat plan hebben zowel de verdachte als ook [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] uitvoering gegeven en een wezenlijke bijdrage geleverd, zo volgt uit de hiervoor vastgestelde gang van zaken. De conclusie is daarom dat sprake is van het medeplegen van het primair ten laste gelegde feit.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 11 september 2025 te Purmerend tezamen en in vereniging met anderen ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld dat aan die [slachtoffer] toebehoorde, waarbij de verdachte en/of zijn mededader(s):
- die [slachtoffer] heeft/hebben vastgepakt en vastgehouden en geduwd, en
- op het hoofd van die [slachtoffer] heeft/hebben geslagen, en
- in het gezicht van die [slachtoffer] heeft/hebben geschopt, en
- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat hij 1000 euro moet overmaken, en
- die [slachtoffer] heeft/hebben gemaand in te loggen op de ING-app voor internetbankieren, en
- geldbedragen (te weten 1000 euro en/of 2000 euro) heeft/hebben ingetoetst in de ING-app voor internetbankieren, en
- die [slachtoffer] heeft/hebben gemaand geld over te maken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:
poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan drie maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft gevorderd aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarde te verbinden van een contactverbod met de aangever.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zijn jonge leeftijd en zijn geringe rol bij de feiten. Daarnaast heeft de raadsman verzocht rekening te houden met het gegeven dat het feit is gepleegd zonder wapens en met weinig geweld. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest en daarnaast een voorwaardelijk strafdeel, eventueel in combinatie met een taakstraf, acht de raadsman passend.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich samen met twee medeverdachten schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing. De rechtbank volgt de raadsman niet dat de verdachte hierbij slechts een geringe rol zou hebben gespeeld. De verdachte en zijn medeverdachten hebben het slachtoffer onder meer geslagen en geschopt om te bewerkstelligen dat hij geld over zou maken. Door zo te handelen zijn zij verantwoordelijk voor een zeer bedreigende en traumatiserende ervaring voor het slachtoffer. De verdachte heeft blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor de persoonlijke integriteit, gezondheid, veiligheid en eigendommen van het slachtoffer. Het incident vond plaats in de woning van het slachtoffer, een plek waar iemand bij uitstek veilig hoort te zijn. Tevens veroorzaakt een dergelijk feit grote onrust in de samenleving en brengt het in sterke mate gevoelens van angst en onveiligheid met zich.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het strafblad van de verdachte van 21 mei 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit. De rechtbank zal dit dan ook niet in het nadeel van de verdachte meewegen.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het advies van de reclassering om bij strafoplegging te komen tot een afdoening zonder de inzet van de reclassering.
De op te leggen straf
Bij het bepalen van de aan de verdachte op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Daarnaast heeft de rechtbank gelet op straffen die in min of meer vergelijkbare zaken worden opgelegd. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat aan zijn handelen pas een einde is gekomen door ingrijpen van de politie. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat de verdachte ten tijde van het feit pas één maand meerderjarig was. De rechtbank ziet daarin aanleiding om in strafmatigende zin af te wijken van de oriëntatiepunten. De rechtbank komt wel tot de conclusie dat de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur rechtvaardigen.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden moet worden opgelegd, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank zal daarbij bepalen dat een gedeelte daarvan, te weten drie maanden, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast zal de rechtbank aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarde verbinden van een contactverbod met het slachtoffer.

7.Voorlopige hechtenis

De raadsman heeft verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte te schorsen.
De rechtbank stelt vast dat de voorlopige hechtenis van de verdachte is geschorst bij beslissing van 15 december 2025 tot aan de einduitspraak van heden. Aan de schorsing is onder meer de voorwaarde verbonden dat de verdachte op iedere oproep van politie en justitie dient te verschijnen. De rechtbank constateert dat de verdachte niet is verschenen ter terechtzitting van 15 juni 2026 en zich daarmee niet heeft gehouden aan voornoemde bijzondere voorwaarde. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de voorlopige hechtenis van de verdachte (opnieuw) te schorsen en wijst het daartoe gedane verzoek af. Het enkele feit dat de verdachte is vertrokken naar Bulgarije en niet de financiële middelen heeft om terug te keren naar Nederland – zoals aangevoerd door de raadsman – doet daaraan niet af. De verdachte wist immers voorafgaand aan zijn vertrek uit Nederland dat hij zich aan de schorsingsvoorwaarden moest houden.

8.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

8.1
De vorderingen van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft twee vorderingen tot schadevergoeding ingediend. De eerste vordering is van 1 november 2025. Deze ziet op een schadevergoeding ter hoogte van € 33.000,-, wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde schade bestaat uit € 30.000,- aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schade. De tweede vordering is van 9 juni 2026. Daarin wordt enkel een immateriële schadevergoeding van € 1.350,- gevorderd, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de gevorderde schade volgens de laatst ingediende vordering van 9 juni 2026, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering dient hoofdelijk te worden toegewezen. De benadeelde partij dient niet ontvankelijk te worden verklaard in de vordering van 1 november 2025, omdat deze onvoldoende is onderbouwd.
8.3
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard dient te worden in beide vorderingen omdat de benadeelde partij niet heeft toegelicht welke vordering als uitgangspunt genomen dient te worden bij de beoordeling van de schade.
8.4
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank constateert dat de benadeelde partij twee afzonderlijke vorderingen tot schadevergoeding heeft ingediend en dat deze vorderingen uiteenlopen, zowel wat betreft de gevorderde schade als de hoogte daarvan. Niet is gebleken dat één van deze twee vorderingen is ingetrokken door de benadeelde partij. Het is de rechtbank dan ook onbekend gebleven wat de kennelijke bedoeling van de benadeelde partij is geweest bij het indienen van de vorderingen en welke vordering de rechtbank als uitgangspunt dient te nemen bij de beoordeling van de schade. Het alsnog gelegenheid bieden aan de benadeelde partij om hierover nadere informatie te verschaffen zou naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren en daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in beide vorderingen, te weten die van 1 november 2025 en 9 juni 2026 en bepalen dat de benadeelde partij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
De rechtbank zal bepalen dat de verdachte en de benadeelde partij ieder hun eigen proceskosten dragen.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat de benadeelde partij [slachtoffer] niet in zijn vordering kan worden ontvangen.
Dat laat echter niet onverlet dat de rechtbank (ambtshalve) op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte de verplichting tot betaling van een schadevergoeding aan de Staat der Nederlanden kan opleggen ten behoeve van een slachtoffer. De schadevergoedingsmaatregel is immers een strafrechtelijke sanctie die los van de beslissing in een voegingsprocedure kan worden opgelegd, indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is veroorzaakt.
De rechtbank constateert dat de benadeelde partij gelet op de inhoud van beide hiervoor genoemde vorderingen kennelijk de wens heeft een vergoeding van de immateriële schade te vorderen; beide ingediende vorderingen behelzen immers een schadebedrag voor deze schadepost. Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW Pro onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte en zijn mededaders gepleegde strafbare feit. Dit betekent dat de verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die hem als gevolg van het bewezenverklaarde handelen is toegebracht.
De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om ten behoeve van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde handelen alsmede de bedragen die in min of meer vergelijkbare gevallen worden toegekend, komt de rechtbank een bedrag van € 1.350,- billijk voor. De rechtbank zal deze schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
12 (twaalf)maanden.
Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 3 (drie) maanden
nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat:
- de veroordeelde op geen enkele wijze - direct of indirect – contact heeft of zoekt met het slachtoffer [slachtoffer] , [...] .
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart de benadeelde partij niet ontvankelijk in de vordering van 1 november 2025.
Verklaart de benadeelde partij niet ontvankelijk in de vordering van 9 juni 2026.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ten aanzien van deze vorderingen ieder hun eigen kosten dragen.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.350,00, als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 13 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een van de medeverdachten aan de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. D.J. Straathof, voorzitter,
mr. M. Hoendervoogt en mr. E. van Kampen, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Snelder,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 juni 2026.