ECLI:NL:RBNHO:2026:9025

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
15-004376-26
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 57 SrArt. 302 SrArt. 350 SrArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging doodslag, veroordeling poging zwaar lichamelijk letsel en vernieling

Op 5 januari 2026 ontstond een ruzie tussen verdachte en zijn vader waarbij verdachte met een keukenmes zwaaide en zijn vader raakte. De rechtbank sprak verdachte vrij van poging doodslag en het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel vanwege onvoldoende bewijs van opzet en ernst van letsel.

Wel werd bewezen verklaard dat verdachte poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel pleegde door met het mes op het hoofd van zijn vader te snijden, en dat hij op 10 mei 2025 de voordeur van een woning beschadigde door er met zijn scooter tegenaan te rijden. Het beroep op noodweer werd verworpen vanwege wisselende en tegenstrijdige verklaringen.

De rechtbank hield rekening met de psychische gesteldheid van verdachte, waaronder een zorgmachtiging vanwege autisme en psychose, en de gespannen thuissituatie. De straf werd vastgesteld op twaalf weken gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding en een contact- en locatieverbod werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs en onduidelijkheid over de grondslag.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van poging doodslag, veroordeeld tot twaalf weken gevangenisstraf voor poging zwaar lichamelijk letsel en vernieling met aftrek van voorarrest.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15-004376-26 (P)
Uitspraakdatum: 14 juli 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 30 juni 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] ,
nu gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad (PPC).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. J.J. Prins en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. H. Polat, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
feit 1primairhij op of omstreeks 5 januari 2026 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] , van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in elk geval een voorwerp, in/op het hoofd/gezicht, althans in het lichaam, van die [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiairhij op of omstreeks 5 januari 2026 te Haarlem aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in elk geval een voorwerp, in/op het hoofd/gezicht, althans in het lichaam, van die [slachtoffer 1] te slaan en/of steken en/of snijden;
meer subsidiairhij op of omstreeks 5 januari 2026 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in elk geval een voorwerp, in/op het hoofd/gezicht, althans in het lichaam, van die [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2hij op of omstreeks 10 mei 2025 te Haarlem opzettelijk en wederrechtelijk een voordeur van een woning, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 2] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is van de zaak kennis te nemen, dat de officier van justitie ontvankelijk is en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder feit 1 primair (poging doodslag) en subsidiair (toebrengen zwaar lichamelijk letsel) ten laste gelegde moet worden vrijgesproken en dat de onder feit 1 meer subsidiair ten laste gelegde poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Ten aanzien van feit 2 (vernieling) heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de poging doodslag en van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Voor de onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel heeft de verdediging bepleit dat de verdachte een beroep op noodweer toekomt.
Ten aanzien van feit 2 (vernieling) heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Vrijspraak feit 1 primair en subsidiair
InleidingHet onder 1 ten laste gelegde houdt verband met een ruzie tussen de verdachte en zijn vader op 5 januari 2026, waarbij de verdachte met een keukenmes met een lemmet van ongeveer 15 centimeter heeft gezwaaid en zijn vader daarbij op het hoofd en de onderarm heeft geraakt.
Poging doodslag
Voor een poging tot doodslag is, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet op de dood van het slachtoffer vereist. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat de verdachte de bedoeling had om zijn vader om het leven te brengen
.Voor voorwaardelijk opzet is evenmin voldoende bewijs, omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn vader door zijn handelen zou komen te overlijden. De rechtbank kan namelijk niet vaststellen met hoeveel kracht de verdachte met het mes heeft gezwaaid of op welke manier hij dat deed. Ook zijn de steek-/snijwonden op het hoofd en op de onderarm van de vader oppervlakkig gebleken. Het letsel is binnen een week genezen en van blijvende littekens is niet gebleken.
Zware mishandeling
Voor een bewezenverklaring van zware mishandeling is vereist dat de vader zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Gelet op het hiervoor beschreven karakter van de verwondingen en het ontbreken van verdere gegevens over eventueel medisch ingrijpen, kan niet worden bewezen dat sprake was van (het toebrengen van) zwaar lichamelijk letsel.
Conclusie
De rechtbank acht dat wat de verdachte onder 1 primair en subsidiair ten laste is gelegd dus ook niet bewezen en zij zal de verdachte daarvan vrijspreken.
3.3.2.
Veroordeling feit 1 meer subsidiair
Poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel
De verdachte heeft verklaard met het keukenmes te hebben gezwaaid waarbij hij zijn vader op zijn onderarm en hoofd heeft geraakt. Omdat het hoofd een kwetsbaar onderdeel is van het lichaam, heeft de verdachte hiermee een groot risico genomen dat hij zijn vader ernstig letsel zou toebrengen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Omdat er, zoals hierboven uiteengezet, geen bewijs is dat de vader zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, is sprake van een poging.
3.3.3.
Veroordeling feit 2
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
Anders dan de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de vernieling wettig en overtuigend bewezen kan worden. De verdachte is viermaal met zijn scooter tegen de voordeur van de aangeefster aangereden. Weliswaar is de deur niet vernield, maar uit de bewijsmiddelen volgt dat de deur door het handelen van de verdachte wel is bekrast, zodat sprake is van het beschadigen van een goed dat aan een ander toebehoorde.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 meer subsidiair en onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat hij
feit 1 meer subsidiair
op 5 januari 2026 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes in het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2
op 10 mei 2025 te Haarlem opzettelijk en wederrechtelijk een voordeur van een woning die aan een ander, te weten aan [slachtoffer 2] , toebehoorde, heeft beschadigd.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 meer subsidiair:
poging tot zware mishandeling;
feit 2:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. De bewezenverklaarde feiten zijn dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

5.1.
Beroep op noodweer
Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging betoogd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij heeft gehandeld uit noodweer, aangezien sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanval door de vader waartegen de verdachte zich mocht verdedigen.
5.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweer niet kan slagen.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer en overweegt daarover het volgende.
Juridisch kader
Op grond van artikel 41 van Pro het Wetboek van Strafrecht kan een beroep op noodweer slagen als sprake is geweest van een verdediging van het eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. De verdediging moet hierbij noodzakelijk (subsidiariteitseis) en geboden (proportionaliteitseis) zijn geweest.
Voor de vaststelling van de feiten en omstandigheden waarop het beroep op noodweer steunt, geldt niet de maatstaf dat deze zich buiten redelijke twijfel moeten hebben voorgedaan. Voldoende is dat de gestelde toedracht, gelet op wat daarover is aangevoerd en het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden.
Feitelijke toedracht
Vast staat dat de verdachte en zijn vader ruzie hadden en dat de verdachte tijdens de confrontatie in zijn slaapkamer met het mes heeft gezwaaid en daarbij zijn vader heeft verwond. Waar het bij de beoordeling van het beroep op noodweer eerst om gaat, is of het handelen van de vader voorafgaand aan de verwonding een wederrechtelijke aanranding van de verdachte opleverde.
De rechtbank stelt vast dat verdachte over de toedracht wisselend heeft verklaard: bij de politie, bij de rechter-commissaris en op de zitting heeft hij telkens een ander beeld geschetst van de wijze waarop zijn vader hem zou hebben aangevallen. De verdachte heeft op de zitting bovendien uitdrukkelijk ontkend dat zijn vader hem heeft vastgepakt. De verklaring van de verdachte en de verklaring van de vader verschillen hiermee wezenlijk van elkaar. Volgens de vader greep hij juist naar de arm van de verdachte om hem, vanwege zorgen over zijn psychische gezondheid, mee te nemen naar een arts, waarna de verdachte zijn arm wegtrok en het letsel ontstond.
Geen noodweersituatie
Bij gebrek aan ander bewijs over wat zich op dat moment heeft afgespeeld, maken deze wisselende verklaringen dat niet kan worden vastgesteld wat er precies is gebeurd. Het is daarom niet aannemelijk geworden dat kort voordat de verdachte zwaaide met het mes, sprake was van een wederrechtelijke aanranding.
Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf weken met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om bij strafoplegging rekening te houden met het feit dat de verdachte mogelijk onder invloed van een psychose handelde en een blanco strafblad heeft. Er is een civielrechtelijke zorgmachtiging afgegeven voor ambulante behandeling. Een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou dan disproportioneel zijn en de stabilisatie en ambulante behandeling van de verdachte ernstig verstoren.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en met de persoon van de verdachte, zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
De verdachte is betrokken geraakt in een ruzie met zijn vader die is geëscaleerd tot een fysieke confrontatie. De verdachte heeft daarbij een keukenmes met een lemmet van ongeveer 15 centimeter gepakt en daarmee in de richting van het hoofd van zijn vader gezwaaid, waardoor deze op zijn hoofd en onderarm is geraakt. Door zo te handelen heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn vader en bovendien voor gevoelens van angst en onveiligheid binnen het gezin gezorgd.
Daarnaast heeft de verdachte de voordeur van een woning beschadigd door daar met zijn scooter tegenaan te rijden. Hiermee heeft hij schade en overlast bij een derde veroorzaakt.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de context waarin het onder 1 bewezenverklaarde feit zich heeft afgespeeld. Gebleken is dat al langere tijd sprake was van een gespannen thuissituatie, waarbij de familie van de verdachte zich zorgen maakte over zijn psychische gesteldheid. De verdachte zou vaker verward gedrag vertonen en geen hulp daarvoor accepteren. De vader van de verdachte heeft geen aangifte gedaan, maar de politie ingeschakeld om hulp te krijgen voor zijn zoon. Deze hulp is inmiddels ingezet. Aan de verdachte is vanwege diens autisme en psychotische kwetsbaarheid bij beschikking van 11 mei 2026 een zorgmachtiging opgelegd die onder meer inhoudt dat de verdachte medicatie toegediend zal krijgen en ambulant zal worden begeleid met de mogelijkheid van gedwongen opname indien de verdachte psychisch ontregelt. De reclassering adviseert bij dit kader om geen bijzondere voorwaarden op te leggen.
De rechtbank houdt er voorts rekening mee dat de verdachte de afgelopen vijf jaar niet met politie en justitie in aanraking is geweest en niet eerder is veroordeeld voor een geweldsfeit.
Strafmaat
Gelet op de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.

7.Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 700,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit € 200,- materiële schade en € 500,- immateriële schade. De benadeelde partij heeft voorts verzocht om een contact- en locatieverbod.
Standpunten van de officier van justitie en de verdediging
De officier van justitie verzoekt de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering en ziet geen reden voor een contact- en locatieverbod.
De raadsman van de verdachte stelt zich op hetzelfde standpunt als de officier van justitie.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering om die hieronder gegeven redenen. De rechtbank ziet voorts geen aanleiding om een contact- en locatieverbod op te leggen.
Materiële kosten
De benadeelde partij verzoekt een bedrag van € 200,- voor de reparatie van het slot van de voordeur. Uit de aangifte en het dossier is onvoldoende gebleken dat het slot beschadigd is geraakt door het bewezenverklaarde feit. Er bestaat dan ook onvoldoende verband tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de gevorderde schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks deze schade heeft geleden.
Immateriële kosten
De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij is gebaseerd op artikel 6:106 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek. Vergoeding van immateriële schade op grond van deze bepaling is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer of goede naam of 'op andere wijze' in zijn persoon is aangetast.
De benadeelde partij heeft niet aangetoond dat zich een van deze situaties heeft voorgedaan.
De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om de (grondslag van de) vordering alsnog te onderbouwen, omdat dat leidt tot een onevenredige belasting van deze strafprocedure.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 45, 57, 302, 350 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4 vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
twaalf (12) weken.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. N. Ćulafić, voorzitter,
mr. C.H. de Jonge van Ellemeet en mr. H. Bakker, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.D.C. Schoenmaker,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 juli 2026.