ECLI:NL:RBNHO:2026:9030

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
15/333145-22
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6 EVRMArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na drugsinvoer en medeplegen cocaïnehandel

De rechtbank Noord-Holland heeft op 16 juli 2026 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen een veroordeelde die eerder is veroordeeld voor het medeplegen van invoer van cocaïne in meerdere transporten in 2020 en 2021.

De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van bewezenverklaarde feiten en andere strafbare feiten waarvoor voldoende aanwijzingen bestonden. De rechtbank stelde het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €8.570.095,29 na aftrek van kosten en toepassing van een verdeelsleutel vanwege mededaders.

De berekening van het voordeel was gebaseerd op vijf drugstransporten, waarbij de opbrengsten en kosten per transport werden vastgesteld aan de hand van chatberichten, ontnemingsrapportage en andere bewijsmiddelen. De rechtbank wees verzoeken van de verdediging om nader onderzoek naar Sky ECC-berichten af wegens oneigenlijk gebruik van procesrecht.

De rechtbank concludeerde dat de veroordeelde voldoende voordeel had genoten en dat de betalingsverplichting opgelegd kon worden zonder dat de redelijke termijn was overschreden. De vordering werd voor het overige afgewezen en de duur van gijzeling werd vastgesteld op maximaal 1080 dagen.

Uitkomst: De rechtbank legt ontneming op van €8.570.095,29 aan wederrechtelijk verkregen voordeel aan de veroordeelde.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/333145-22 (ontneming) (P)
Uitspraakdatum : 16 juli 2026
Vonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
Deze beslissing heeft betrekking op de vordering van de officier van justitie d.d. 12 december 2025ten aanzien van de feiten in de zaak onder bovenstaand parketnummer, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de zaak tegen:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats],
thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting te Sittard,
hierna: de veroordeelde.

1.De vordering

De officier van justitie heeft bij vordering van 12 december 2025 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid Sr zal vaststellen op
€ 17.080.250,87en dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De officier van justitie baseert de vordering op de strafbare feiten waarvoor de veroordeelde bij vonnis van 2 februari 2026 van deze rechtbank is veroordeeld en op andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan (artikel 36e, tweede lid, Sr).

2.Het verloop van de procedure

De officier van justitie heeft bovengenoemde vordering aanhangig gemaakt met de oproeping van de veroordeelde om te verschijnen op de terechtzitting van deze rechtbank op 19 januari 2026. Dit betrof de inhoudelijke behandeling van de zaak met gelijktijdig de behandeling van de vordering tot ontneming.
Ter terechtzitting van 19 januari 2026 zijn gehoord de veroordeelde, zijn raadslieden mr. R.D.A van Boom, advocaat te Utrecht en mr. C.C. Polat, advocaat te Breukelen en de officieren van justitie. De rechtbank heeft de behandeling van de vordering tot ontneming aangehouden voor onbepaalde tijd en ook termijnen bepaald voor de schriftelijke voorbereiding van de ontnemingszaak.
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder het met deze vordering samenhangende strafdossier, het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel en de in het kader van de schriftelijke voorbereiding tussen de officieren van justitie en de raadslieden van de veroordeelde gewisselde conclusies.
De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 11 juni 2026. Daarbij zijn gehoord de veroordeelde, zijn raadslieden en de officieren van justitie.
Vervolgens is het onderzoek gesloten en is de uitspraak bepaald op 16 juli 2026.

3.Standpunt van partijen

3.1
Het standpunt van de officieren van justitie
De officieren van justitie hebben ter terechtzitting de vordering voorgedragen en gepersisteerd bij de vordering.
3.2
Het standpunt van veroordeelde en zijn raadslieden
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden bepaald op maximaal € 597.642,80. Alleen de drugstransporten van 17 augustus 2020 en 7 september 2020, die als feiten 1 en 2 zijn bewezen verklaard in de strafzaak, kunnen ten grondslag liggen aan de ontneming. Slechts een deel van de cocaïne van deze transporten, namelijk 40 kilogram in totaal, komt aan de veroordeelde toe. Alleen van dit gewicht aan cocaïne heeft de veroordeelde voordeel genoten.

4.Voorwaardelijke verzoeken

De verdediging heeft onderzoekswensen ingediend waarop zij alleen een beslissing verlangt als de rechtbank het daadwerkelijk genoten wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde baseert op de invoer van in totaal meer dan 40 kilogram cocaïne. In dat geval wenst de verdediging onderzoek te doen verrichten naar de rechtmatigheid van de verkrijging van de Sky ECC-berichten die zijn opgenomen in het dossier, alsmede naar de betrouwbaarheid van die berichten.
De rechtbank stelt vast dat aan de verzoeken van de verdediging een voorwaarde is verbonden die ziet op een bepaalde hoeveelheid cocaïne die de veroordeelde zou hebben ingevoerd. De rechtbank stelt vast dat de verzoeken zijn gedaan met het oog op een nog te voeren rechtmatigheidsverweer. Niet valt in te zien waarom een dergelijk rechtmatigheidsverweer in de onderhavige ontnemingszaak uitsluitend aan de orde zouden moeten komen in het geval de verdachte voordeel zou hebben genoten uit de opbrengst van meer dan 40 kilogram cocaïne. Het bewijs en/of de aanwijzingen dat de veroordeelde voordeel heeft genoten uit bepaalde drugstransporten is immers ook voor een hoeveelheid tot 40 kilogram in overwegende mate gebaseerd op Sky ECC-chats die in het procesdossier aan de veroordeelde worden toegeschreven. De verzoeken om nader onderzoek te doen naar de rechtmatigheid en betrouwbaarheid van de berichten, en de al dan niet daaruit voortvloeiende, thans nog onbekende concrete verweren zouden naar het oordeel van de rechtbank voor de eerste 40 kilogram niet anders moeten luiden dan voor een grotere hoeveelheid. De verzoeken bevatten daarmee een innerlijke tegenstrijdigheid. Mede gelet op de omstandigheid dat de voorwaardelijke verzoeken in de conclusie van antwoord uitsluitend worden omschreven met een verwijzing naar voorwaardelijke verzoeken die in de strafzaak zijn gedaan terzake van aan de veroordeelde ten laste gelegde feiten waarvoor hij is vrijgesproken, acht de rechtbank de gedane voorwaardelijke verzoeken een oneigenlijk gebruik van procesrecht en daarmee in strijd met de goede procesorde. De rechtbank gaat daarom niet inhoudelijk op deze verzoeken in.
5. De gronden voor de schatting van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel
5.1
Grondslag van de vordering
Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar de vordering verwijst en de ter zitting door de officieren van justitie gegeven toelichting, stelt de rechtbank vast dat de vordering is gebaseerd op artikel 36e, tweede lid, Sr.
Op grond hiervan kan aan de veroordeelde de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, verkregen door middel van of uit de baten van een door hem gepleegd strafbaar feit en door andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.
Bij vonnis van deze rechtbank van 2 februari 2026 is de veroordeelde veroordeeld voor, kort gezegd, het meermalen tezamen en in vereniging met een of meer anderen invoeren van cocaïne. De bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd op 17 augustus 2020, 7 september 2020 en 10 februari 2021.
5.2
De ontnemingsrapportage
Op 7 februari 2024 heeft de financieel opsporingsambtenaar 999135, afgeschermd rechercheur werkzaam te Badhoevedorp, een rapport opgesteld over het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit rapport zal hierna worden aangeduid als de ontnemingsrapportage. [1] De daarin opgenomen wettige bewijsmiddelen dienen tot bewijs in deze ontnemingszaak.
Bij de ontnemingsrapportage zijn diverse bijlagen gevoegd, ontleend aan het dossier met betrekking tot de onderliggende strafzaak tegen de veroordeelde. De rechtbank heeft bovendien de beschikking gehad over het volledige dossier van de strafzaak.
5.3
De beoordeling
5.3.1
De transporten
Gelet op de bewezenverklaring in de strafzaak, stelt de rechtbank vast dat de veroordeelde, samen met een of meer anderen, betrokken is geweest bij drie drugstransporten. De invoer van cocaïne op 10 februari 2021 heeft niet geleid tot een opbrengst voor de veroordeelde omdat de partij cocaïne op de luchthaven Maastricht in beslag is genomen. Voor de berekening van het door de veroordeelde genoten wederrechtelijk voordeel gaat de rechtbank daarom uit van de in de strafzaak bewezenverklaarde transporten op 17 augustus 2020 en 7 september 2020.
De officieren van justitie hebben betoogd dat er voldoende aanwijzingen zijn dat de veroordeelde zich ook op 2 maart 2020, 25 juni 2020 en 3 augustus 2020 aan het medeplegen van de invoer van cocaïne heeft schuldig gemaakt. De rechtbank moet daarom de vraag beantwoorden of buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de veroordeelde ook bij deze transporten betrokken is geweest. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en neemt daarbij allereerst in aanmerking dat de veroordeelde in de strafzaak heeft bekend de gebruiker te zijn geweest van de Sky ECC-accounts 4INEP0, K7NMIL, 418C4F, 7E0PED en 3FC4K4.
Invoer 2 maart 2020
Op 22 februari 2020 heeft de veroordeelde als gebruiker van het Sky ECC-account 418C4F afbeeldingen verstuurd van vermoedelijke cocaïneblokken met het merkteken ‘KUTY’, verpakt in koffers. Uit berichten van 29 februari 2020 blijkt dat het om drie koffers met in totaal 56 kilo vermoedelijke cocaïne ging. Op 1 maart 2020 wordt door de veroordeelde gedeeld dat deze koffers zijn ingeladen in een vliegtuig met bestemming luchthaven Zaventem in België. Op 2 maart 2020 meldt de veroordeelde dat het vliegtuig is geland, waarna een derde afbeeldingen deelt van de koffers en hun inhoud. Tevens bevestigt de veroordeelde op 4 augustus 2020 in een andere chat dat hij een partij naar België heeft verstuurd.
De rechtbank stelt op basis van deze feiten en omstandigheden vast dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van de invoer van cocaïne op 2 maart 2020.
Invoer 25 juni 2020
Op 24 en 25 juni 2020 heeft de veroordeelde als gebruiker van het Sky ECC-account 418C4F met een ander berichten uitgewisseld waaruit blijkt dat hij een partij vermoedelijke cocaïne per vliegtuig naar Nederland heeft ingevoerd. Hij stuurde afbeeldingen van de verpakking van de cocaïne in dozen, het inladen en plaatsen van deze dozen in het vliegtuig, evenals de vluchtroute. Ook gaf hij aan die ander op de hoogte te zullen houden over de aankomsttijd in Amsterdam. Kort daarna, op 29 juni en 3 juli 2020, vroeg de veroordeelde naar de verkoopprijs in Amsterdam. Verder gaf hij aan dat hij enkele dagen eerder een partij voor een lagere prijs had verkocht. Gelet op de data van de verstuurde berichten en de inhoud daarvan, gaat de rechtbank er van uit dat de invoer geslaagd is en de partij verkocht.
De rechtbank stelt op basis van deze feiten en omstandigheden vast dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van de invoer van cocaïne op 25 juni 2020.
Invoer 3 augustus 2020
Op 3 augustus 2020 heeft de veroordeelde als gebruiker van het Sky ECC-account 418C4F een afbeelding gestuurd waarop 300 blokken vermoedelijke cocaïne, samen met de voorpagina van dagblad De Telegraaf en een vel papier met de handgeschreven tekst ‘Barba 3-08-2020’ te zien zijn. Uit het dossier en het rapport volgt dat ‘Barba’ het merkteken van de veroordeelde is en dat bij meerdere invoeren waarbij hij betrokken was, dezelfde werkwijze is gehanteerd. Op 4 augustus 2020 meldt de veroordeelde in een chatbericht dat hij de partij heeft verkocht voor € 31.000,- per kilogram. Gezien het korte tijdsbestek tussen de berichten en de inhoud daarvan, stelt de rechtbank vast dat de invoer succesvol is geweest en dat de partij verkocht is.
De rechtbank stelt op basis van deze feiten en omstandigheden vast dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van de invoer van cocaïne op 3 augustus 2020.
5.3.2
De schatting van de wederrechtelijk verkregen opbrengst
De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet, mede gelet op het reparatoire karakter van de maatregel als bedoeld in artikel 36e Sr (het herstel in de rechtmatige toestand), betrekking hebben op het voordeel dat de veroordeelde in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de veroordeelde wegens de hiervoor genoemde strafbare feiten een wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
De rechtbank ontleent de schatting van het voordeel dat de veroordeelde uit de onder 5.3.1 genoemde drugstransporten heeft verkregen aan de hiervoor genoemde ontnemingsrapportage (pagina’s 217 tot en met 261). Hieronder wordt de door de rechtbank gehanteerde berekening uiteengezet.
Invoer 17 augustus 2020
De rechtbank heeft in de hoofdzaak onder feit 1 bewezen verklaard dat de veroordeelde zich op 17 augustus 2020 samen met een of meer anderen schuldig heeft gemaakt aan de invoer van 300 kilogram cocaïne in Nederland.
Uit de op 17 augustus 2020 verstuurde berichten van het Sky ECC-account 4INEP0 blijkt dat van die partij van 300 kilogram cocaïne, 180 kilogram is verkocht voor € 33.000,00 per kilogram. Uit een bericht dat de veroordeelde op dezelfde dag heeft verstuurd, blijkt dat hij een prijs van € 32.500,- per kilogram voorstelt. De rechtbank acht het, in lijn met de ontnemingsrapportage, aannemelijk dat dit betekent dat de veroordeelde de overige 120 kilogram cocaïne heeft verkocht met een verkoopprijs van € 32.500,- per kilogram.
De opbrengst van de invoer van 17 augustus 2020 wordt daarmee geschat op:
180 x € 33.000,- = € 5.940.000,-
120 x € 32.500,- = € 3.900.000,-
Totaal:
€ 9.840.000,-
Invoer 7 september 2020
De rechtbank heeft in de hoofdzaak onder feit 2 bewezen verklaard dat de veroordeelde zich op 7 september 2020 samen met een of meer anderen schuldig heeft gemaakt aan de invoer van 300 kilogram cocaïne in Nederland.
Uit het chatbericht verstuurd via een ander (de gebruiker van Sky ECC-account A28E0F), volgt dat de partij van 300 kilogram is verstuurd in vijf dozen. Hieruit volgt logischerwijs dat iedere doos 60 kilogram cocaïne bevatte. Uit chatberichten die de veroordeelde op 7 september 2020 heeft uitgewisseld via het Sky ECC-account 4INEP0, volgt dat wordt gevraagd of de partij naar Rotterdam kan worden gebracht. De gebruiker van Sky ECC-account A28E0F geeft vervolgens aan dat hij vier dozen, ook wel 240 kilogram, heeft gebracht. Deze hoeveelheid zal de rechtbank ook aanhouden in de berekening van het voordeel.
Uit de chatberichten op 7 september 2020 van het Sky ECC-account 4INEP0 komen verschillende verkoopprijzen naar voren. Zo is in een chat met 8A05E4 verstuurd:
‘Ja sam sada prodao na 33’(de rechtbank begrijpt: ik heb het verkocht voor 33) en
‘32500’.In de chat met 6DCA1A is verstuurd:
‘Kijk bro ik ga je voor 32500 geven ok bro’en
‘Bro walah ik heb ze voor 33 weg gedaan bro’.De rechtbank bepaalt op basis van deze chatberichten de verkoopprijs op € 32.500,- per kilogram.
De opbrengst van de invoer van 7 september wordt daarmee geschat op:
240 x € 32.500,- =
€ 7.800.000,-
Invoer 2 maart 2020
De rechtbank heeft onder 5.3.1 vastgesteld dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de invoer van cocaïne op 2 maart 2020.
De rechtbank stelt vast dat uit chatberichten in het dossier rondom de invoer van 2 maart 2020 volgt dat er 56 blokken cocaïne zijn ingevoerd, maar dat er geen aanwijzingen over verkoopprijzen naar voren komen. Uit chatberichten, verstuurd circa vier weken later via het Sky ECC-account 418C4F van de veroordeelde, volgt dat de prijs toen € 27.000,- per kilogram bedroeg. Conform de ontnemingsrapportage acht de rechtbank het aannemelijk dat de verkoopprijs van de partij van 2 maart 2020 € 27.000,- per kilogram bedroeg. Verder volgt uit chatberichten dat het aannemelijk is dat bij de afhandeling van de invoer 8 kilogram is ‘geript’ (gestolen) en dat de veroordeelde over deze 8 kilogram geen voordeel heeft genoten. Dit gewicht wordt daarom in mindering gebracht op het totaalgewicht.
De opbrengst van de invoer van 2 maart 2020 wordt daarmee geschat op:
48 x € 27.000,- =
€ 1.296.000,-
Invoer 25 juni 2020
De rechtbank heeft onder 5.3.1 vastgesteld dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van de invoer van cocaïne op 25 juni 2020.
Uit chatberichten van de gebruiker van het Sky ECC-account 418CAF volgt dat het transport zag op 105 kilogram. Ook volgt uit deze berichten dat de veroordeelde op zowel 29 juni als op 3 juli 2020 vraagt naar de prijs van één kilogram cocaïne in Amsterdam. Vervolgens wordt het volgende bericht verzonden:
‘Fak man 2 dagen geleden heb ik voor 26500 we gedan’.Aan de hand van deze chatberichten acht de rechtbank, in lijn met de ontnemingsrapportage, aannemelijk dat de veroordeelde € 26.500,- heeft gekregen per kilogram cocaïne.
De opbrengst van de invoer van 25 juni 2020 wordt daarmee geschat op:
105 x € 26.500,- =
€ 2.782.500,-
Invoer 3 augustus 2020
De rechtbank heeft onder 5.3.1 vastgesteld dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van de invoer van cocaïne op 3 augustus 2020.
Op 4 augustus 2020 is via het SKY-account 418C4F verstuurd:
‘Heb 300 weg gedaan voor 31’. In lijn met de ontnemingsrapportage gaat de rechtbank er van uit dat de veroordeelde een partij van 300 kilogram cocaïne heeft verkocht voor de prijs van € 31.000,- per kilogram.
De opbrengst van de invoer van 3 augustus 2020 wordt daarmee geschat op:
300 x € 31.000,- =
€ 9.300.000,-
Gelet op het voorgaande schat de rechtbank de totale wederrechtelijke opbrengst van de voornoemde bewezenverklaarde feiten en andere strafbare feiten op (€ 9.840.000,- + € 7.800.000,- + € 1.296.000,- + € 2.782.500,- + € 9.300.000,-) =
€ 31.018.500,-.
5.3.3
Voor aftrek in aanmerking komende kosten
Invoer 17 augustus 2020
Uit de ontnemingsrapportage volgt dat er geen chatberichten zijn aangetroffen die zien op de inkoopprijs van de partij van 300 kilogram cocaïne die op 17 augustus 2020 is ingevoerd. De inkoopprijs is wel bekend voor de invoer van 7 september 2020. Volgens de ontnemingsrapportage vertonen die partij en de partij van 17 augustus 2020 sterke overeenkomsten wat betreft hoeveelheid, verpakkingswijze, vervoerswijze, bestemming en mogelijke herkomst. Bovendien vonden beide invoermomenten binnen een tijdsbestek van drie weken plaats. De rechtbank acht het daarom, in lijn met de ontnemingsrapportage, aannemelijk dat de inkoopprijs van de partij van 17 augustus 2020, net als die van 7 september 2020, € 8.571,43 per kilogram bedraagt. Deze kosten omvatten naast de inkoop ook het transport.
Er zijn geen chatberichten aangetroffen over de kosten voor de afhandeling rondom de invoer. In chatberichten die ná de invoer zijn verstuurd, bevestigt de veroordeelde op 9 februari 2021 via Sky ECC-account K7NML dat hij altijd 15% afhandelingskosten betaalt over 300 kilogram. De rechtbank bepaalt de kosten voor het uithalen en afhandelen daarom op 15% per kilogram.
De totale kosten voor de invoer van 17 augustus 2020 bedragen daarmee:
Inkoopkosten 300 kilogram cocaïne (300 x € 8.571,43) € 2.571.429,-
Kosten voor uithalen/afhandelen (15% x 180 x € 33.000,-) € 891.000,-
Kosten voor uithalen/afhandelen (15% x 120 x € 32.500,-) € 585.000,-
Totale kosten € 4.047.429,-
Invoer 7 september 2020
Uit de ontnemingsrapportage blijkt dat uit een onderzoek genaamd 27Ambania naar voren is gekomen dat per kilogram cocaïne € 8.571,43 is betaald voor de inkoop en het transport naar Nederland. Deze prijzen gaan over een partij van 60 kilogram cocaïne, die onderdeel uitmaakte van de totaal ingevoerde 300 kilogram cocaïne op 7 september 2020. Omdat dit één geheel vormde, stelt de rechtbank de inkoopprijs inclusief transport op € 8.571,43 per kilogram.
Zoals eerder is besproken bij de vaststelling van de wederrechtelijk verkregen opbrengst van deze invoer, is door een derde (A28E0F) 240 kilogram cocaïne naar Rotterdam gebracht. Uit chatberichten blijkt dat deze derde dit heeft gedaan voor € 50,- per kilogram. Er zijn geen chatberichten aangetroffen over de kosten voor de afhandeling rondom de invoer. In chatberichten die ná de invoer zijn verstuurd, bevestigt de veroordeelde op 9 februari 2021 via het Sky ECC-account K7NML dat hij altijd 15% afhandelingskosten betaalt over 300 kilogram. De rechtbank stelt de kosten voor het uithalen en afhandelen daarom op 15% per kilogram.
De totale kosten voor de invoer van 17 augustus 2020 bedragen daarmee:
Inkoopkosten 240 kilogram cocaïne (240 x € 8.571,43) € 2.057.143,20
Kosten voor uithalen/afhandelen (15% x 240 x € 32.500,-) € 1.170.000,-
Transportkosten naar Rotterdam (240 x € 50,-) € 12.000,-
Totale kosten € 3.239.143,20
Invoer 2 maart 2020
Uit chatberichten van 13 maart 2020, verzonden via het Sky ECC-account 418C4F aan een derde (91GF5O) na de invoer van 56 kilogram cocaïne via luchthaven Zaventem, volgt dat de inkoopprijs per kilogram cocaïne $ 8.300,- bedraagt, met daarnaast $ 200,- aan extra kosten en $ 3.000,- voor de opzet. Het gaat om prijzen in de Dominicaanse Republiek, vermoedelijk in Amerikaanse dollars. Op basis van de gemiddelde wisselkoers in maart 2020 van $ 1,1063 per euro wordt de kiloprijs inclusief verzending door de rechtbank bepaald op € 10.395,01. Daarnaast blijkt uit een chat van 29 februari 2020 dat voor de inspanningen van de uithalers en afhandelaars 25% betaald moet worden. Hoewel vermoedelijk 8 kilogram ‘geript’ is, heeft de veroordeelde waarschijnlijk wel de kosten voor deze 8 kilogram gedragen. Daarom wordt de volledige 56 kilogram bij de kosten betrokken.
De totale kosten voor de invoer van 2 maart 2020 bedragen daarmee:
Inkoopkosten 56 kilo cocaïne (56 x € 10.395,01) € 582.120,56
Kosten voor uithalen/afhandelen (25% x 56 x € 27.000,-) € 378.000,-
Totale kosten € 960.120,56
Invoer 25 juni 2020
Uit de ontnemingsrapportage volgt dat er geen chatberichten zijn aangetroffen die betrekking hebben op de inkoopprijs en transportkosten van de invoer op 25 juni 2020. Uit chatberichten over de invoer van 7 september 2020, die sterk overeenkomt qua verpakkingswijze, vervoerswijze, bestemming en mogelijke herkomst, blijkt dat de prijs voor inkoop en transport toen € 8.571,43 per kilogram bedroeg. De rechtbank gaat daarom ook voor de invoer van 25 juni 2020 uit van een prijs van € 8.571,43 per kilogram.
Uit chatberichten van 19 juni 2020 via het Sky ECC-account 418C4F volgt dat voor de inspanningen van de medewerkers op Schiphol een vergoeding van 27,5% betaald moet worden. De rechtbank acht het aannemelijk dat de veroordeelde voor de invoer van 25 juni 2020 deze afhandelingskosten van 27,5% heeft betaald.
De totale kosten voor de invoer van 25 juni 2020 bedragen daarmee:
Inkoopkosten 105 kilogram cocaïne (105 x € 8.571,43) € 900.000,15
Kosten voor uithalen/afhandelen (27,5% x 105 x € 26.500,-) € 765.187,50
Totale kosten € 1.665.187,65
Invoer 3 augustus 2020
Uit de ontnemingsrapportage volgt dat er geen chatberichten zijn gevonden die betrekking hebben op de inkoopprijs en transportkosten van de invoer op 3 augustus 2020. Uit chatberichten over de invoer van 7 september 2020, die sterk overeenkomt qua verpakkingswijze, vervoerswijze, bestemming en mogelijke herkomst, blijkt dat toen de prijs voor inkoop en transport € 8.571,43 per kilogram bedroeg. Bovendien vonden beide invoermomenten binnen een tijdsbestek van vijf weken plaats. De rechtbank gaat daarom ook voor de invoer van 25 juni 2020 uit van een prijs van € 8.571,43 per kilogram.
Er zijn geen chatberichten aangetroffen die zien op de kosten voor de afhandeling rondom de invoer. In chatberichten die ná de invoer zijn verstuurd, bevestigt de veroordeelde op 9 februari 2021 via het Sky ECC-account K7NML dat hij altijd 15% afhandelingskosten betaalt over 300 kilogram. De rechtbank stelt de kosten voor het uithalen en afhandelen daarom op 15% per kilogram.
De totale kosten voor de invoer van 3 augustus 2020 bedragen daarmee:
Inkoopkosten 300 kilogram cocaïne (300 x € 8.571,43) € 2.571.429,-
Kosten voor uithalen/afhandelen (15% x 300 x € 31.000,-) € 1.395.000,-
Totale kosten € 3.966.429,-
Gelet op het voorgaande bedragen de totale in mindering te brengen kosten (€ 4.047.429,- + € 3.239.143,20 + € 960.120,56 + € 1.665.187,65 + € 3.966.429,- =)
€ 13.878.309,41.
5.3.4
Verdeelsleutel
Uit de chatberichten rondom de invoer van 2 maart 2020 valt expliciet op te maken dat de partij van 56 kilogram cocaïne niet uitsluitend aan de veroordeelde toebehoorde, maar ook aan een derde (GBM6G4). Omdat niet is vastgesteld in welke verhouding de eigendom of investering verdeeld was, gaat de rechtbank uit van een gelijke verdeling tussen de veroordeelde en de derde. De rechtbank schat het wederrechtelijk verkregen voordeel dat de veroordeelde heeft genoten als resultaat van het transport op 2 maart 2020 dan ook op de helft van het totale voordeel van dit transport.
De rechtbank is van oordeel dat, anders dan aangenomen in de ontnemingsrapportage en de daarop gebaseerde vordering van de officieren van justitie, ook ten aanzien van de overige vier transporten voldoende aanwijzingen bestaan dat er sprake is geweest van op zijn minst één andere betrokkene die deelde in de kosten en de opbrengsten. De rechtbank acht dit voldoende reden om aan te nemen dat de veroordeelde het voordeel van deze transporten heeft gedeeld. Voor wat betreft de overige vier transporten valt aan het dossier en het verhandelde ter terechtzitting geen indicatie te ontlenen voor de verdeling van het behaalde voordeel onder de veroordeelde en zijn mededader(s). De veroordeelde heeft hier zelf geen inzicht in gegeven en er zijn geen concrete aanknopingspunten voorhanden voor een andere verdeelsleutel dan die op basis van een gelijke verdeling. De rechtbank zal daarom het wederrechtelijk verkregen voordeel bij deze transporten pondspondsgewijs toerekenen.
De rechtbank zal gelet op het vorenstaande het door de veroordeelde te betalen bedrag vaststellen op:
Totale opbrengst € 31.018.500,-
Totale kosten - € 13.878.309,41
Verdeelsleutel / 2
Door de veroordeelde genoten wederrechtelijk voordeel
€ 8.570.095,29

6.Conclusie

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de maatregel ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel moet worden opgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat de veroordeelde nu en in de toekomst over onvoldoende financiële draagkracht zal beschikken om aan een hem op te leggen betalingsverplichting te voldoen.
Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden, op grond waarvan het door de veroordeelde te betalen bedrag lager zou moeten worden vastgesteld dan op het bedrag van het geschatte voordeel.
Redelijke termijn
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere veroordeelde is gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen.
Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval de redelijke termijn aangevangen op het moment dat het exploot van de deurwaarder van het conservatoir beslag in persoon aan de veroordeelde is betekend. Dit was op 15 augustus 2024. Dit conservatoir beslag zag immers op de bewaring van het recht van verhaal met betrekking tot de ontnemingsvordering.
De rechtbank doet uitspraak op 16 juli 2026, wat maakt dat de redelijke termijn in de ontnemingsprocedure niet is overschreden.
Conclusie
De rechtbank zal gelet op het vorenstaande het door de veroordeelde te betalen bedrag vaststellen op
€ 8.570.095,29.

7.Toepasselijke wettelijke bepaling

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

8.Beslissing

De rechtbank:
Stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, vast op
€ 8.570.095,29 (acht miljoen vijfhonderdzeventigduizend vijfennegentig euro en negenentwintig eurocent).
Legt aan [veroordeelde] op de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van
€ 8.570.095,29 (acht miljoen vijfhonderdzeventigduizend vijfennegentig euro en negenentwintig eurocent),ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel.
Wijst de vordering voor het overige af.
Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.C. van den Bos, voorzitter,
mr. G.D. Kleijne en mr. J.F. van Halderen, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffiers mr. R.M. Beekhuizen en mr. M.T. Sluis,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 juli 2026.

Voetnoten

1.Dit proces-verbaal is in de wettelijke vorm opgemaakt door een persoon die daartoe bevoegd is en voldoet ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.