Art. 7:628 lid 1 BWArt. 7:629 lid 1 BWArt. 7 lid 2 Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureausArt. 7 lid 5 Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureausArt. 7:629a lid 6 BW
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing loonvordering werknemer na intrekking beveiligingstoestemming
Een werknemer vordert in kort geding doorbetaling van loon tijdens ziekte. De korpschef van politie heeft de toestemming voor de werknemer om als beveiliger te werken ingetrokken, waardoor de werkgever hem niet meer mag laten werken. De kantonrechter oordeelt dat de intrekking van de toestemming voor rekening en risico van de werknemer komt.
De werknemer was ziek gemeld vóór de intrekking, maar de kantonrechter stelt vast dat de primaire oorzaak van het werkverbod de intrekking door de korpschef is, niet de ziekte. De werkgever mag daarom de loonbetaling stopzetten op grond van artikel 7:628 lid 1 BWPro.
De werknemer heeft geen aannemelijk verband tussen ziekte en intrekking kunnen aantonen. Ook het bezwaar tegen de intrekking schorst de werking daarvan niet. De vordering tot doorbetaling van loon wordt afgewezen en partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.
Uitkomst: De loonvordering van de werknemer wordt afgewezen omdat de intrekking van de beveiligingstoestemming primair oorzaak is van het werkverbod.
Uitspraak
RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11995865 \ VV EXPL 25-182
Vonnis in kort geding van 4 februari 2026
in de zaak van
[eiser]
wonende te [plaats]
eiser
hierna te noemen: [eiser]
procederend in persoon
tegen
de besloten vennootschap Workrate Security B.V.
gevestigd te Schiphol-Rijk
gedaagde
hierna te noemen: Workrate
gemachtigde: mr. J.N.A. Dijkman.
De zaak in het kort
In dit kort geding vordert een werknemer doorbetaling van loon tijdens ziekte. De kantonrechter wijst de vordering af. De korpschef van politie heeft de toestemming voor de werknemer om als beveiliger te mogen werken, ingetrokken. Dat brengt mee dat de werkgever de werknemer niet meer mag laten werken. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever de betaling van loon daarom mocht stopzetten. De intrekking van de toestemming door de korpschef komt namelijk voor rekening en risico van de werknemer. Die omstandigheid gaat in dit geval vóór de regel dat een werknemer tijdens ziekte recht heeft op betaling van loon.
1.De procedure
1.1.
[eiser] heeft met een dagvaarding van 10 december 2025 een vordering in kort geding tegen Workrate ingesteld.
1.2.
Op 21 januari 2026 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen op de zitting naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft Workrate met een e-mail van 16 januari 2026 een conclusie van antwoord toegestuurd, met stukken. In een e-mail van 16 januari 2026 heeft [eiser] daarop nog gereageerd, waarbij ook stukken zijn meegestuurd.
2.De feiten
2.1.
[eiser], geboren op [geboortedatum] 1972, is met ingang van 30 januari 2017 in dienst getreden bij Workrate. Hij is werkzaam in de functie van algemeen beveiligingsmedewerker, voor 17 uren per week en tegen een brutosalaris van € 14,10 per uur.
2.2.
Met een brief van 18 juli 2025 heeft de korpschef van de politie-eenheid Den Haag aan partijen meegedeeld dat het voornemen bestaat om op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus de toestemming voor [eiser] om werkzaamheden te verrichten voor Workrate, in te trekken.
2.3.
[eiser] heeft zich met ingang van 12 augustus 2025 ziekgemeld.
2.4.
In een brief van de korpschef van 9 september 2025 is aan partijen bericht dat de aan [eiser] verleende toestemming om voor Workrate te werken, is ingetrokken. Als reden voor de intrekking is verwezen naar “de binnengekomen ambtsberichten”.
2.5.
Workrate heeft [eiser] met een brief van 7 oktober 2025 laten weten dat de loonbetaling aan hem met ingang van 9 september 2025 is gestaakt.
2.6.
In een advies van de bedrijfsarts van 17 november 2025 staat dat [eiser] arbeidsongeschikt is en vanaf 1 april 2026 naar verwachting weer volledig arbeidsgeschikt zal zijn.
3.Het geschil
3.1.
[eiser] vordert dat de kantonrechter Workrate veroordeelt tot betaling van zijn loon vanaf 9 september 2025. [eiser] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat Workrate verplicht is tot loondoorbetaling bij ziekte en dat de stopzetting van het loon door Workrate vanaf 9 september 2025 niet rechtsgeldig is. Daarbij heeft [eiser] opgemerkt dat hij al ziek was vóórdat de korpschef de toestemming om als beveiliger te mogen werken, had stopgezet, en dat de intrekking van de toestemming door de korpschef nog niet definitief is, omdat hij daartegen bezwaar heeft gemaakt.
3.2.
Workrate voert verweer. Workrate voert aan – samengevat – dat de intrekking door de korpschef van de toestemming aan [eiser] om te mogen werken, voor rekening en risico van [eiser] komt, en dat [eiser] daarom vanaf 9 september 2025 geen recht meer heeft op loondoorbetaling tijdens ziekte. Volgens Workrate is de omstandigheid dat [eiser] vanwege de intrekking van de toestemming niet meer mag werken, de primaire oorzaak van de verhindering van [eiser] om te werken, en niet zijn ziekte. Workrate meent daarom dat de loonstop rechtmatig is.
4.De beoordeling
4.1.
Het gaat in dit kort geding om de vraag of Workrate moet worden veroordeeld tot doorbetaling van het loon van [eiser] vanaf 9 september 2025. [eiser] heeft een spoedeisend belang bij deze vordering, omdat het gaat om zijn loon.
4.2.
De kantonrechter zal de vordering van [eiser] afwijzen. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.
4.3.
Vast staat dat [eiser] vanaf 12 augustus 2025 wegens ziekte verhinderd is om te werken. [eiser] heeft op grond van de wet in principe recht op doorbetaling van zijn loon tijdens ziekte. Dat staat in artikel 7:629 lid 1 vanPro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
4.4.
Vast staat ook dat de korpschef van de politie op 9 september 2025 de toestemming aan [eiser] om werkzaamheden te mogen verrichten voor Workrate, heeft ingetrokken. Het voornemen daartoe was aan partijen meegedeeld op 18 juli 2025.
4.5.
Uit de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus volgt dat Workrate als beveiligingsorganisatie [eiser] niet meer te werk mag stellen, als toestemming daarvoor van de korpschef ontbreekt of is ingetrokken. [1] Die toestemming is niet alleen vereist voor personeel dat beveiligingswerkzaamheden verricht, maar voor al het personeel van een beveiligingsorganisatie. [2] Workrate mag [eiser] dus helemaal niet meer laten werken, ook niet als [eiser] weer hersteld is en ook niet in andere dan beveiligingswerkzaamheden, zolang er geen toestemming van de korpschef is.
4.6.
Als een werknemer de overeengekomen arbeid niet verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van die werknemer behoort te komen, is er geen recht op loon. Dat staat in artikel 7:628 lid 1 BWPro.
4.7.
Naar het oordeel van de kantonrechter is de verhindering van [eiser] om te mogen werken voor Workrate, als gevolg van de intrekking van de toestemming door de korpschef, een omstandigheid die in redelijkheid voor rekening van [eiser] behoort te komen. De oorzaak van die verhindering ligt immers geheel bij [eiser]. Workrate heeft daarmee niets te maken en kan daaraan ook niets doen. Volgens artikel 7:628 lid 1 BWPro heeft [eiser] dus geen recht op loon.
4.8.
Dit betekent dat hier twee wettelijke regels samenlopen en botsen: op grond van artikel 7:629 lid 1 BWPro heeft [eiser] wel recht op loon, maar op grond van artikel 7:628 lid 1 BWPro niet.
4.9.
De kantonrechter neemt tot uitgangspunt dat voor het antwoord op de vraag of [eiser] recht heeft op betaling van loon, bepalend is wat de primaire oorzaak is van de verhindering om te werken. [3] Is die primaire oorzaak de ziekte van [eiser], dan is er recht op loon op grond van artikel 7:629 lid 1 BWPro. Is de primaire oorzaak de intrekking van de toestemming door de korpschef, dan is er geen recht op loon op grond van artikel 7:628 lid 1 BWPro.
4.10.
Wat de primaire oorzaak is van de verhindering om te werken, moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Daarbij is niet doorslaggevend dat [eiser] al ziek was vóórdat de korpschef de toestemming had ingetrokken, zoals [eiser] heeft betoogd, maar zijn ook andere omstandigheden van belang. [4]
4.11.
De kantonrechter komt in dit geval tot het oordeel dat de primaire oorzaak van de verhindering om te werken, is gelegen in de intrekking door de korpschef van de toestemming om te werken en niet in de ziekte van [eiser]. Daarvoor is het volgende van belang.
4.12.
[eiser] stelt op zichzelf terecht dat hij ziek is geworden vóórdat de korpschef de toestemming om te werken had ingetrokken. Maar vóór de ziekmelding door [eiser] op 12 augustus 2025 was door de korpschef op 18 juli 2025 al aan partijen meegedeeld dat er een voornemen was tot intrekking van die toestemming. Het definitieve besluit tot intrekking is vervolgens op 9 september 2025 genomen en relatief kort na de ziekmelding. De intrekking van de toestemming door de korpschef is dus een oorzaak voor de verhindering om te werken die al aan partijen was aangekondigd vóór de ziekmelding.
4.13.
Verder weegt mee dat [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de intrekking door de korpschef van de toestemming om te werken verband houdt met zijn ziekte of daarvan het gevolg is. [eiser] heeft ook geen gegevens of stukken overgelegd waaruit dat kan blijken. Op de zitting heeft [eiser], daarnaar gevraagd, opgemerkt dat zijn ziekte wel een rol heeft gespeeld bij die intrekking, maar dat is door Workrate betwist. De kantonrechter kan bij gebreke van enige onderbouwing niet vaststellen dat er een verband is. Uit de brief van de korpschef van 9 september 2025 blijkt alleen dat de toestemming is ingetrokken vanwege “de binnengekomen ambtsberichten”. Daaruit blijkt niet van enige relatie met de ziekte van [eiser]. Dit kort geding leent zich niet voor nadere bewijslevering door [eiser] op dit punt.
4.14.
Ook is van belang dat Workrate moet worden gevolgd in haar stelling dat de intrekking door de korpschef van de toestemming aan [eiser] om te mogen werken, tot gevolg heeft dat iedere mogelijkheid tot werken door [eiser] is geblokkeerd. Immers, zoals hiervoor al is overwogen, mag Workrate op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus bij het ontbreken van de vereiste toestemming [eiser] in het geheel niet meer te werk stellen en geen werkzaamheden meer laten verrichten, ook niet in een andere functie dan beveiliger. Mede gelet op de aard en strekking van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus is er daarom ook voldoende grond om aan te nemen dat Workrate in het kader van re-integratie evenmin werkzaamheden mag laten verrichten door [eiser] bij een andere werkgever, in het zogenoemde tweede spoor, zoals Workrate heeft gesteld.
4.15.
Uit het voorgaande volgt dat moet worden aangenomen dat [eiser] ook geen recht op loon heeft als hij niet (meer) ziek is. Workrate mag [eiser] immers ook dan niet laten werken. Dat legt eveneens gewicht in de schaal bij het oordeel dat de primaire oorzaak van de verhindering om te werken is gelegen in de intrekking door de korpschef van de toestemming om te werken en niet in de ziekte.
4.16.
[eiser] stelt terecht dat de intrekking door de korpschef van de toestemming nog niet definitief is, ervan uitgaande dat hij daartegen tijdig bezwaar heeft gemaakt, zoals hij heeft gesteld. Maar dat bezwaar doet er niet aan af dat in dit kort geding moet worden uitgegaan van de juistheid van die intrekking door de korpschef. Het bezwaar van [eiser] schorst ook niet de werking van de intrekking door de korpschef. [5]
4.17.
Verder is de kantonrechter niet gebleken dat sprake is van een duidelijke fout of vergissing van de korpschef bij de intrekking van de toestemming, zoals [eiser] stelt. De korpschef heeft op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus de bevoegdheid om de toestemming in te trekken. [6] [eiser] heeft niet toegelicht waarom er een (inhoudelijke) fout is gemaakt door de korpschef en welke fout dat zou zijn. Er is ook niet toegelicht welke bezwaren zijn aangevoerd tegen de intrekking. Er heeft kennelijk ook nog geen hoorzitting plaatsgevonden in de bezwaarprocedure en onduidelijk is wanneer een besluit op bezwaar zal worden genomen.
4.18.
De kantonrechter komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat moet worden aangenomen dat de primaire oorzaak van de verhindering om te werken is gelegen in de intrekking door de korpschef van de toestemming om te werken en niet in de ziekte van [eiser]. Het is daarom niet waarschijnlijk dat de loonvordering van [eiser] in een gewone procedure (bodemprocedure) zal worden toegewezen. Dit betekent dat de vordering van [eiser] om Workrate te veroordelen tot doorbetaling van loon in dit kort geding moet worden afgewezen.
4.19.
De vordering van [eiser] met betrekking tot de winstuitkering wordt ook afgewezen, want die vordering hangt geheel samen met zijn vordering tot doorbetaling van loon. Wat betreft de winstuitkering over het jaar 2025 heeft [eiser] erkend dat die uitkering, berekend over het loon betaald in de periode tot 9 september 2025, al is betaald.
4.20.
De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder de eigen proceskosten moeten betalen, ook al krijgt [eiser] ongelijk. De vordering van [eiser] is een vordering tot doorbetaling van loon tijdens ziekte en in zo’n geval geldt dat [eiser] alleen in de proceskosten van Workrate kan worden veroordeeld als hij kennelijk onredelijk gebruik heeft gemaakt van procesrecht. [7] Daarvan is geen sprake.
5.De beslissing
De kantonrechter:
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af;
5.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.
Voetnoten
1.Artikel 7 lid 2 vanPro de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.
2.Zie ook artikel 3.1 van de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019.
3.Zie ook:
4.De kantonrechter volgt hier dus niet meer het uitgangspunt van de uitspraak van deze rechtbank van 9 juli 2018, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl met nummer ECLI:NL:RBNHO:2018:6535.
5.Zie artikel 6:16 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
6.Artikel 7 lid 5 vanPro de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.