ECLI:NL:RBNHO:2026:9112

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
15/324556-25 & 15/015358-23 (vord. TUL) & 15/394518-24 (vord. TUL)
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling woninginbraken en diefstal met gesloten bankpas

De rechtbank Noord-Holland heeft verdachte schuldig bevonden aan vijf woninginbraken en de diefstal van geldbedragen door het gebruik van een gestolen pinpas. De feiten vonden plaats tussen november 2025 en november 2025 in Ursem, Sint Pancras, Amsterdam en Zuidermeer. De verdachte ontkende de betrokkenheid, maar de rechtbank achtte het bewijs, waaronder camerabeelden en aangetroffen goederen, wettig en overtuigend.

De rechtbank motiveerde de bewezenverklaring met onder meer herkenning op camerabeelden, aangetroffen gestolen goederen in de auto en woning van de verdachte, en het ontbreken van een geloofwaardig alternatief scenario. De verdachte werkte samen met een medeverdachte, waarbij sprake was van bewuste en nauwe samenwerking.

De strafoplegging hield rekening met de ernst van de feiten, de impact op slachtoffers en samenleving, en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn kwetsbaarheid en recidivegevaar. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 365 dagen op, waarvan 130 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden zoals begeleiding door de reclassering.

Daarnaast werden schadevergoedingen toegewezen aan benadeelden voor materiële schade, met wettelijke rente en een schadevergoedingsmaatregel. Vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerdere straffen werden afgewezen. De voorlopige hechtenis van de verdachte wordt opgeheven zodra deze gelijk is aan de onvoorwaardelijke strafduur.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 365 dagen gevangenisstraf, waarvan 130 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummers: 15/324556-25 & 15/015358-23 (vord. TUL) & 15/394518-24 (vord. TUL) (P)
Uitspraakdatum: 21 juli 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
7 juli 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
woonplaats onbekend,
nu gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. R. Visser, en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. E. Stam, advocaat te Heerhugowaard, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte zijn zes feiten tenlastegelegd, die in de kern de volgende verwijten inhouden.
Feit 1primair:
De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij in de periode van 11 november 2025 tot en met 12 november 2025 in Ursem in vereniging uit een woning en op een besloten erf een Toyota Aygo, autosleutels, een tas, laptop en een bankpas heeft weggenomen.
Feit 1subsidiair:
De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij in de periode van 11 november 2025 tot en met 12 november 2025 in Ursem opzettelijk behulpzaam is geweest bij het wegnemen van een Toyota Aygo, autosleutels, een tas, laptop en een bankpas, door zijn kleding beschikbaar te stellen.
Feit 2:
De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij op 12 november 2025 in Ursem in vereniging een woning is binnengedrongen en uit de garage twee fatbikes heeft weggenomen.
Feit 3:
De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij in de periode van 17 november 2025 tot en met 18 november 2025 in Sint-Pancras in vereniging uit een woning een fiets, schoenen, een portemonnee, zonnebrillen en gouden oorbellen heeft weggenomen en zich de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een valse sleutel.
Feit 4:
De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij in de periode van 17 november 2025 tot en met 18 november 2025 in Amsterdam in vereniging geldbedragen heeft gepind met een gestolen pinpas.
Feit 5primair:
De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij in de periode van 27 november 2025 tot en met 28 november 2025 in Zuidermeer in vereniging uit een woning en op een besloten erf een Seat Ibiza, autosleutels, portemonnee en een JBL-box heeft weggenomen.
Feit 5subsidiair:
De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij in de periode van 27 november 2025 tot en met 28 november 2025 in Zuidermeer in vereniging een Seat Ibiza, autosleutels, portemonnee en een JBL-box voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dit door een misdrijf verkregen goederen betroffen.
Feit 6primair:
De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij in de periode van 27 november 2025 tot en met 28 november 2025 in Zuidermeer in vereniging uit een woning een portemonnee heeft weggenomen.
Feit 6subsidiair:
De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij in de periode van 27 november 2025 tot en met 28 november 2025 in Zuidermeer in vereniging een portemonnee voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dit een door een misdrijf verkregen goed betrof.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als
bijlage Iaan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1 primair, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5 primair, en feit 6 primair.
3.2.
Standpunt van de verdediging
Wat betreft de ten laste gelegde feiten 3, 4 en 5 subsidiair, heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de ten laste gelegde feiten 1, 2, en 6, en partiële vrijspraak van feit 5 primair. Het standpunt van de raadsvrouw ten aanzien van die feiten zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2, 3, 4, 5 primair, en 6 primair, ten laste gelegde feiten.
De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.
Alleen ten aanzien van de feiten 1, 2 en 6 ziet de rechtbank aanleiding voor een bewijsmotivering.
3.3.2.
Bewijsmotivering
3.3.2.1. Bewijsmotivering feit 1, primair
De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij in de periode van 11 november 2025 tot en met 12 november 2025 in Ursem in vereniging een woninginbraak heeft gepleegd en daarbij een Toyota Aygo, autosleutels, een tas, laptop en een bankpas heeft weggenomen. De verdachte ontkent dit feit. Het verweer van de verdediging komt erop neer dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat de verdachte betrokken is geweest bij de woninginbraak. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat uit de stills van de camerabeelden niet de herkenning van de verdachte kan volgen.
Op grond van het dossier en de behandeling ter zitting stelt de rechtbank vast dat de verdachte in de nacht van 11 november 2025 op 12 november 2025 samen met de medeverdachte de woning aan de [adres 1] in Ursem is binnengegaan en daar goederen heeft weggenomen. Uit de aangifte blijkt dat die nacht verschillende goederen, waaronder een Toyota Aygo, zijn weggenomen. Op camerabeelden van een buurtbewoner zijn die nacht twee personen te zien die zich in de Toyota Aygo bevinden en deze doorzoeken. De sleutel van de Toyota Aygo bevond zich in de woning. Een van de personen op de camerabeelden voldoet, gelet op de beharing op zijn kin en de details op de jas, aan het signalement van de verdachte. Diezelfde ochtend wordt door een wijkagent een foto gemaakt van de verdachte in Amsterdam. Op deze foto is de verdachte in een gelijksoortige jas te zien als op de stills van de camerabeelden van de buurtbewoner.
Ter terechtzitting heeft de verdachte een alternatief scenario geschetst, namelijk dat hij in de avond van 11 november 2025 zijn kleding heeft uitgeleend aan de medeverdachte en een vriend, omdat het koud was. Hij wist niet wat zij van plan waren en heeft niets met de inbraak in de woning te maken. De verdachte heeft het alternatieve scenario niet verder onderbouwd. De rechtbank acht het alternatieve scenario van de verdachte ongeloofwaardig en gaat hieraan voorbij. De rechtbank ziet voorts geen aanleiding om te twijfelen aan de herkenning van de verdachte door de verbalisant op de stills van de camerabeelden.
Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte betrokkenheid heeft gehad bij de woninginbraak en dat daarbij tussen de verdachte en de medeverdachte sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking, waaraan de verdachte een substantiële bijdrage heeft geleverd.
3.3.2.2. Bewijsmotivering feit 2
De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij op 12 november 2025 in Ursem in vereniging een woning is binnengedrongen en uit de garage twee fatbikes heeft weggenomen. De verdachte ontkent dit feit. Het verweer van de verdediging komt erop neer dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat de verdachte betrokken is geweest bij de diefstal. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat uit de stills van de camerabeelden niet de herkenning van de verdachte kan volgen.
Op grond van het dossier en de behandeling ter zitting stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 12 november 2025 de woning gelegen aan de [adres 2] in Ursem is binnengedrongen en uit de garage twee fatbikes heeft weggenomen. Uit de aangifte blijkt dat die nacht twee fatbikes zijn weggenomen uit de garage. Op de camerabeelden van de woonkamer is te zien dat twee personen die nacht de woonkamer binnenkomen. Nadat het licht in de gang door een sensor aan gaat lopen de twee personen met versnelde pas naar de deur. Een van deze personen voldoet, gelet op de postuur, de beharing op zijn kin en de details op de jas, aan het signalement van de verdachte. Diezelfde ochtend wordt door een wijkagent een foto gemaakt van de verdachte in Amsterdam. Op deze foto is de verdachte in een gelijksoortige jas te zien als op de stills van de camerabeelden van de bewoner.
De verdachte heeft ter terechtzitting ten aanzien van dit feit hetzelfde alternatieve scenario geschetst als ten aanzien van feit 1. De verdachte zou zijn kleding die avond hebben uitgeleend aan de medeverdachte en een vriend, omdat het koud was. Hij zou niet weten wat zij van plan waren en ook met deze woninginbraak niks te maken hebben gehad. Gelet op het feit dat de rechtbank aan dit alternatieve scenario voorbij gaat komt de rechtbank ook voor dit feit tot een bewezenverklaring. De rechtbank ziet voorts geen aanleiding om te twijfelen aan de herkenning van de verdachte door de verbalisant op de stills van de camerabeelden. Aan de overtuiging van de rechtbank heeft daarnaast bijgedragen dat beide feiten in dezelfde nacht hebben plaatsgevonden in hetzelfde dorp. Daarbij komt de aangifte beschreven modus operandi overeen met de door de verdachte gevolgde modus operandi zoals omschreven door de aangevers in het kader van de andere bewezenverklaarde feiten in dit vonnis.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte betrokkenheid heeft gehad bij de woninginbraak en dat daarbij tussen de verdachte en de medeverdachte sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking, waaraan de verdachte een substantiële bijdrage heeft geleverd.
3.3.2.3. Bewijsmotivering feit 6
De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij in de periode van 27 november 2025 tot en met 28 november 2025 in Zuidermeer in vereniging uit een woning van [benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1]) een portemonnee heeft weggenomen. De verdachte ontkent dit feit. Het verweer van de verdediging komt erop neer dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat de verdachte betrokken is geweest bij de diefstal.
Op grond van het dossier en de behandeling ter zitting stelt de rechtbank vast dat de verdachte in de nacht 27 november 2025 op 28 november 2025 de woning gelegen aan de [adres 3] in Zuidermeer is binnengedrongen en daar een portemonnee heeft weggenomen. Uit de aangifte blijkt dat die nacht een portemonnee met diverse bescheiden is weggenomen uit de woning. Op grond van de bekennende verklaring van de verdachte ten aanzien van feit 5 staat vast dat de verdachte eerder die nacht in Zuidermeer met de medeverdachte een woning is binnengedrongen daar goederen, waaronder de sleutel van een Seat Ibiza, en daarmee daarna de Seat Ibiza, heeft weggenomen. De verdachte en de medeverdachte zijn later die nacht aangehouden nadat zij met de Seat Ibiza tegen een boom zijn gereden. In de Seat Ibiza is, onder andere, een portemonnee aangetroffen met diverse pasjes op naam van [benadeelde 1]. In de woning van de verdachte wordt een bankkaart op naam van [benadeelde 1] aangetroffen.
Ter terechtzitting heeft de verdachte een alternatief scenario geschetst voor de aanwezigheid van voornoemde bewijsmiddelen, inhoudende – samengevat weergegeven – dat hij die avond met de medeverdachte in de Seat Ibiza zat na de woninginbraak die de verdachte onder feit 5 heeft bekend. De medeverdachte zou even zijn weggelopen terwijl de verdachte in de Seat Ibiza bleef zitten. De verdachte had geen wetenschap van een voorgenomen woninginbraak door de medeverdachte. De verdachte weet ook niet hoe de portemonnee met de pasjes van [benadeelde 1] in de Seat Ibiza en hoe de bankpas van [benadeelde 1] in zijn woning terecht zijn gekomen. De rechtbank acht dit alternatieve scenario van de verdachte ongeloofwaardig en gaat hieraan voorbij. Gelet op de eerdere inbraak in een woning in Zuidermeer die nacht door de verdachte en de medeverdachte, de aangetroffen portemonnee in de auto waar de verdachte zich bevond, de aangetroffen bankpas in de woning van de verdachte en het ontbreken van een aannemelijke verklaring hiervoor door de verdachte komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de diefstal uit de woning aan de [adres 3].
Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte betrokkenheid heeft gehad bij de diefstal en dat daarbij tussen de verdachte en de mede- verdachte sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking, waaraan de verdachte een substantiële bijdrage heeft geleverd.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2, 3, 4, 5, en 6 primair, ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat:
Feit 1:
hij in de periode van 11 november 2025 tot en met 12 november 2025 te Ursem, gemeente Koggenland, uit een woning gelegen aan de [adres 1] en op een besloten erf waarop de woning zich bevindt, alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, tezamen en in vereniging met anderen, een voertuig (Toyota Aygo, kenteken [kenteken 1]) en autosleutels en een tas en een laptop en diverse bescheiden en een bankpas en geld die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Feit 2:
hij op 12 november 2025 te Ursem, gemeente Koggenland, uit een woning gelegen aan de [adres 2], alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, tezamen en in vereniging met anderen uit een woning/garage gelegen aan de [adres 2], twee fatbikes (merk Echoice), die geheel of ten dele aan [benadeelde 3] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Feit 3:
hij in de periode van 17 november 2025 tot en met 18 november 2025 te Sint Pancras, gemeente Dijk en Waard uit een woning gelegen aan de [adres 4], alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, tezamen en in vereniging met anderen een fiets (merk Stella) en schoenen (merk Air Jordan 4) en een portemonnee met diverse bescheiden en zonnebrillen (merk Carolina Herrera en Ralph Lauren) en gouden oorbellen die geheel of ten dele aan [benadeelde 4] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door middel van de huissleutel die in een fiets zat.
Feit 4:
hij op 18 november 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen geldbedragen die geheel of ten dele aan [benadeelde 4] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen geldbedragen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door meermalen te pinnen met een gestolen pinpas.
Feit 5:
hij in de periode van 27 november 2025 tot en met 28 november 2025 te Zuidermeer, gemeente Koggenland, uit een woning gelegen aan de [adres 3] en op een besloten erf waarop de woning zich bevindt, alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, tezamen en in vereniging met anderen een portemonnee met diverse bescheiden en autosleutels en een auto (Seat Ibiza, kenteken [kenteken 2]) en een JBL box die geheel of ten dele aan [benadeelde 5] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Feit 6:
hij in de periode van 27 november 2025 tot en met 28 november 2025 te Zuidermeer, gemeente Koggenland, uit een woning, alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, tezamen en in vereniging met anderen een portemonnee met diverse bescheiden die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een huissleutel die in een fiets zat.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1, feit 5:
telkens: diefstal in een woning en op een besloten erf waarop een woning staat door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 4º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheid
Feit 2:
diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 4º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheid
Feit 3, feit 6:
telkens: diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 4º en 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheden
Feit 4:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft een valse sleutel
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd aan het voorwaardelijk strafdeel de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om bij een strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Zij heeft aangevoerd dat voor de verdachte op dit moment een woonplek beschikbaar is in het kader van beschermd wonen. Een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf zorgt ervoor dat die plek mogelijk niet meer vrij is. De raadsvrouw heeft daarom verzocht om aan de verdachte een straf op te leggen gelijk aan het voorarrest, met daarbij nog een voorwaardelijk deel en eventueel een taakstraf.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vijf woninginbraken en de diefstal van geldbedragen door te pinnen met een gesloten bankpas. De verdachte heeft met zijn handelen geen respect getoond voor de eigendommen van anderen en enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin. Bij een insluiping in een woning wordt de privacy van de bewoners en hun gevoel van veiligheid ernstig geschaad, terwijl zij zich juist veilig moeten kunnen voelen in hun eigen woning. Insluiping zorgt bovendien ook voor onrust en gevoelens van onveiligheid bij de samenleving in het algemeen. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank onder meer acht geslagen
het Uittrekstel Justitiële Documentatie (het strafblad) van de verdachte van 20 april 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke misdrijven. De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 15 februari 2026. Dit rapport houdt onder meer het volgende in. Uit het onderzoek blijkt dat een crimineel (jeugd)netwerk, het psychosociaal functioneren en een pro-criminele houding, de voornaamste risicofactoren zijn die ten grondslag liggen aan het ten laste gelegde. Ook het ontbreken van een structurele dagbesteding, ontoereikende financiële middelen (bewindvoering en mentorschap), softdruggebruik, psychische kwetsbaarheid, beperkt zelfinzicht en het ontbreken van een steunend vangnet zijn risico verhogende factoren voor recidive. De verdachte is een kwetsbare, verstandelijk beperkte jongen met een zeer onrustige en onveilige opvoedingsgeschiedenis. Vanwege de detentie is de verdachte de begeleidende woonvorm vanuit Co-operatief Zorg kwijtgeraakt en is een WMO-traject in de regio Den Haag stopgezet. Hierdoor zijn de problemen op het gebied van huisvesting toegenomen. Het contact met de begeleiders is hiermee ook weggevallen. Het ontbreekt de verdachte aan woonvaardigheden en hij blijkt onvoldoende in staat om praktische zaken zelfstandig op te pakken. Tijdens het toezicht bij de William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering heeft de verdachte zich gehouden aan de meldplichtafspraken, een traumabehandeling positief afgerond en een leerstaf voltooid. De jeugdbescherming is van mening dat de pedagogische mogelijkheden zijn uitgeput en dat de verdachte nauwelijks nog responsief is voor pedagogische beïnvloeding en dragen het toezicht over
aan Reclassering Nederland. De verdachte toont ontvankelijkheid voor een traject vanuit de volwassenenreclassering. Door het vertrek uit de huidige regio groeit de kans dat de verdachte breekt met het criminele netwerk en kan er ingezet worden op het vergroten van een steunend sociaal netwerk/vangnet. Het risico op recidive wordt hoog ingeschat. Een reclasseringsaanbod is geïndiceerd en zal gericht zijn op alle leefgebieden. Al met al adviseert de reclassering om een (deels) voorwaardelijke straf aan de verdachte op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden:
  • Meldplicht bij reclassering;
  • Ambulante behandeling;
  • Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
  • Dagbesteding;
  • Beheersing middelengebruik;
  • Contact met bewindvoerder en mentor en inzicht in sociaal netwerk.
De deskundige [reclasseringswerker] heeft ter terechtzitting, namens de reclassering, het advies gehandhaafd en nader mondeling aangevuld. De deskundige heeft onder meer het volgende verklaard. Na het uitbrengen van het reclasseringsadvies heeft een intakegesprek plaatsgevonden bij Moving Up. Zij hebben de verdachte geaccepteerd en toegezegd dat er een kamer voor hem beschikbaar is en beschikbaar zal blijven tot aan de datum van de einduitspraak. Bij de reclassering Zaandam is inmiddels ook een toezichthouder aangewezen voor hem en zijn mentor is op de hoogte gebracht. De verdachte is begeleidbaar en er ligt nu een concreet plan voor na zijn detentie.
Op te leggen straf
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op de
oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Hierin wordt voor het insluipen in een woning een gevangenisstraf van drie maanden per keer als uitgangspunt genomen wanneer sprake is van recidive. Daartegenover staat dat de rechtbank oog heeft voor de persoon van de verdachte. Uit de toelichting van de deskundige ter terechtzitting blijkt dat er op dit moment een woonplek voor de verdachte beschikbaar is en dat er nu een gefundeerd plan ligt. De rechtbank ziet in dat het hebben van een woonplek in het kader van beschermd wonen van groot belang is voor de verdachte en acht het van belang deze positieve ontwikkeling niet te doorkruisen met de oplegging van een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Nu de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de rechtbank een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen, onder de voorwaarden die de reclassering adviseert.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen moet worden opgelegd, waarvan 130 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd.
Voorlopige hechtenis
De raadsvrouw heeft verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte te schorsen bij de einduitspraak. Gelet op de opgelegde onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf zal de rechtbank ambtshalve de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van die voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijke deel van deze opgelegde gevangenisstraf opheffen. De rechtbank komt hierdoor formeel niet meer toe aan het schorsingsverzoek van de raadsvrouw.

7.Vorderingen benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

7.1.
Vordering benadeelde partij [benadeelde 2]
Namens de benadeelde partij [benadeelde 2] is tegen de verdachte een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 650,- wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit € 150,- aan materiële schade (autoslot en sleutel) en € 500,- aan immateriële schade.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van het materiële deel kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en dat de verdachte hoofdelijk tot vergoeding van de schade moeten worden veroordeeld. Ten aanzien van het immateriële deel heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens gebrek aan onderbouwing.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De vordering tot vergoeding van de materiële schade is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.
De benadeelde partij heeft de vordering tot vergoeding van de immateriële schade onvoldoende onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat het gelegenheid bieden aan de benadeelde partij om de vordering alsnog verder te onderbouwen, zou leiden tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 11 november 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Proceskosten
Daarnaast zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 150,- aan de Staat moet betalen.
Ook dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 november 2025 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 1 dag. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
Hoofdelijk aansprakelijk
Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen (hoofdelijk) aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toe te wijzen proceskosten (tot op heden begroot op nihil). Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
7.2.
Vordering benadeelde partij [benadeelde 3]
Namens de benadeelde partij [benadeelde 3] is tegen de verdachte een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 2000,- wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens gebrek aan onderbouwing.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens gebrek aan onderbouwing. Subsidiair heeft zij verzocht om het bedrag te matigen.
Oordeel van de rechtbank
De benadeelde partij heeft de vordering tot schadevergoeding niet onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat het gelegenheid bieden aan de benadeelde partij om de vordering alsnog verder te onderbouwen, zou leiden tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.
7.3.
Vordering benadeelde partij [benadeelde 1]
Namens de benadeelde partij [benadeelde 1] is tegen de verdachte een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 224,50 wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 6 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit:
  • Horloge (Casio type WV-300DE-7ART) € 150,-;
  • Contant geld € 25,-;
  • ID-kaart € 78,50;
  • Rijbewijs € 51,10.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en dat de verdachte hoofdelijk tot vergoeding van de schade moeten worden veroordeeld.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair aangevoerd dat de vordering geheel moet worden afgewezen. Subsidiair heeft zij verzocht om de vordering ten aanzien van het contante geld, de ID-kaart en het rijbewijs niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de posten niet zijn onderbouwd. Ten aanzien van de het horloge heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat deze post niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat het causale verband met het ten laste gelegde feit ontbreekt.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 154,60,- rechtstreeks voortvloeit uit het onder 6 bewezen verklaarde feit, bestaande uit:
  • Contant geld € 25,-;
  • ID-kaart € 78,50;
  • Rijbewijs € 51,10.
Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de post ten aanzien van het horloge niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat het causale verband met het ten laste gelegde feit ontbreekt. De rechtbank zal deze post daarom afwijzen.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 27 november 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Proceskosten
Daarnaast zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 154,60,- aan de Staat moet betalen.
Ook dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 november 2025 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 1 dag. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
Hoofdelijk aansprakelijk
Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen (hoofdelijk) aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toe te wijzen proceskosten (tot op heden begroot op nihil). Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij te betalen.

8.Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 16 januari 2024 in de zaak met parketnummer 15/015358-23 heeft de rechtbank Noord-Holland de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke straf, te weten een jeugddetentie voor de duur van achttien dagen. De proeftijd is bepaald op twee jaar en is ingegaan op 30 januari 2024.
Bij vonnis van 12 november 2025 in de zaak met parketnummer 15/394518-24 heeft de rechtbank Noord-Holland de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke straf, te weten een werkstraf voor de duur van twintig uren. De proeftijd is bepaald op twee jaar en is ingegaan op 26 november 2025.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering met parketnummer 15/015358-23 kan worden toegewezen. Ten aanzien van de vordering met parketnummer 15/394518-24 heeft de officier van justitie zich eveneens op het standpunt gesteld dat deze kan worden toegewezen, maar dat deze op grond van art. 6:6:29 van Pro het Wetboek van Strafvordering moet worden omgezet naar een taakstraf.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van beide vorderingen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De verdachte heeft zich voor het einde van de proeftijden schuldig gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en heeft daarmee de algemene voorwaarden overtreden. Echter, gelet op het feit dat in deze strafzaak aan de verdachte onder eerder genoemde motivering een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest wordt opgelegd, acht de rechtbank het niet opportuun om nu de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie te gelasten. De rechtbank ziet naast het opgelegde kader in de vorm van de bijzondere voorwaarden ook geen belang voor de verdachte in het nog uitvoeren van eerder opgelegde werkstraf. De rechtbank zal de vorderingen tot tenuitvoerlegging daarom afwijzen.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 311 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
365 [driehonderdvijfenzestig] dagen.
Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot
130 [honderddertig] dagen nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
-
Meldplicht bij reclassering
De verdachte meldt zich gedurende de proeftijd dan wel de schorsingsperiode meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Bezuidenhoutseweg 179 te Den Haag.
-
Ambulante behandeling
De verdachte verleent gedurende de proeftijd zijn medewerking aan een intake/risicotaxatie en/of diagnostiek en, indien hieruit voortvloeit, een behandeling bij een nog nader te bepalen forensische behandelinstelling, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op delict preventie en op datgene dat verder uit de risicotaxatie/diagnostiek naar voren komt.
-
Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
De verdachte werkt gedurende de proeftijd mee aan een aanmelding en verblijft in een nog nader te bepalen instelling voor begeleid/beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
-
Dagbesteding
De verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delict gedrag.
-
Beheersing middelengebruik
De verdachte werkt gedurende de proeftijd mee aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van verdovende middelen (voornamelijk softdrugs). Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
-
Andere voorwaarden betreffende het gedrag
o De verdachte blijft in goed in contact met de bewindvoerder en mentor.
o De verdachte geeft inzicht in zijn sociaal netwerk en zet zich in om het steunend sociaal netwerk te vergroten.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering benadeelde partij [benadeelde 2]
Wijst de vordering van [benadeelde 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 150,-.
Veroordeelt de verdachte tot betaling aan [benadeelde 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 november 2025 tot de dag van volledige betaling.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde 2] van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd.
Verklaart [benadeelde 2] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
Veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 2] aan de Staat € 150,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 november 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling.
Legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.
Bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij of zijn mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Vordering benadeelde partij [benadeelde 3]
Verklaart [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
Vordering benadeelde partij [benadeelde 1]
Wijst de vordering van [benadeelde 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 154,60.
Veroordeelt de verdachte tot betaling aan [benadeelde 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 november 2025 tot de dag van volledige betaling;
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde 1] van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd.
Wijst de vordering van [benadeelde 1] voor wat betreft het meer gevorderde af.
Veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 1] aan de Staat € 154,60 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 november 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling.
Legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.
Bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij of zijn mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Vorderingen tot tenuitvoerlegging
Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15
/015358-23.
Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/394518-24.
Voorlopige hechtenis
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van die voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.S. Schoorl, voorzitter,
mr. D.J. Straathof en mr. N. Ćulafić, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.B.A.F. Burggraaf,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 juli 2026.
mr. N. Ćulafić is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
1)
hij in of omstreeks de periode van 11 november 2025 tot en met 12 november 2025 te Ursem, gemeente Koggenland, in elk geval in Nederland, in/uit een woning gelegen aan de [adres 1] en/of op een besloten erf waarop de woning zich bevindt, alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een voertuig (Toyota Aygo, kenteken [kenteken 1]) en/of autosleutels en/of een tas en/of een laptop en/of diverse bescheiden en/of een bankpas en/of geld, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte] in of omstreeks de periode van 11 november 2025 tot en met 12 november 2025 te Ursem, gemeente Koggenland, in elk geval in Nederland, in/uit een woning gelegen aan de [adres 1] en/of op een besloten erf waarop de woning zich bevindt, alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een voertuig (Toyota Aygo, kenteken [kenteken 1]) en/of autosleutels en/of een tas en/of een laptop
en/of diverse bescheiden en/of een bankpas en/of geld, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en./of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 11 oktober 2025 tot en met 11 november 2025 te Hensbroek, gemeente Koggenland, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door aan die [medeverdachte] zijn, verdachtes schoenen en/of een jas en/of (een) petje(s), althans kleding dan wel spullen beschikbaar te stellen;
2)
hij op of omstreeks 12 november 2025 te Ursem, gemeente Koggenland, in elk geval in Nederland, in/uit een woning gelegen aan de [adres 2] en/of op een besloten erf waarop de woning zich bevindt, alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, uit een woning/garage gelegen aan de [adres 2], twee, althans een of meer fatbike(s) (merk Echoce), in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 3], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3)
hij in of omstreeks de periode van 17 november 2025 tot en met 18 november 2025 te Sint Pancras, gemeente Dijk en Waard, in elk geval in Nederland, in/uit een woning gelegen aan de [adres 4] en/of op een besloten erf waarop de woning zich bevindt, alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een fiets (merk Stella) en/of schoenen (merk Air Jordan 4) en/of een portemonnee met diverse bescheiden en/of zonnebrillen (merk Carolina Herrera en Ralph Lauren) en/of gouden oorbellen, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 4], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door middel van de huissleutel die in een fiets zat;
4)
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 november 2025 tot en met 18 november 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer geldbedragen, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 4], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door meermalen te pinnen met een gestolen pinpas, althans
onbevoegd gebruik te maken van een pinpas van voornoemde [benadeelde 4];
5)
hij in of omstreeks de periode van 27 november 2025 tot en met 28 november 2025 te Zuidermeer, gemeente Koggenland, in elk geval in Nederland, in/uit een woning gelegen aan de [adres 3] en/of op een besloten erf waarop de woning zich bevindt, alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een portemonnee met diverse bescheiden en/of autosleutels en/of een auto (Seat Ibiza, kenteken [kenteken 2]) en/of een JBL box, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 5], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 27 november 2025 tot en met 28 november 2025 te Zuidermeer, gemeente Koggenland, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een voertuig (seat Ibiza, kenteken [kenteken 2]) en/of bijbehorende autosleutel(s), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en) dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
6)
hij in of omstreeks de periode van 27 november 2025 tot en met 28 november 2025 te Zuidermeer, gemeente Koggenland, in elk geval in Nederland, in/uit een woning gelegen aan de [adres 5] en/of op een besloten erf waarop de woning zich bevindt, alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een portemonnee met diverse bescheiden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een huissleutel die in een fiets zat;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 27 november 2025 tot en met 28 november 2025 te Zuidermeer, gemeente Koggenland en/of te Hensbroek, gemeente Koggenland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een portemonnee met diverse pasjes op naam van [benadeelde 1] en/of een bankpas van de Rabobank op naam van [benadeelde 1] en/of een euro-codicil op naam van [benadeelde 1], althans (een) goed(een) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en) dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof(fen);
Bijlage II
De bewijsmiddelen
(…)