ECLI:NL:RBNHO:2026:907

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
15/158696-25
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 77a SrArt. 77g SrArt. 77m SrArt. 77n SrArt. 77x Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugdstrafzaak afpersing met nepvuurwapen in vereniging te Zaandam

Op 21 mei 2025 heeft de verdachte samen met een ander een afpersing gepleegd te Zaandam waarbij onder bedreiging met een nepvuurwapen de jas en tas van het slachtoffer werden afgenomen. De rechtbank achtte het bewezen dat de verdachte het nepwapen aan het slachtoffer heeft getoond en veroordeelde hem voor afpersing in vereniging.

De rechtbank nam bij de strafoplegging de ernst van het feit, de kwetsbaarheid van de verdachte door een licht verstandelijke beperking en zijn persoonlijke omstandigheden mee. De verdachte kreeg een taakstraf opgelegd bestaande uit een leerstraf So-Cool Regulier van 40 uur en een werkstraf van 20 uur, waarvan een deel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank vond jeugddetentie niet passend.

Daarnaast werd het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven. De verdachte moet zich melden bij de jeugdreclassering en meewerken aan begeleiding en toezicht. De opgelegde straffen moeten binnen negen maanden na onherroepelijkheid worden voltooid.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot taakstraf met leer- en werkstraf, deels voorwaardelijk, en voorlopige hechtenis opgeheven.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd
Locatie Haarlem
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 15/158696-25
Uitspraakdatum: 3 februari 2026
Tegenspraak
Vonnis(P)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 20 januari 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ( [land] ),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
  • de vordering van de officier van justitie, [officier van justitie] ;
  • wat de verdachte en zijn raadsman, mr. A.W. Hoogland, advocaat te Den Helder;
  • wat [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad);
  • wat [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] , namens de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna te noemen: de jeugdreclassering);
  • wat [de coach] , coach bij Zware Jongens (hierna te noemen: de coach)
naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 21 mei 2025 te Zaandam, gemeente Zaanstad,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld [de benadeelde partij] heeft gedwongen tot de afgifte van zijn jas (merk Moncler) en/of tas (merk Gucci), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [de benadeelde partij] en/of een derde toebehoorde(n)
door
- voor die [de benadeelde partij] te gaan staan en/of
- te zeggen: "welke maat is die jas" en/of "laat mij passen" en/of
- de vraag van die [de benadeelde partij] of ze hem gingen beroven met 'ja' te beantwoorden en/of
- de inhoud van zijn tas te laten zien waarin een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zat en/of
- vervolgens de tas en jas van die [de benadeelde partij] aan te nemen.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van het bewijs gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van het onderdeel ‘de inhoud van zijn tas te laten zien waar een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zat’. De verdediging heeft bepleit dat de verdachte van dat onderdeel dient te worden vrijgesproken.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
3.3.2.
Bewijsmotivering
Ten aanzien van het door de verdediging gevoerde verweer overweegt de rechtbank als volgt. De aangever heeft verklaard dat het de verdachte is geweest die hem de inhoud van een tas liet zien en dat zich daarin een zwart metalen voorwerp bevond, wat leek op een wapen. De camera’s van het betreffende NS-station zijn door de verbalisanten bekeken. Daarop is te zien dat vlak na de afpersing de verdachte op een bankje op het perron zit. Te zien is dat hij een voorwerp uit zijn schoudertasje haalt en een paar seconden later een voorwerp weglegt onder een bankje. De buitengewoon opsporingsambtenaar heeft ook gezien dat de verdachte vlak na de afpersing een voorwerp onder een bankje heeft geschoven. Hij omschrijft dit als een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Desgevraagd heeft de verdachte uiteindelijk bekend dat hij daar een nepwapen heeft neergelegd. Gelet op deze omstandigheden, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat het de verdachte moet zijn geweest die de aangever het wapen heeft getoond en niet, zoals de verdachte naar voren heeft gebracht, de andere jongen die bij de afpersing betrokken is geweest.
Reeds hierom acht de rechtbank ook dit onderdeel van het tenlastegelegde feit bewezen.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat
hij op 21 mei 2025 te Zaandam, gemeente Zaanstad,
tezamen en in vereniging met een ander,
met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door bedreiging met geweld [de benadeelde partij] heeft gedwongen tot de afgifte van zijn jas, merk Moncler, en tas, merk Gucci, die aan die [de benadeelde partij] toebehoorden
door
- voor die [de benadeelde partij] te gaan staan en
- te zeggen: “welke maat is die jas” en “laat mij passen” en
- de vraag van die [de benadeelde partij] of ze hem gingen beroven met ‘ja’ te beantwoorden en
- de inhoud van zijn tas te laten zien waarin een op een vuurwapen gelijkend voorwerp zat en
- vervolgens de tas en jas van die [de benadeelde partij] aan te nemen.
Wat aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6.Motivering van de sancties

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 2 (twee) dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot taakstraf van 60 (zestig) uren, bestaande uit een leerstraf, zijnde So-Cool Regulier, van 40 (veertig) uren, subsidiair 20 (twintig) dagen jeugddetentie en een werkstraf van 20 (twintig) uren, subsidiair 10 (tien) dagen jeugddetentie. Ook heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, subsidiair 15 (vijftien) dagen jeugddetentie, met een proeftijd van 2 (twee) jaren en onder de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad. Ten slotte is gevorderd dat het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat het opleggen van een leerstraf, zijnde So-Cool Regulier, en een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, passend zijn. De verdediging vreest dat de oplegging van de door de officier van justitie geëiste straf de verdachte zal overvragen.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij het bepalen van de op te leggen sancties rekening gehouden met de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
6.3.1.
Ernst van het feit
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende laten meewegen. De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een afpersing onder bedreiging van een nepvuurwapen. Afpersing is een ernstig feit. De verdachte heeft naar voren gebracht dat hij het kwalijke van zijn handelen toen niet echt zag, omdat het slachtoffer eerder schoenen van zijn vriend zou hebben afgenomen. Wat daar ook van zij, de verdachte mag op deze wijze uiteraard niet het heft in eigen handen nemen. De verdachte heeft door zijn handelen blijk gegeven zich niet te realiseren hoe bedreigend en beangstigend een dergelijke afpersing is. De ervaring leert dat slachtoffers van dit soort feiten niet alleen hun spullen kwijt zijn, maar ook angstig zijn om op straat opnieuw in een vergelijkbare situatie terecht te komen. Ook tasten dergelijke misdrijven het gevoel van veiligheid in de samenleving aan. De verdachte is door zijn handelen voorbijgegaan aan deze gevolgen.
6.3.2.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:
  • het op naam van de verdachte staand uittreksel Justitiële Documentatie van 6 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit;
  • het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 16 januari 2026 van [raadsonderzoeker] , als raadsonderzoeker verbonden aan de Raad.
Dit rapport van de Raad houdt – kort en zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in.
Bij de verdachte is sprake van een licht verstandelijke beperking, als gevolg waarvan hij kwetsbaarder is, situaties of intenties van anderen mogelijk slechter kan inschatten en sneller in de problemen kan raken. Ook is het voor de verdachte lastiger om de gevolgen van zijn handelen te overzien. De verdachte heeft meer begeleiding en herhaling nodig. De Raad heeft daarom geadviseerd tot oplegging van de leerstraf So-Cool Regulier. Op deze manier kan de verdachte zijn sociale vaardigheden vergroten, situaties beter leren inschatten en sterker in zijn schoenen komen te staan. Het reeds lage recidiverisico neemt daardoor nog verder af. Daarvoor is het ook wenselijk en van belang dat de jeugdreclassering en de begeleiding door (coach Ali van) Zware Jongens wordt gecontinueerd. Deze begeleiding lijkt goed aan te sluiten bij de verdachte. Het is verder belangrijk dat op korte termijn een plan wordt gemaakt voor het herstellen van de onregelmatige schoolgang van de verdachte en zijn gevoel van veiligheid op school. De verdachte heeft hierbij de hulp van school en de reeds betrokken hulpverlening nodig.
De Raad heeft zijn advies ter terechtzitting gehandhaafd en aangevuld met het advies om de verdachte (bij een veroordeling) ook een voorwaardelijke werkstraf op te leggen, onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich zal inzetten voor het vinden en behouden van een positieve dagbesteding in de vorm van school, werk en sport. Mocht de rechtbank het opleggen van een leerstraf én een werkstraf niet passend achten, dan heeft het de voorkeur dat de jeugdreclassering en de coach van Zware Jongens betrokken blijven, nu ook binnen het traject van Zware Jongens kan worden gewerkt aan het verbeteren van de sociale vaardigheden van de verdachte.
De jeugdreclassering heeft zich ter terechtzitting achter het (ter terechtzitting aangevulde) advies van de Raad geschaard. Verder heeft de jeugdreclassering naar voren gebracht dat het in het belang van de verdere ontwikkeling van de verdachte noodzakelijk is dat hij met de coach van Zware Jongens gaat werken aan het vinden van een bijbaan en het versterken van zijn financiële zelfstandigheid.
Ook de coach heeft zich ter terechtzitting achter het advies van de Raad geschaard. Hij merkt dat het stapsgewijs beter gaat met de verdachte en dat hij de ernst van de situatie inziet. Door de taalbarrière kan de verdachte zijn gevoelens echter soms moeilijk verwoorden.
De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte gedurende de lange periode van de schorsing van zijn voorlopige hechtenis, op één incident na, niet opnieuw in de problemen is gekomen.
6.3.3.
Op te leggen sancties
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de volgende conclusies.
In zijn algemeenheid geldt dat bij feiten zoals dit, te weten een afpersing in vereniging onder bedreiging van een nepvuurwapen, een lange vrijheidsbenemende straf of een hoge taakstraf passend en geboden is. De rechtbank ziet echter, anders dan de officier van justitie, onvoldoende aanleiding om de verdachte in dit geval jeugddetentie op te leggen.
De rechtbank acht het in het belang van de (verdere ontwikkeling van de) verdachte noodzakelijk dat hij handvatten krijgt om zich in de buitenwereld staande te houden, sterker in zijn schoenen te staan en te werken aan zijn kwetsbaarheid en beïnvloedbaarheid. Gelet hierop acht de rechtbank het passend om de verdachte de leerstraf So-Cool Regulier op te leggen, zoals door de Raad is geadviseerd.
Daarnaast acht de rechtbank het passend en geboden aan de verdachte een werkstraf van het hierna te noemen aantal uren op te leggen. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte van de op te leggen werkstraf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van 2 (twee) jaren. Ook acht de rechtbank verplicht contact met de jeugdreclassering, begeleiding door Zware Jongens of een soortgelijke instantie en een zinvolle dagbesteding in de vorm van school, werk en sport noodzakelijk. Voorwaarden van die strekking zullen aan het voorwaardelijke deel van de op te leggen werkstraf worden verbonden. De voorwaardelijke straf dient er ook toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
De rechtbank zal ook bepalen dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten 2 (twee) dagen, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de werkstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet al op een andere straf in mindering is gebracht.
De rechtbank zal voorts bepalen dat de leerstraf en het onvoorwaardelijke deel van de werkstraf binnen een termijn van 9 (negen) maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis dienen te worden voltooid.
6.3.4.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het geschorste bevel tot bewaring van de verdachte opheffen.

7.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 317 van het Wetboek van Strafrecht.

8.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hiervoor onder 3.4. is weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een leerstraf voor de duur van
40 (veertig) uren, in de vorm van de cognitieve sociale vaardigheidstraining
So-Cool Regulier, bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 20 (twintig) dagen jeugddetentie.
Bepaalt dat deze leerstraf binnen een termijn van 9 (negen) maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis dient te worden voltooid.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van
40 (veertig) uren, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 20 (twintig) dagen jeugddetentie, met bevel dat een gedeelte groot
20 (twintig) uren, bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 10 (tien) dagen jeugddetentie,
nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van
2 (twee) jaren.
Bepaalt dat deze werkstraf binnen een termijn van 9 (negen) maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis dient te worden voltooid.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
  • zich zal melden bij de jeugdreclassering van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd aan [adres] , op door de jeugdreclassering te bepalen plaatsen en tijden, zo frequent en zolang die instelling dat noodzakelijk acht;
  • zich zal inzetten voor het vinden en behouden van een positieve dagbesteding in de vorm van school, werk en sport, zolang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;
  • zal meewerken aan de begeleiding door de coach van Zware Jongens, of een soortgelijke door de jeugdreclassering aan te wijzen hulpverleningsorganisatie, zolang de jeugdreclassering dat in overleg met die organisatie noodzakelijk acht.
Geeft opdracht aan William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, een gecertificeerde instelling die de jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Stelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde is gehouden om:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden;
  • medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten 2 (twee) dagen, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht en met dien verstande dat voor elke dag die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht 2 (twee) uren werkstraf, subsidiair 1 (één) dag jeugddetentie, in mindering worden gebracht.
Heft op het reeds geschorste bevel tot bewaring van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.K. Mireku, voorzitter,
mr. C.E. Voskens en mr. E.K.A. van den Bos, allen kinderrechter,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. I.N. Inge,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 februari 2026.
mr. Van den Bos is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.