ECLI:NL:RBNHO:2026:8908

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
C/15/379697
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 254 RvArt. 1:253a lid 1 BWArt. 1:253a lid 5 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling zorgregeling en tijdelijke verblijfsafspraken voor minderjarige na relatiebreuk ouders

Partijen, ouders van een minderjarige, zijn in geschil over de zorgregeling en het hoofdverblijf van hun zoon na beëindiging van hun relatie in 2019. De rechtbank heeft eerder zorgregelingen vastgesteld, maar de omgang is stopgezet door de moeder vanwege vermoedens van mishandeling door de partner van de moeder. De vader heeft de minderjarige zonder overleg meegenomen, waarna de moeder de vader vordert om de zorgregeling na te komen en de minderjarige terug te geven.

Tijdens de zitting heeft de Raad voor de Kinderbescherming geadviseerd het signaal van de minderjarige serieus te nemen en tijdelijke verblijfsafspraken te maken waarbij de minderjarige bij de grootouders kan verblijven totdat de moeder een eigen woning heeft. Partijen hebben in de zitting afspraken gemaakt over de verblijfsregeling in de zomervakantie en de schoolkeuze van de minderjarige.

De voorzieningenrechter stelt de zorgregeling vast conform deze afspraken, wijst de vordering van de vader tot tijdelijke inschrijving van de minderjarige op zijn adres af, en compenseert de proceskosten. De rechter benadrukt het belang van hulpverlening voor de communicatie tussen partijen en het gezamenlijk ouderschap.

Uitkomst: De rechtbank stelt de zorgregeling vast met tijdelijke verblijfsafspraken bij grootouders en wijst de vordering tot tijdelijke inschrijving op vaders adres af.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/379697 / KG ZA 26-386
Vonnis in kort geding van 16 juli 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. B. Stelling,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. R.J.C. Silven.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 11
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 4
- de aanvullende producties 12 en 13 van de moeder
- de akte wijziging eis van de moeder
- de mondelinge behandeling van 13 juli 2026
- de pleitnota van de moeder
- de pleitnota van de vader.
1.2.
Voor de mondelinge behandeling op 13 juli 2026 zijn verschenen de moeder, bijgestaan door mr. Stelling en de vader, bijgestaan door mr. Silven.
Tevens is verschenen de heer [betrokkene 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover op 7 juli 2026 een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de voorzieningenrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld.
1.4.
Tenslotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Deze relatie is in april 2019 geëindigd.
2.2.
Uit de relatie tussen partijen is op [geboortedatum] 2017 hun zoon [minderjarige] geboren. Partijen hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.3.
In een vonnis van 14 mei 2025 heeft de voorzieningenrechter de volgende zorgregeling bepaald:
a. vanaf 10 mei 2025 tot en 31 mei 2025 is [minderjarige] iedere zaterdag bij de man van zaterdagochtend 9.00 uur tot zondagavond 18.00 uur. De man ondergaat bij aanvang van de omgang een drugstest. waaruit het gebruik van cannabis en overige drugs kan worden onderscheiden. De vrouw zorgt voor de aanwezigheid van een drugstest. De vriendin van de man zal tijdens de omgang aanwezig zijn.
b. van 7 juni 2025 om 9.00 uur tot 8 juni 2025 om 18.00 uur verblijft [minderjarige] bij de man. De man ondergaat bij aanvang van de omgang een drugstest, waaruit het gebruik van cannabis en overige drugs kan worden onderscheiden. De vrouw zorgt voor de aanwezigheid van een drugstest,
c. op 15 juni 2025 van 9.00 uur tot 18.00 uur verblijft [minderjarige] bij de man (vaderdag).
d. met ingang van 21 juni 2025 verblijft [minderjarige] om de week bij de man van vrijdag uit school tot zondag 18.00 uur.
e. op de voorwaarde dat alle drugstesten negatief zijn. verblijft [minderjarige] van 14 juli 2025 om 9.00 uur tot en met 27 juli 2025 om 18.00 uur bij de man (zomervakantie).
f. op de verjaardag van de man verblijft [minderjarige] bij de man.
g. partijen zullen zich aanmelden voor begeleiding bij het Centrum voor Jeugd en
Gezin (CJG).
2.4.
De moeder heeft de omgang in juni 2025 stopgezet en in kort geding een wijziging gevorderd van de bestaande zorgregeling. In het vonnis van [geboortedatum] 2025 heeft de voorzieningenrechter de volgende zorgregeling bepaald:
- op de 1° zaterdag 6 september 2025) verblijft [minderjarige] bij de man van 9.00 uur tot 18.00 uur;
- de week daarop (op 13 en 14 september 2025) verblijft [minderjarige] bij de man van zaterdag 9.00 uur tot zondag 18.00 uur;
- hierna verblijft [minderjarige] eenmaal in de veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 18.00 uur bij de man;
- de zorgregeling wordt zoveel mogelijk begeleid door de partner van de man;
- partijen zullen zich binnen één week na de datum van dit vonnis aanmelden voor begeleiding bij het CJG.
2.5.
Het CJG-traject is nog altijd niet van start gegaan. Aan de zorgregeling is wel uitvoering gegeven.
2.6.
Op 22 juni 2026 heeft [minderjarige] op school verteld dat hij een klap heeft gehad van de (ex)partner van de moeder, [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]). De moeder is op 22 juni 2026 naar school gekomen voor een gesprek. Op 23 juni 2026 zou er nog een gesprek plaatsvinden op het politiebureau waarbij [minderjarige], de moeder en Veilig Thuis aanwezig zouden zijn. De vader heeft [minderjarige] echter die middag, zonder overleg met de moeder, van school gehaald en meegenomen naar de woning van zijn partner op een vakantiepark in [plaats 3], Noord-Brabant. [minderjarige] kon hierdoor niet in gesprek met Veilig Thuis.
2.7.
Ondanks verzoeken daartoe heeft de vader [minderjarige] vanaf 23 juni 2026 niet meer teruggebracht naar de moeder. Ook is [minderjarige] niet naar school geweest. School heeft hiervan melding gedaan bij de leerplichtambtenaar.
2.8.
Een medewerker van Veilig Thuis heeft op 2 juli 2026 een gesprek gehad met [minderjarige] in Noord-Brabant.

3.Het geschil

3.1.
De moeder vordert na eiswijziging - samengevat - om de vader te veroordelen [minderjarige] aan haar af te geven vanaf 18 juli 2026 gedurende de zomervakantie, waarna de zorgregeling zoals opgenomen in het vonnis d.d. 2 september 2025 vanaf 17 augustus 2026 zal worden hervat. Daarbij heeft [minderjarige] hoofdverblijf bij de moeder en verblijft hij om de week van vrijdagmiddag uit school tot zondag 18.00 uur bij de vader. Daarnaast vordert de moeder om de vader te verbieden [minderjarige] in te schrijven op zijn adres in de BRP en met [minderjarige] naar Noord-Brabant te verhuizen.
3.2.
Voorwaardelijk, voor het geval de voorzieningenrechter de vordering van de vader om [minderjarige] tijdelijk zijn hoofdverblijf bij vader te laten hebben toewijst, vordert de moeder vaststelling van een zorgregeling waarbij [minderjarige] elke week van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 19.00 uur bij de vrouw verblijft, waarbij de man het halen en brengen voor zijn rekening neemt.
3.3.
De moeder voert aan dat zij vermoedt dat [minderjarige] in de war is omdat zij en [betrokkene 2] begin juni, voor het incident, hun relatie hebben beëindigd en nu bezig zijn met de verdeling van de gezamenlijke woning. De vrouw voert verder aan dat zij bezig is om een eigen woning te zoeken en dat zij al hoog staat op de wachtlijst, maar dat zij pas een sociale huurwoning kan krijgen als de woning niet langer op haar naam staat. Zij verklaart dat [betrokkene 2] bezig is om een financiering te regelen om de woning over te nemen, maar dat dat even tijd kost omdat hij voor zichzelf werkt. Zij stelt spoedeisend belang te hebben bij haar vordering met betrekking tot nakomen van de zorgregeling, omdat zij [minderjarige] vanaf 23 juni al niet meer heeft gezien. Ook zou [minderjarige] de eerste drie weken van de schoolvakantie bij haar doorbrengen, van welke periode nu al een week voorbij is.
3.4.
De vader voert verweer. Hij verklaart dat hij [minderjarige] niet wil terugbrengen bij de moeder zolang zij nog inwoont bij [betrokkene 2]. Hij verklaart dat [betrokkene 2] zich volgens [minderjarige] al langer zowel fysiek als mentaal afreageert op [minderjarige]. De vader stelt dat het voor [minderjarige] onvoldoende veilig is om nu terug te gaan naar de moeder. Hij noemt het zorgelijk dat de moeder ontkent dat [betrokkene 2] [minderjarige] heeft geslagen. In reconventie vordert de vader dat het hoofdverblijf van [minderjarige] tijdelijk bij hem wordt vastgesteld, totdat in een nog aan te spannen bodemprocedure een definitieve beslissing is genomen over hoofdverblijf en zorgregeling, dan wel totdat uit een Raadsonderzoek blijkt dat [minderjarige] veilig is bij zijn moeder gedurende haar verblijf in de woning van [betrokkene 2], met vaststelling van een tijdelijke zorgregeling tussen [minderjarige] en de moeder.
Tenslotte vordert de vader vervangende toestemming om [minderjarige] in te schrijven op school [naam] te [plaats 3], waar [minderjarige] dan 24 augustus a.s. zou kunnen starten.
3.5.
De moeder voert verweer.
3.6.
Op de standpunten van partijen gaat de voorzieningenrechter voor zover relevant nader in.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
Spoedeisend belang
4.1.
Op grond van artikel 254 Rv Pro is de voorzieningenrechter in alle spoedeisende zaken, waarin gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd deze te geven. Omdat het hier gaat om een (verstoorde) zorgregeling, een eventuele wijziging van een hoofdverblijf en vervangende toestemming voor een schoolwijziging, hebben partijen een spoedeisend belang bij hun vorderingen.
4.2.
In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechter neemt een beslissing die zij in het belang van het kind wenselijk vindt. Alvorens te beslissen moet de rechter, op grond van artikel 1:253a lid 5 BW, een vergelijk tussen beide ouders beproeven.
4.3.
De moeder vordert afgifte van [minderjarige] vanaf 18 juli 2026 voor de duur van de zomervakantie en bepaling dat vanaf 17 augustus 2026 de vastgestelde zorgregeling weer wordt hervat. De vader vordert (tijdelijke) wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige], wijziging van de zorgregeling en vervangende toestemming om [minderjarige] op een school in te schrijven in de buurt van zijn woning.
4.4.
Nadat partijen tijdens de zitting het woord hebben gevoerd en de vragen van de voorzieningenrechter hebben beantwoord, heeft de heer Westerling namens de Raad voor de Kinderbescherming geadviseerd. Volgens de Raad moet het signaal dat [minderjarige] heeft afgegeven serieus worden genomen, ongeacht wat er precies is voorgevallen tussen hem en [betrokkene 2]. Het is volgens de Raad geen goed idee om [minderjarige] in de gegeven omstandigheden te laten terugkeren naar de (woning van de) moeder en [betrokkene 2]. Ofschoon [minderjarige] het fijn heeft bij oma (mz), is een langdurig verblijf daar zonder dat ook de moeder bij oma verblijft, niet het meest in het belang van [minderjarige]. Als de moeder inderdaad op korte termijn, bijvoorbeeld per 1 september a.s., een eigen woning heeft, zou [minderjarige] tijdelijk bij oma en opa kunnen verblijven en kan hij na de zomervakantie starten op zijn eigen school. Als echter blijkt dat het langer duurt voordat de moeder een eigen woning krijgt, zou het beter voor [minderjarige] zijn hem voorlopig bij zijn vader te laten verblijven in [plaats 3] en hem dan te laten starten op de school in [plaats 3]. Daarbij moet wel steeds het uitgangspunt zijn dat het tijdelijk is, totdat zijn moeder over een eigen woning beschikt en [minderjarige] weer bij haar kan gaan wonen en naar zijn oude school kan terugkeren. Als het bijvoorbeeld tot ongeveer de herfst- of de kerstvakantie duurt totdat de moeder een woning kan betrekken, kan de vakantie worden gebruikt als omslagmoment voor afscheid op de school in [plaats 3] en terugkeer naar de school in [plaats 1]. De Raad heeft verder benadrukt dat het erg belangrijk voor [minderjarige] is dat partijen met behulp van hulpverlening gaan werken aan hun communicatie.
4.5.
Partijen hebben tijdens een korte schorsing van de zitting met elkaar gesproken en in lijn met het advies van de Raadsmedewerker afspraken gemaakt. De afspraken luiden als volgt:
  • Op 15 juli 2026 om 13:00 uur brengt de vader [minderjarige] naar oma (mz). [minderjarige] blijft logeren bij oma tot 26 juli 2026. De dagelijkse zorg voor [minderjarige] rust in die periode bij de moeder. Moeder brengt [minderjarige] op 26 juli 2026 terug bij vader.
  • Van donderdag 6 augustus tot 9 augustus 2026 verblijft [minderjarige] bij moeder (oma), vader brengt hem naar oma en moeder brengt [minderjarige] terug naar vader.
  • Van donderdag 13 augustus tot 16 augustus 2026 is [minderjarige] bij moeder (oma), vader brengt hem naar oma. Vervolgens kunnen zich twee verschillende scenario’s voordoen:
Scenario 1
Als moeder (zoals zij nu verwacht) vóór of vanaf 1 september 2026 de beschikking krijgt over een eigen (huur)woning, blijft [minderjarige] vanaf 17 augustus 2026 tijdelijk bij oma logeren totdat moeder en haar kinderen de woning kunnen betrekken en gaat hij vanaf 17 augustus 2026 naar de school in [plaats 1].
 [minderjarige] is dan vervolgens het weekend van 21 augustus tot 23 augustus 2026 bij vader conform de lopende zorgregeling uit het vonnis van [geboortedatum] 2025. Vader haalt [minderjarige] op en brengt hem terug.
Scenario 2
Als het toch langer duurt voordat moeder de beschikking krijgt over een eigen woning (bijvoorbeeld tot rond de herfstvakantie of de kerstvakantie) verblijft [minderjarige] tijdelijk bij vader en gaat hij vanaf 24 augustus 2026 (tijdelijk) naar de school [naam] in [plaats 3].
Met school wordt gecommuniceerd dat het gaat om een tijdelijke plaatsing.
[minderjarige] is dan elk weekend bij moeder (oma). Vader brengt [minderjarige] elke vrijdagmiddag na school naar oma. Moeder brengt [minderjarige] op zondagavond om 18:00 uur (of op een ander tijdstip, als partijen dat samen afspreken) terug bij vader. In verband met de start op de nieuwe school, brengt moeder [minderjarige] op zondagmiddag 23 augustus 2026 eenmalig al om 14.00 uur naar vader.
Als de moeder na 1 september 2026 en vóór of tijdens de herfstvakantie een woning krijgt, wordt de herfstvakantie gebruikt als natuurlijk omslagmoment. [minderjarige] kan dan voor de vakantie afscheid nemen van zijn klasgenoten en na de vakantie terugkeren naar de school in [plaats 1]. Hetzelfde principe geldt als de moeder na de herfstvakantie en vóór of in de kerstvakantie een woning krijgt.
Om te kunnen bepalen welk scenario moet worden gevolgd, spreken partijen af dat de moeder uiterlijk op
woensdag 12 augustus 2026aan de vader laat weten of zij per 1 september 2026 een nieuwe (huur)woning heeft. Als de moeder per 1 september 2026 een (huur)woning heeft, legt zij ter onderbouwing daarvan aan de vader een bevestiging over van de woningbouwvereniging en/of de huurovereenkomst. Als de moeder dan nog geen woning toegewezen heeft gekregen, heeft de vader nog voldoende tijd om [minderjarige] aan te melden op de school in [plaats 3].
4.6.
De vordering van de vader om [minderjarige] tijdelijk te mogen laten inschrijven op zijn adres wordt afgewezen. Uitgangspunt is dat [minderjarige] op korte termijn teruggaat naar de moeder als zij over een eigen woning beschikt. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de school in [plaats 3] bereid is [minderjarige] tijdelijk in te schrijven op basis van dit vonnis.
4.7.
Gelet op de door partijen gemaakte afspraken behoeven de overige ingestelde vorderingen geen nadere inhoudelijke bespreking.
4.8.
De voorzieningenrechter complimenteert partijen ermee dat zij tijdens de zitting hebben laten zien het belang van [minderjarige] voorop te stellen bij het vormgeven van de afspraken. Zij gaat ervan uit dat partijen zich nu beide daadwerkelijk zullen aanmelden bij het CJG voor hulp bij de onderlinge communicatie en het vormgeven van het gezamenlijk ouderschap.
4.9.
De proceskosten worden gecompenseerd, wat betekent dat partijen allebei hun eigen kosten moeten dragen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter,
5.1.
stelt de zorgregeling tussen partijen en [minderjarige] vast conform de afspraken die partijen blijkens r.o. 4.5 hebben gemaakt, waarbij ofwel vanaf 17 augustus 2026 (scenario 1), ofwel vanaf het moment waarop [minderjarige] weer bij de moeder woont (scenario 2), de zorgregeling zoals deze is vastgesteld in het vonnis van de voorzieningenrechter van [geboortedatum] 2025 weer van kracht wordt,
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.3.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.J. Berkers en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.
1155