ECLI:NL:RBNHO:2026:9120

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
C/15/380397 / JU RK 26-1139
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens acute onveiligheid

De Raad voor de Rechtspraak, Rechtbank Noord-Holland, heeft op 21 juli 2026 een beschikking gegeven over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De kinderrechter heeft het verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) gehonoreerd om de minderjarige uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van vier weken, met onmiddellijke ingang en uitvoerbaar bij voorraad.

De feiten betreffen een gezin waarin de minderjarige en zijn zus verblijven bij hun moeder in een moeder-kindhuis. Er zijn langdurige zorgen over de veiligheid en opvoeding, waarbij de school meldde dat de moeder overbelast is en de minderjarige door de moeder wordt geslagen. De minderjarige vertoont grensoverschrijdend en agressief gedrag, ook richting de moeder en medewerkers van het moeder-kindhuis. De GI ontving meldingen dat de veiligheid niet langer gegarandeerd kon worden.

Tijdens een omgangsmoment met de vader toonde de minderjarige angst voor de vader, die harder zou slaan dan de moeder. De minderjarige vertoonde agressie jegens een jeugdbeschermer. Gezien de acute onveiligheid achtte de GI een spoedmachtiging noodzakelijk. De kinderrechter oordeelde dat een zitting niet kon worden afgewacht zonder ernstig gevaar voor de minderjarige en verleende de machtiging tot uithuisplaatsing voor vier weken, met de mogelijkheid tot verlenging.

De beslissing is direct uitvoerbaar, ook bij hoger beroep. De GI en belanghebbenden worden uitgenodigd hun mening te geven, waarna verdere behandeling wordt voortgezet. De beschikking is gegeven door kinderrechter A.R.A.R. Sitaldin en uitgesproken in het openbaar.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor vier weken wegens acute onveiligheid.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/380397 / JU RK 26-1139
Datum uitspraak: 21 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
briefadres te [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek, met bijlagen, van de GI, ontvangen op 21 juli 2026.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft bij zijn moeder bij [moeder-kindhuis] (moeder-kindhuis).
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 14 juli 2020 [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI, waarna de ondertoezichtstelling telkens is verlengd, laatstelijk tot 6 september 2026.
2.4.
De ouders hebben nog een dochter, [dochter] . [dochter] verblijft met moeder en [de minderjarige] in [moeder-kindhuis] .

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van vier weken en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
3.2.
De GI verzoekt aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De beoordeling

4.1.
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. De GI heeft na aanhoudende zorgen de moeder, [de minderjarige] en [dochter] overgeplaatst naar moeder-kindhuis [moeder-kindhuis] . De GI heeft op maandag 20 juli 2026 een mail gehad van [moeder-kindhuis] met daarin de zorgen over [de minderjarige] en het gedrag wat hij vertoond. [moeder-kindhuis] heeft aangegeven niet meer te kunnen instaan voor de veiligheid van [de minderjarige] , de moeder en [dochter] , maar ook niet voor andere bewoners en medewerkers. De GI ziet dat er al langere tijd zorgen zijn rondom [dochter] en [de minderjarige] . Zo heeft de school gezien dat de moeder langere tijd overvraagd wordt en zij de zorg en opvoeding van [de minderjarige] en [dochter] onvoldoende alleen kan dragen. Tevens heeft de school bij de GI gemeld dat [de minderjarige] op 3 juli 2026 bij het brengen naar school is geslagen door de moeder. [de minderjarige] heeft in gesprek met de GI op 3 juli 2026 aangegeven dat hij wordt geslagen door zijn moeder. [de minderjarige] laat grensoverschrijdend gedrag zien naar zijn moeder toe. Hij scheldt haar uit, hij schopt haar, hij slaat haar en luistert niet naar grenzen die moeder stelt.
4.2.
Op dinsdag 14 juli 2026 heeft er een omgangsmoment plaatsgevonden tussen de kinderen en de vader. Na de omgang moesten de kinderen in een kamer wachten en heeft [de minderjarige] de deur opengedaan en is hij weggerend. [de minderjarige] wilde vervolgens niet in de auto. Toen hij eenmaal in de auto zat, heeft hij meerdere keren gepoogd de deur open te doen en weg te gaan. In de auto vertelt [de minderjarige] dat hij beter naar zijn vader luistert dan naar zijn moeder. Dit komt omdat hij banger is voor zijn vader. [de minderjarige] vertelt dat zijn vader harder slaat dan zijn moeder. Als de jeugdbeschermer vraagt waar hij geslagen wordt, geeft [de minderjarige] aan dat het overal op zijn lichaam gebeurt. Tijdens het wachten op moeder wilde [de minderjarige] weer meerdere keren wegrennen. Wanneer de jeugdbeschermer uitstapt en bij de deur van [de minderjarige] aangeeft dat hij moet blijven zitten, slaat [de minderjarige] de jeugdbeschermer in haar gezicht.
4.3.
[moeder-kindhuis] mailt op maandag 20 juli 2026 dat zij niet langer kunnen instaan voor de veiligheid van [de minderjarige] en de mensen daaromheen. Zo hebben meerdere medewerkers verwondingen opgelopen, omdat [de minderjarige] gevaarlijk gedrag vertoond. De GI acht het onvoldoende veilig dat moeder terugkeert met haar kinderen naar haar eigen woning.
4.4.
Vanwege de acute onveiligheid van [de minderjarige] acht de GI een machtiging uithuisplaatsing noodzakelijk, zodat [de minderjarige] op een neutrale en veilige plek de regels en structuur krijgt die hij nodig heeft.
4.5.
Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst. [1]
4.6.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken.
4.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.8.
De GI en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 21 juli 2026 tot 18 augustus 2026;
5.2.
verklaart de beslissing onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
5.4.
roept de GI, de vader en de moeder op voor de zitting van mr. E.G van Roest op
[datum]in het gerechtsgebouw van deze rechtbank aan de Kruseman van Eltenweg 2 in Alkmaar;
5.5.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.R.A.R. Sitaldin, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026, in aanwezigheid van M.P. van Driel als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).