ECLI:NL:RBNHO:2026:8876

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
C/15/375964
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvArt. 6:119 BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing provisionele vordering tot verwijderen of verplaatsen schutting in burengeschil

In deze civiele bodemzaak tussen buren is een provisionele vordering ingesteld op grond van artikel 223 Rv Pro om de schutting van gedaagden te verwijderen of te verplaatsen. Partijen hadden eerder een minnelijke regeling getroffen waarbij de erfgrens zou worden verlegd en de schutting zou worden aangepast, maar de notariële vastlegging en uitvoering daarvan zijn uitgebleven.

Eisers vorderen in het incident dat gedaagden worden veroordeeld om de schutting binnen een redelijke termijn te verwijderen of subsidiair te verplaatsen op eigen grond, pal tegen de nieuwe erfgrens, met een dwangsom bij niet-naleving. Gedaagden verzetten zich tegen de vordering en stellen dat er geen spoedeisend belang is en dat de vordering feitelijk uitvoering van de hoofdzaak betreft.

De rechtbank oordeelt dat de subsidiaire vordering wel samenhangt met de hoofdzaak en dat het belang van eisers voldoende vaststaat om niet te hoeven wachten op de hoofdzaak. De schutting moet binnen drie maanden worden verwijderd of verplaatst, naar keuze van gedaagden. De gevorderde dwangsom wordt toegewezen maar gematigd. Tevens worden gedaagden veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagden worden veroordeeld om binnen drie maanden de schutting te verwijderen of te verplaatsen met een dwangsom bij niet-naleving.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/375964 / HA ZA 26-185
Vonnis in incident van 1 juli 2026
in de zaak van

1.[eiser 1],

wonende te [plaats],
2.
[eiser 2],
wonende te [plaats],
eisende partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [eisers],
advocaat: mr. J.F.M. Verheij,
tegen

1.[gedaagde 1],

wonende te [plaats],
2.
[gedaagde 2],
wonende te [plaats],
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
advocaat: mr. M. Bitter.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met een incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening met 14 producties
- de conclusie van antwoord in het incident met 5 producties
- de akte uitlating producties in het incident van de zijde van [eisers] met producties 15 tot en met 21
- de akte uitlating producties in het incident van de zijde van [gedaagden]
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De vordering en het verweer in het incident

2.1.
De hoofdzaak betreft, kort gezegd, een burengeschil. Partijen hebben meerdere gerechtelijke procedures gevoerd, waarbij zij laatstelijk op 7 juli 2023 een minnelijke regeling hebben getroffen die door de rechtbank in een proces-verbaal (hierna: het proces-verbaal) is vastgelegd. Voor zover voor dit incident van belang, is overeengekomen dat partijen notarieel een verlegging van de erfgrens laten vastleggen en [gedaagden] het daartoe betreffende gedeelte van hun grond om niet overdragen aan [eisers] Ook is overeengekomen dat [gedaagden] binnen drie maanden na de notariële overdracht hun bestaande schutting zullen verplaatsen pal tegen de nieuwe erfgrens op eigen grond. Het is tot op heden niet gekomen tot notariële vastlegging van de verlegging van de erfgrens en het verplaatsen van de schutting door [gedaagden]
2.2.
Naast vorderingen in de hoofdzaak hebben [eisers] bij dagvaarding ook een incidentele vordering ingesteld. Zij vorderen in het incident [gedaagden] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis hoofdelijk te veroordelen om, in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak en de notariële overdracht van een gedeelte van hun grond aan [eisers], binnen een door de rechtbank te bepalen redelijke termijn, primair hun schutting te verwijderen en subsidiair te verplaatsen op eigen grond, pal tegen de nieuwe erfgrens en zoals door het kadaster uitgezet, op straffe van een dwangsom van € 25.000,00 plus € 1.000,00 per dag met een maximum van € 50.000,00. In zowel de hoofdzaak als het incident vorderen [eisers] ook een verklaring voor recht dat [gedaagden] hoofdelijk de daadwerkelijk door [eisers] gemaakte buitengerechtelijke kosten en proceskosten zijn verschuldigd en [gedaagden] te veroordelen tot betaling hiervan, vermeerderd met wettelijke rente.
2.3.
[gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring, althans tot afwijzing van de incidentele vordering, met veroordeling van [eisers] in de kosten van het incident. Zij voeren daartoe, samengevat, het volgende aan. De enige mogelijkheid die de wet biedt voor een provisionele vordering zoals gevorderd is artikel 223 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Aan de vereisten van dit artikel is niet voldaan; er is geen sprake van een voldoende en actueel belang dat een onmiddellijke voorziening rechtvaardigt omdat de feitelijke situatie al meer dan zeven jaar bestaat. Dat er nog geen uitvoering is gegeven aan het proces-verbaal komt doordat [eisers] hun medewerking afhankelijk hebben gemaakt van nadere niet overeengekomen voorwaarden. De vordering betreft volgens [gedaagden] ook geen voorziening voor de duur van het geding; het komt erop neer dat [eisers] verlangen dat hierdoor reeds uitvoering wordt gegeven aan hun lezing van de schikking tussen partijen. Door toewijzing hiervan zou vooruitlopend op de beoordeling in de hoofdzaak een feitelijke situatie worden gerealiseerd die niet zonder meer kan worden teruggedraaid. De gevorderde verklaring voor recht over de buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten verdraagt zich evenmin met het karakter van een incidentele vordering. Ook inhoudelijk verweren [gedaagden] zich tegen deze vordering.
2.4.
Bij akte hebben [eisers] gereageerd op de bij conclusie van antwoord in het incident in het geding gebrachte producties. [eisers] betwisten aanvullende voorwaarden te hebben gesteld aan de notariële afwikkeling. Ter onderbouwing hiervan leggen [eisers] nog 7 aanvullende producties over. Het spoedeisende karakter van de gevorderde provisionele voorziening volgt uit het feit dat [eisers] sinds de eerste schikking, van 6 december 2022, wachten op afwikkeling. Het trekt een wissel op het welzijn en de financiën van [eisers] en daaraan moet op korte termijn een einde komen. Het is onredelijk dat [eisers] moeten wachten op het verwijderen of verplaatsen van de schutting van [gedaagden] tot er een uitspraak is in de hoofdzaak. Dat de schutting op de huidige plek verwijderd moet worden staat onomstotelijk vast en hoeft niet afhankelijk te blijven van de notariële overdracht van de grond door [gedaagden] Voor wat betreft de proceskosten zullen [eisers] hun vordering tot toekenning van de daadwerkelijk gemaakte kosten in de hoofdzaak onderbouwen. [eisers] gaan ervan uit dat de rechtbank de beslissing over de proceskosten in het incident aanhoudt totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.
2.5.
Op hun beurt hebben [gedaagden] gereageerd op de hiervoor onder 2.4. genoemde akte van [eisers] Inhoudelijk stellen [gedaagden] dat uit de door [eisers] aanvullend ingebrachte producties juist blijkt dat [gedaagden] alles hebben gedaan om de kwestie tot een einde te brengen en dat voortdurende tegenwerpingen en tegenwerking van [eisers] de afronding in de weg blijven staan.

3.De beoordeling in het incident

3.1.
De rechtbank zal de subsidiaire incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening toewijzen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
3.2.
In de tiende afdeling van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ligt besloten welke incidentele vorderingen kunnen worden ingesteld. De door [eisers] ingestelde vordering valt onder artikel 223 Rv Pro. Dit artikel bepaalt dat iedere partij tijdens een aanhangig geding kan vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding, welke vordering moet samenhangen met de hoofdzaak. Een provisionele vordering uit hoofde van artikel 223 Rv Pro strekt er dus toe om voor de duur van de aanhangige bodemprocedure voorlopige maatregelen te treffen. Vereist is dat er een voldoende belang bestaat bij de provisionele vordering. Een spoedeisend belang zoals dat geldt in een kortgedingprocedure is niet vereist, maar het karakter van de voorziening brengt wel met zich dat eiser in het incident een zodanig dringend belang bij de gevraagde voorziening moet hebben dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de hoofdzaak moet afwachten. Hiervan kan onder meer sprake zijn indien de betrokken aanspraak in voldoende mate vaststaat. Dit kan op zichzelf al reden zijn om vooruit te lopen op de einduitspraak in het geschil.
3.3.
Naar het oordeel van de rechtbank hangt de in incident primair gevorderde voorziening onvoldoende samen met de hoofdzaak. De hoofdzaak heeft immers betrekking op de uitvoering van het proces-verbaal en in het proces-verbaal is geen verplichting te lezen tot verwijdering van de schutting.
3.4.
De subsidiair gevorderde voorziening hangt wel samen met de hoofdzaak. Evenals de vordering in de hoofdzaak heeft de subsidiaire vordering immers betrekking op de tenuitvoerlegging van het proces-verbaal. Bovendien leent de subsidiaire vordering zich, anders dan [gedaagden] betogen, om als voorlopige voorziening gegeven te worden. Het gaat namelijk om een voorziening die in voorkomend geval kan worden teruggedraaid.
3.5.
De rechtbank is van oordeel dat er, wat betreft het subsidiair gevorderde, sprake is van een situatie dat van [eisers] niet kan worden gevergd dat zij de afloop van de hoofdzaak afwachten omdat de betrokken aanspraak al voldoende vaststaat. De rechtbank licht dit toe.
3.6.
Evenals in het eerdere proces-verbaal (van 6 december 2022) en in het kortgedingvonnis van 11 april 2023 is in het proces-verbaal bepaald dat [gedaagden] de bestaande schutting zullen verplaatsen pal tegen de nieuwe erfgrens en op eigen grond. Gesteld noch gebleken is dat partijen het oneens zijn over deze afspraak. Ook over de plaats waar de nieuwe erfgrens komt te liggen bestaat geen discussie meer. Die plaats is nauwkeurig omschreven in het proces-verbaal en [eisers] hebben onbetwist gesteld dat het kadaster punt H (genoemd in het proces-verbaal) heeft uitgezet.
Weliswaar is het na totstandkoming van het proces-verbaal (nog) niet gekomen tot een notariële leveringsakte, waardoor de in het proces-verbaal genoemde termijn van drie manden voor het verplaatsen van de schutting nog niet is gaan lopen, maar kennelijk, zo maakt de rechtbank op uit de processtukken, werd dit veroorzaakt door (vermeende) discussies over andere onderwerpen dan de plaats van de schutting, namelijk: het gebruik van de bewoordingen ‘geschil’, proces-verbaal’ en ‘vonnis’ in de notariële akte, erfdienstbaarheden van aanvoerleidingen en door [gedaagden] te verschaffen transparantie over de gewenste wijzigingen in de notariële akte. Gelet op dit alles staat de aanspraak van [eisers] op verplaatsing van de schutting daarom voldoende vast. In de omstandigheden van dit geval, waarin het tengevolge van discussies en impasses over andere onderwerpen nog niet is gekomen tot het passeren van de notariële leveringsakte, kan van [eisers] niet worden gevergd dat zij de uitkomst van de hoofdzaak afwachten. Dat partijen al jaren met elkaar procederen en discussiëren zijn doet niet aan af aan het recht en belang dat [eisers] hebben bij verplaatsen van de schutting.
3.7.
De rechtbank zal de subsidiaire incidentele vordering toewijzen met dien verstande, mede gelet op de inhoud van de primaire incidentele vordering, dat het [gedaagden] ook vrijstaat hun schutting vooralsnog enkel te verwijderen, en nog niet te verplaatsen, in afwachting van de uitkomst van de hoofdzaak. De rechtbank zal [gedaagden] daarom veroordelen de schutting te verwijderen danwel (naar keuze van [gedaagden]) te verplaatsen. De rechtbank acht hiervoor een termijn van drie maanden redelijk.
3.8.
Tegen de gevorderde dwangsom hebben [gedaagden] geen verweer gevoerd. De rechtbank zal deze dwangsom toewijzen maar ziet wel aanleiding deze te matigen zoals vermeld in de beslissing.
3.9.
De rechtbank begrijpt uit de laatste akte van [eisers] dat zij hun vordering over de buitengerechtelijke en proceskosten hebben gewijzigd en nu vorderen de beslissing hierover aan te houden totdat in de hoofdzaak is beslist. De rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding. De rechtbank zal [gedaagden] veroordelen in de door [eisers] in het incident gemaakte proceskosten (inclusief nakosten). De rechtbank begroot de proceskosten van [eisers] op € 842,00 (€ 653,00 aan salaris advocaat (1 punt × € 653,00) en € 189,00 aan nakosten), plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.
3.10.
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toe zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De rechtbank
in het incident
4.1.
veroordeelt [gedaagden] om binnen drie maanden na betekening van dit vonnis:
- ofwel hun onder 6 van het proces-verbaal van 7 juli 2023 bedoelde schutting te verwijderen
- ofwel hun onder 6 van het proces-verbaal van 7 juli 2023 bedoelde schutting te verplaatsen op eigen grond pal tegen de nieuwe erfgrens zoals door het kadaster uitgezet,
4.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eisers] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag dat zij niet aan de veroordeling onder 4.1 voldoen, tot een maximum van € 15.000,00 is bereikt,
4.3.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
veroordeelt [gedaagden] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen 14 dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.5.
verklaart 4.1, 4.2, 4.3 en 4.4. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in de hoofdzaak
4.7.
verwijst de zaak naar de rol van
woensdag 12 augustus 2026voor conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagden],
4.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. Wamsteker en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.
2009