ECLI:NL:RBNHO:2026:8905

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
HAA 24/7559
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22.27 Omgevingsplan AlkmaarArt. 22.36 Omgevingsplan AlkmaarOmgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing handhavingsverzoek tegen geringe overschrijding erfafscheiding in Alkmaar

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van eisers tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar om niet handhavend op te treden tegen een vermeende overschrijding van de erfafscheiding op een perceel in Alkmaar.

Eisers stelden dat het college de overtreding niet correct had vastgesteld en dat zij overlast ondervonden van de verhoogde muur. Het college had na controles geconcludeerd dat de verhoging vergunningvrij was of slechts een zeer geringe overschrijding betrof die niet handhavend hoefde te worden aangepakt. De rechtbank toetste de metingen en het toepasselijke omgevingsplan en concludeerde dat het college op goede gronden van handhaving had afgezien.

De rechtbank vond dat de meting van het college, ondanks dat deze niet onder ambtseed was verricht, voldoende betrouwbaar was en dat de door eisers overgelegde meting juridisch onjuist was uitgevoerd. Verder was de overschrijding van geringe aard en omvang, niet met het blote oog waarneembaar en veroorzaakte deze geen aantoonbare overlast die handhaving rechtvaardigde.

Het beroep werd ongegrond verklaard, waarbij eisers geen proceskostenvergoeding ontvingen. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige belangenafweging en de toepassing van het omgevingsplan onder de Omgevingswet.

Uitkomst: Het beroep van eisers wordt ongegrond verklaard en het college mag op goede gronden van handhaving afzien.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/7559

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit Alkmaar, eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar

(gemachtigde: B. Schellingerhout en A.A. Kraaijeveld).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij 1] en [derde-partij 2] uit Alkmaar (derde-partij)
(gemachtigde: mr. H.R. ten Broeke).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek om handhavend op te treden tegen een verhoging van de erfafscheiding op het perceel [perceel 1] . Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Eisers stellen dat het college de overtreding niet op juiste wijze heeft vastgesteld. Verder stellen eisers dat zij overlast ondervinden van de overtreding en het college handhavend had moeten optreden. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek om handhavend op te treden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college op goede gronden van handhavend optreden heeft afgezien. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 15 oktober 2024 op het bezwaar van eisers is het college, onder aanvulling van de motivering, bij de afwijzing van het verzoek om handhavend op te treden gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Derde-partij heeft ook schriftelijk gereageerd. Eisers hebben daarna het beroep meermaals aangevuld. Het college heeft tot slot schriftelijk gereageerd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. [eiser 2] , de partner van [eiser 1] , heeft verzocht om handhaving op het perceel [perceel 1] in Alkmaar (het perceel), wegens een verhoogde muurhoogte van 2,25 meter naar 3,15 meter tussen het perceel en eisers’ perceel, [perceel 2] in Alkmaar.
3.1.
Op 15 maart 2024 is op het perceel een controle uitgevoerd. Naar aanleiding van die controle is het college bij besluit van 5 april 2024 tot de conclusie gekomen dat zowel de bouwactiviteit als omgevingsplanactiviteit vergunningvrij zijn. Het klopt dat er op de erfafscheiding is gebouwd, maar doordat er een serre is gebouwd, is de verhoging geen onderdeel van de erfafscheiding maar van een muur van een uitbouw. De verhoging is lager dan de maximale hoogte van drie meter uit bestemmingsplan Alkmaar Zuid-West. Er is geen sprake van een overtreding, waardoor het college niet bevoegd is om handhavend op te treden. Voor schade aan het (gezamenlijke) eigendom of andere schendingen moet [eiser 2] naar de burgerlijke rechter. [eiser 2] heeft hiertegen op 6 mei 2024 bezwaar gemaakt.
3.2.
Op 13 juni 2024 en 4 september 2024 hebben opnieuw metingen plaatsgevonden en is de bezoekersrapportage aangevuld. Eisers hebben hierop schriftelijk gereageerd.
3.3.
Met het bestreden besluit van 15 oktober 2024 heeft het college het besluit van 5 april 2024 in stand gelaten onder aanvulling van de motivering. De 3 meter-norm uit het besluit van 5 april 2024 is bij nader inzien onjuist. De geldende normen staan in artikel 22.36, onder a, eerste lid, van het omgevingsplan. Ook moet worden voldaan aan artikel 22.27 van het omgevingsplan. Er is een overschrijding van de regels die gelden voor vergunningvrij bouwen, omdat uit de laatste meting volgt dat de hoogte van de uitbouw inclusief de muurafdekker op 0,305 meter boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw uitkomt. Het college geeft aan dat de meting die eisers hebben uitgevoerd op incorrecte wijze is geschied. In het kader van de belangenafweging stelt het college dat gelet op de overschrijding van 0,005 meter er sprake is van een overtreding van zeer geringe aard en omvang die niet met het blote oog waarneembaar is. Daarnaast is niet gebleken dat eisers een zwaarwegend belang hebben bij het handhaven van de hoogte van het bijgebouw van 0,3 meter boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw. Verder weegt het college mee dat eisers geen overlast ervaren en de overschrijding niet ongewenst precedent schept. Dit geldt ook voor de loodslab. Er is geen sprake van een bewuste overschrijding van de regels voor vergunningvrij bouwen. Handhavend optreden zou daarom onevenredig zijn met het te dienen doel.
Toetsingskader
4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Ow hebben alle gemeentes van rechtswege een omgevingsplan met regels over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. In de gemeente Alkmaar is een omgevingsplan van kracht, waarin (tijdelijk) in hoofdstuk 22 de bruidsschat is opgenomen.
4.1.
[eiser 2] heeft op 14 maart 2024 het verzoek om handhaving gedaan. Dit betekent dat de Ow van toepassing is.
Heeft het college de overtreding op juiste wijze vastgesteld?
5. Eisers stellen dat het college ten onrechte voorbij is gegaan aan de meting die zij hebben uitgevoerd. Daaruit volgt dat artikel 22.36, onder a, onder ii, van de bruidsschat met 30% is overschreden. Een meting van onder het plafond is net zo geldig als van boven het plafond, aldus eisers. Van [eiser 1] mag redelijkerwijs worden verwacht dat hij over de vereiste deskundigheid en expertise beschikt om betrouwbare metingen uit te voeren, gelet op zijn educatie en beroep. De meting die het college heeft uitgevoerd is onmogelijk, omdat een raamdorpel het meten tegen de muur verhindert en de scheidingsmuur niet toegankelijk is vanuit het raam waar de metingen zouden zijn gedaan. Deze tekortkomingen heeft het college niet erkend of verklaard. Het college heeft slechts een foto verstrekt van een hand die een meetlint vasthoudt en beweert metingen te hebben gedaan, terwijl deze afkomstig lijken te zijn van de ontwerptekening van de aannemer. Daarnaast beweert het college dat het verschil van 20 centimeter tussen zijn en eisers’ meting komt door een verschil in grondhoogte over de breedte van de scheidingsmuur. Hier is echter geen verklaring voor gegeven. Het college heeft blijk gegeven aan een totaal gebrek aan zorgvuldigheid bij het nemen van het bestreden besluit. Tot slot stelt het college dat het van de deskundigheid van de toezichthouders moet kunnen uitgaan. Eisers menen echter dat het volstrekt onredelijk is om de bewijslast bij de bewoners (de rechtbank leest: eisers) te leggen.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college uit mocht uitgaan van de meting uit de bezoekersrapportage. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Uit artikel 22.36, onder a, onder 1°, onder ii, van het omgevingsplan volgt, onder meer, dat een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan in aanvulling op de in artikel 22.27, onder a, van het omgevingsplan gestelde vereisten ook moet voldoen aan de eis dat het niet hoger is dan 0,3 meter boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw. Artikel 22.36, onder a, onder 1°, onder ii, van het omgevingsplan heeft het expliciet over de
bovenkantvan de scheidingsconstructie. Gelet op het voorgaande en de toelichting op zitting, kan de rechtbank de meting van 4 september 2024 die het college hanteert volgen. Hoewel de bezoekersrapportage niet op ambtseed of ambtsbelofte is opgemaakt en daaraan minder bewijskracht toekomt, betekent het niet dat de rapportage zonder betekenis is. [1] In dat kader acht de rechtbank het ook van belang dat eisers geen geldig tegenrapport hebben overgelegd. Tot slot, merkt de rechtbank op dat de vraag of de meting die eisers zelf hebben uitgevoerd geometrisch correct is, hier niet voorligt. Nu eisers niet hebben gemeten zoals in artikel 22.36, onder a, onder 1°, onder ii, van het omgevingsplan wordt voorgeschreven, is het uitgangspunt van eisers meting juridisch onjuist.
Heeft het college op goede gronden van handhaving afgezien?
6. Eisers betogen dat het college ten onrechte van handhaving heeft afgezien. Zij menen dat er helemaal geen sprake is van een geringe overschrijding. Het desbetreffende artikel van de bruidsschat wordt immers met 30% overschreden. Daarnaast hebben eisers wel degelijk last van de overtreding. De scheidingsmuur verpest het uitzicht vanuit de keuken en het licht wordt beperkt, vooral in de wintermaanden. Ook het standpunt van het college dat de loodslab geen overlast veroorzaakt en geen ongewenste precedentwerking heeft is ook niet correct, omdat de aannemer voor het aanbrengen van de loden plaat ongeoorloofde wijzigingen aan zijn terrein heeft aangebracht. Daarnaast heeft derde-partij onlangs een zonwering geïnstalleerd dat de reeds bestaande overtreding verergert door verdere hoogte toe te voegen aan de constructie.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college van handhaving mocht afzien. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Niet in geschil is dat artikel 22.36, onder a, onder 1°, onder ii, van het omgevingsplan is overschreden. Het college meent echter dat wegens de zeer geringe aard en omvang van de overtreding, handhavend optreden onevenredig zou zijn met het te dienen doel. De rechtbank kan dit volgen. De rechtbank begrijpt dat het voor eisers heel vervelend is dat zij overlast ervaren die betrekking heeft op licht(inval) en uitzicht. De onderhavige overschrijding is echter zeer gering van aard en omvang, waardoor het niet aannemelijk is geworden dat de overlast die zij ervaren wordt veroorzaakt door de geconstateerde overtreding.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Het college heeft op goede gronden van handhavend optreden afgezien. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, rechter, in aanwezigheid van mr. N.G. Dankerlui, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1480; 10 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1827; en 25 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3825.