ECLI:NL:RBNHO:2026:9122

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
15.402003.24
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 314a SvArt. 36f SrArt. 38v SrArt. 47 SrArt. 157 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak medeplegen poging moord en veroordeling medeplegen explosie woning Purmerend

Op 15 december 2024 vond een explosie plaats bij een woning in Purmerend, veroorzaakt door een vuurwerkbrandstofcombinatie (VBC) met cobra’s en wasbenzine. Drie bewoners waren aanwezig, waarvan één levensgevaarlijk gewond raakte. Verdachte was betrokken bij de voorbereiding en uitvoering van de explosie, maar niet wettig en overtuigend bewezen dat hij medepleger was van poging moord of criminele uitbuiting van minderjarigen.

De rechtbank oordeelde dat verdachte medepleger was van het teweegbrengen van de explosie, gezien zijn aanwezigheid, contacten met uitvoerders en bekentenissen in celgesprekken. Vrijspraak volgde voor poging moord wegens gebrek aan bewijs van opzet op doodslag. Ook werd verdachte vrijgesproken van criminele uitbuiting wegens onvoldoende bewijs.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 60 maanden op, rekening houdend met de ernst van het feit, de gevolgen voor slachtoffers, en persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarnaast werd een contactverbod opgelegd ten behoeve van het slachtoffer. Diverse schadevergoedingsvorderingen van benadeelden werden deels toegewezen, met een totaalbedrag van ruim € 280.000 aan materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 60 maanden gevangenisstraf voor medeplegen explosie woning, vrijgesproken van medeplegen poging moord en criminele uitbuiting.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15.402003.24
Uitspraakdatum: 22 juli 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen
van 2 juli 2026 en 8 juli 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 3] te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [huidige adres]
,
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Alphen aan den Rijn.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie
mr. N. Swart en mr. B. Rademacher (hierna elk afzonderlijk dan wel gezamenlijk
aangeduid als: de officier van justitie) en van hetgeen de verdachte en zijn raadslieden,
mr. M.J. Bouwman en mr. J. de Vries, beiden advocaat te Zaandam (hierna elk afzonderlijk dan wel gezamenlijk aangeduid als: de verdediging), naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ten laste gelegd dat:
Feit 1
hij op of omstreeks 15 december 2024 te Purmerend tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s)
voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] van het leven te beroven, een of meerdere cobra's in combinatie met een of meerdere brandversnellende middelen voor de voordeur van een woning aan de [adres 1] te plaatsen en/of die cobra's in combinatie met een of meerdere brandversnellende middelen, aan te steken en/of tot ontploffing te brengen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 2
hij op of omstreeks 15 december 2024 te Purmerend tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht bij een woning aan de [adres 1] , door een of meerdere cobra’s in combinatie met een of meerdere brandversnellende middelen voor de voordeur van die woning te plaatsen en/of die cobra’s in combinatie met een of meerdere brandversnellende middelen aan te steken en/of tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten de genoemde woning en/of (een) naastgelegen woning(en) en/of
-
levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor (een) bewoner(s) van genoemde woning en naastgelegen woning(en) te duchten was;
Feit 3
hij in of omstreeks de periode van 12 december 2024 tot en met 15 december 2024 te Purmerend, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
A)
een ander of anderen, te weten [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] ,
- heeft geworven, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] , terwijl zij de leeftijd van achttien jaren nog niet hadden bereikt (sub 2°) en/of
- door dwang, geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, of door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven van betalingen,
heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten dan wel enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] zich daardoor beschikbaar
zouden stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten (te weten: het teweegbrengen van een explosie bij een woning) (sub 4°) en/of
B)
- opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die ander of anderen, te weten [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] , (sub 6°),
immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachten (éénmaal of meermalen)
- die [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] de opdracht en/of instructies gegeven een vuurwerkbrandstofcombinatie bij een woning gelegen aan de [adres 1] te Purmerend neer te leggen en/of tot ontploffing te brengen, en/of
- die [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] voor één nacht gehuisvest en/of opgenomen in een woning gelegen aan het [adres 2] (286) te Purmerend, en/of
- die [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] de betaling van een geldbedrag in het vooruitzicht gesteld, en/of
waarbij dat geweld of een andere feitelijkheid en/of die dreiging met geweld of een andere feitelijkheid heeft/hebben bestaan uit:
- dat verdachte en/of zijn medeverdachten die [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] de dreigende woorden heeft geuit dat als ze de klus niet zouden doen, “zij een groter probleem hadden" en/of "de lui zouden zijn" en/of “zij dan klappen voor iemand anders zouden krijgen", althans woorden
van soortgelijke (dreigende) aard en/of strekking, en/of
- dat verdachte en/of zijn medeverdachten wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat die [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] kwetsbaar en/of gemakkelijk te beïnvloeden waren en/of geen werk en/of inkomen hadden en/of problemen thuis hadden en/of door de
getalsmatige overtal van hem en zijn mededaders al dan niet in combinatie met zijn/hun zwarte kleding en gezichtsbedekking een situatie creëerde waarbij die [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] zich niet meer vrij voelden de woning te verlaten en/of de opdracht te weigeren en/of
door welke feiten en omstandigheden voor die [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] een (afhankelijkheids)situatie is ontstaan waaraan zij zich niet hebben kunnen onttrekken en/of ten gevolge waarvan zij geen weerstand aan verdachte hebben kunnen bieden.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Inleiding
Op grond van de inhoud van het dossier en de behandeling op de zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 15 december 2024 om 04:10 uur heeft een explosie plaatsgevonden bij de woning aan de [adres 1] in Purmerend. Bij deze explosie is een zogeheten vuurwerkbrandstof-combinatie (hierna: VBC) gebruikt, bestaande uit zes super cobra’s en zes flessen wasbenzine. Na de explosie brak een felle brand uit, terwijl op dat moment [slachtoffer 1] ,
[slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] aanwezig waren in de woning. [slachtoffer 1] is door de brand levensgevaarlijk gewond geraakt. De brand heeft zich snel uitgebreid via de isolatielaag naar de naastgelegen panden. Deze woningen werden daardoor onbewoonbaar.
De medeverdachte [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ) heeft bekend dat hij samen met de medeverdachte [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4] ) in opdracht van iemand anders een tas, met daarin deze VBC, heeft neergelegd bij de voordeur van de woning en heeft aangestoken.
3.3.2
Vrijspraak feiten 1 en 3 en bewezenverklaring van feit 2
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen wat de verdachte onder feit 1 en feit 3 ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank acht feit 2 wel wettig en overtuigend bewezen op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
3.3.3
Nadere bewijsoverwegingen feit 2
Op basis van de -uit de bewijsmiddelen blijkende- redengevende omstandigheden overweegt de rechtbank als volgt.
Wat ging aan de explosie vooraf?Op 12 december 2024, enkele dagen voor de explosie, is er ingebroken in de schuur van de woning van de moeder van de verdachte waarbij twee accu’s van een fatbike zijn weggenomen. Daarvan heeft de moeder van de verdachte een melding gedaan bij de politie. De verdachte was kwaad over die diefstal, hield [slachtoffer 2] daarvoor verantwoordelijk en was bereid daarop met geweld te reageren om hem te treffen. Zo schrijft de verdachte in een Snapchat-bericht van 12 december 2024
“Iemand die 2 accus aanbied bericht me moeder is een hoer als ik je geen doezoe snel geef kijk maar!”. Ook heeft de verdachte in een getapt telefoongesprek van 12 december 2024 met een vriend gesproken over de diefstal, waarbij de verdachte heeft gezegd:
“Ik zoek en die accu’s zijn weg.”en
“Nu gaan lijp neuken”.
Het vorenstaande wordt daarnaast bevestigd in opvolgende OVC-gesprekken die de verdachte met zijn celgenoot heeft gevoerd. In OVC-gesprek 717 spreekt de verdachte daarover en in OVC-gesprekken 1586 en 1587 wordt de verklaring van [slachtoffer 2] besproken en heeft de verdachte in dat verband over de diefstal gezegd “
Wie bij mijn moeder naar binnengaat, ga ik zijn moeder neuken”. De rechtbank stelt mede op basis hiervan vast dat de verdachte een conflict met [slachtoffer 2] had en dat hij naar aanleiding van dat conflict bereid was en aankondigt geweld toe gaan passen.
Verklaring [betrokkene 3]De rechtbank stelt allereerst vast dat [betrokkene 3] niet geheel consistent is geweest in wat hij gedurende het onderzoek op diverse momenten heeft verklaard. Nu hij op onderdelen wisselend of weinig concreet heeft verklaard, dient terughoudend en behoedzaam met zijn verklaring te worden omgegaan. De rechtbank is van oordeel dat zijn verklaring echter niet als geheel onbetrouwbaar moet worden bestempeld, omdat deze in de kern ongewijzigd is gebleven. De rechtbank zal zijn verklaring daarom op hoofdlijnen volgen en deze enkel voor het bewijs gebruiken, voor zover deze (voldoende) steun vindt in andere bewijsmiddelen.
[betrokkene 3] heeft verklaard dat hij benaderd is door een opdrachtgever en een klus moest doen in Purmerend en hij dit met [betrokkene 4] zou gaan doen. Hij kreeg een adres in Purmerend toegestuurd waar hij heen moest en in dat appartement, de rechtbank stelt vast: aan het [adres 2] , kreeg hij te horen dat ze een cobra moesten neerleggen om af te schrikken. Er moest een waarschuwing worden gegeven, omdat die jongen iets had gestolen. Hij en [betrokkene 4] kregen daarvoor een tas, hebben die ’s nachts voor de deur gelegd, aangestoken en zijn daarna weggerend. Een en ander wordt ondersteund door de bewijsmiddelen in de bijlage.
Betrokkenheid van de verdachte bij de explosie
Aan het [adres 2] , op de eerste verdieping, bevindt zich het appartement van de heer [betrokkene 1] . De verdachte en [betrokkene 1] zijn bekenden van elkaar. Hetzelfde geldt voor de heer [betrokkene 2] , die op dat moment feitelijk verbleef in de woning van [betrokkene 1] . De verdachte heeft ter zitting verklaard geregeld op het betreffende adres te komen.
Op 15 december 2024, omstreeks 04:02 uur, twee minuten voor het vertrek van de uitvoerders van de explosie, is te zien dat een persoon met een fatbike het pand aan het [adres 2] uit komt lopen en vertrekt op een fatbike. Aan het stuur van de fatbike hangt een witkleurig hangslot. De rechtbank gaat ervan uit dat deze persoon de verdachte was, omdat hij op camerabeelden van een paar uur later is te zien met een dergelijke fatbike eveneens met een wit hangslot aan het stuur. De verdachte heeft zichzelf herkend op die beelden. Hij was toen, vlak nadat hij telefonisch contact had gehad met [betrokkene 2] , in de Vomar aan het nabijgelegen [... 1] in Purmerend. Om 11:42 uur rekent de verdachte broodjes en twee blikjes Coca Cola af. De Vomar aan het [... 1] bevindt zich op 2 minuten fietsen van het [adres 2] . Om 11:46 uur loopt een persoon met een rode Vomar tas de portiek in, terwijl [betrokkene 3] en [betrokkene 4] zich op dat moment in het appartement van [betrokkene 2] bevinden. Deze persoon verlaat dertien minuten later de portiek weer zonder rode Vomar tas op een fatbike met opvallend wit hangslot aan het stuur. [betrokkene 3] en [betrokkene 4] verlaten ruim een uur later zelf de portiek met een rode Vomartas. In een OVC-gesprek met zijn celgenoot (OVC 719), heeft de verdachte in dit verband gezegd dat hij boodschappen deed voor iemand.
Uit het vorenstaande concludeert de rechtbank dat het de verdachte is geweest die op 15 december 2024 vlak voor de explosie het pand aan het [adres 2] komt uitgelopen en hij de persoon is geweest die in de ochtend na de explosie een rode Vomartas met daarin broodjes en
tweeblikjes cola heeft gebracht naar hetzelfde adres. De verdachte is dus gelijktijdig met de
tweeuitvoerders van de aanslag, vlak vóór en ná de aanslag, aanwezig geweest in het appartement waar het teweegbrengen van de explosie is voorbereid en heeft ook contact met de uitvoerders gehad. Daarnaast is het volgende voor de betrokkenheid van de verdachte nog van belang.
Uit registraties van het wifi-netwerk van het appartement van [betrokkene 1] , blijkt dat de telefoon van [betrokkene 2] zich op 15 december 2025 tussen 00.00 uur en 6:00 uur daar bevond. [betrokkene 2] heeft tijdens zijn politieverhoor verklaard dat hij de verdachte op 14 december 2025 in het appartement heeft gezien. Dit sluit aan bij de gegevens van de telefoon van [betrokkene 2] , waaruit blijkt dat hij op 13, 14 en 15 december 2024 in totaal zestien keer telefonisch contact heeft gehad met een telefoon van de verdachte. Dat deze contacten enkel plaatsvonden in het kader van het afnemen van drugs, zoals door de verdachte op zitting is verklaard, acht de rechtbank gelet op de hoeveelheid van die contacten in korte tijd en het volgende onaannemelijk.
In de portiek van het [adres 2] zijn door de politie twee flessen wasbenzine aangetroffen. De politie heeft vastgesteld dat deze flessen van hetzelfde merk zijn als de wasbenzine die is gebruikt in de VBC. Deze flessen en de doppen daarvan zijn bemonsterd en daaruit zijn DNA-mengprofielen gekomen. Uit het onderzoek en de daarbij behorende bewijskracht concludeert de rechtbank dat [betrokkene 2] steeds donor is geweest van het celmateriaal uit de vier bemonsteringen. Dat er een andere, niets met de fabricage van de VBC van doen hebbende, verklaring is voor de aanwezigheid van het celmateriaal van [betrokkene 2] op de flessen, is niet aannemelijk geworden. In tegendeel, de verklaring van [betrokkene 2] , dat hij alleen 1 fles heeft gezien en verplaatst, past niet bij genoemd onderzoeksresultaat. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat [betrokkene 2] op enigerlei wijze betrokken was bij de voorbereiding van de explosie en dat het contact met de verdachte op die avond, in dat kader plaatsvond. Hierbij past ook het hieronder geciteerde OVC-fragment (OVC 717).
Uit de in het dossier gevoegde OVC-gesprekken van de verdachte met zijn celgenoot blijkt dat zij veelvuldig met elkaar hebben gesproken over de explosie, de verdenking tegen de verdachte en het dossier, waarbij ook uit dossierstukken wordt geciteerd.
De verdachte zegt, wanneer hij met zijn celgenoot de betrokkenheid van andere personen bij de explosie aan de [adres 1] bespreekt, “
Die zwervers krijgen vijf ‘barkie’, goed toch eerlijk?.. Benikgoed of niet?”(OVC 717). [betrokkene 2] heeft tijdens zijn politieverhoor verklaard dat hij in het appartement van [betrokkene 1] verbleef, nadat hij dakloos was geworden na een scheiding. De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte de bewoners van het [adres 2] heeft betaald om het appartement te mogen gebruiken ter voorbereiding van de aanslag.
Verder zegt de verdachte wanneer hij zijn celgenoot voorhoudt dat de politie denkt dat hij flessen wasbenzine heeft gekocht in de Vomar: “
Ze hebben dus onderzoek gedaan naar Vomar hoeveel flessen daar van die wasbenzine zijn gehaald. Terwijl broer, wolah, ik heb niks gekocht daar.(…) Maar ze gaan zien. Die ding komt niet van Vomar.” (OVC 718). De rechtbank stelt vast dat dit overeenkomt met de bevinding van de politie dat de flessen wasbenzine die zijn aangetroffen in het portiek van het [adres 2] niet afkomstig zijn van de Vomar, maar van de Albert Heijn. De rechtbank kwalificeert deze kennis van de verdachte over de herkomst van de flessen wasbenzine als daderinformatie.
In de cel bespreken de verdachte en zijn celgenoot ook een aflevering van Opsporing Verzocht, waarbij aandacht wordt besteed aan de explosie. De celgenoot zegt tegen de verdachte dat hij gewoon moet ontkennen en vraagt of niemand het weet. Dit laatste bevestigt de verdachte. De celgenoot zegt:
“Telefoon uit. Dat is de belangrijkste. (…) die zou je nekken.”(OVC 27).
Nadat de verdachte en zijn celgenoot de verklaring van [slachtoffer 2] bespreken en de verdachte over die verklaring niet te spreken is, zegt hij: “
Broer, ik wil die osso van hem nuweerratelen, ik zweer het broer.” (OVC 1587). Ook rapt de verdachte, nadat hij de verdenking tegen hem voorleest en zijn celgenoot hierop reageert met “
Je hebt ze geterroriseerd vriend”, onder meer: “
Ik stuur die tyfus naar je voordeur” (OVC 401).
Ten slotte zegt de verdachte, terwijl hij met zijn celgenoot de explosie bij de woning aan de [adres 1] vergelijkt met explosies elders in het land: “
Natuurlijk,ikheb zes, zes mensen gewond hoor broer” en na een lange stilte: “
Kankerzooi! Zouden ze in deze kankercel afluisterapparatuur hebben gezet?” (OVC 1634). Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte toegeeft aan zijn celgenoot verantwoordelijk te zijn voor de verwonding van de slachtoffers door de explosie en vervolgens bang is dat politie of justitie daarachter komt middels afluisterapparatuur.
ConclusieDe rechtbank concludeert uit al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, dat de verdachte bij het teweegbrengen van de explosie betrokken is geweest. De rechtbank hecht hierbij waarde aan wat hij in de OVC’s zegt en waarin de verdachte naar het oordeel van de rechtbank blijk geeft van zijn betrokkenheid en dit toegeeft. Dat hier sprake was van grootspraak tegenover zijn celgenoot, of dat hij niet sprak over zichzelf maar over de verdenking zoals door de verdachte op zitting naar voren gebracht, volgt de rechtbank gelet op de specifieke informatie in de OVC’s en de ondersteuning daarvoor in de overige bewijsmiddelen, niet.
Medeplegen
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of de betrokkenheid van de verdachte kan worden gekwalificeerd als die van een medepleger. Om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen, is vereist dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. De medeplegers moeten opzettelijk – willens en wetens – samenwerken tot het verrichten van de strafbare gedraging. Daarbij is niet noodzakelijk dat de medeplegers min of meer gelijktijdig en gezamenlijk uitvoering geven aan het plegen van het delict. Voldoende is dat de verdachte een intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict heeft geleverd die van voldoende gewicht is. De nauwe en bewuste samenwerking kan onder meer blijken uit de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol van de verdachte in de voorbereiding, uitvoering of afhandeling van het delict en het belang van die rol, zijn aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Op basis van al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat de reden van de explosie aan [adres 1] het conflict tussen de verdachte en [slachtoffer 2] was. Uit kwaadheid van de verdachte en zijn wens om [slachtoffer 2] te treffen is de explosie door hem en/of op zijn initiatief georganiseerd. Met andere woorden, zonder die wens had de explosie aan de [adres 1] niet plaatsgevonden.
De verdachte is tot vlak voor de explosie aanwezig in het appartement aan het [adres 2] waar ook de uitvoerders zijn en waar de explosie wordt voorbereid en in de ochtend daarop ontmoet hij hen daar weer. De verdachte heeft rond het tijdstip van de explosie diverse malen contact met de bewoner van het betreffende appartement. In de gesprekken met zijn celgenoot geeft hij bovendien op verschillende momenten blijk van zijn betrokkenheid en zegt hij verantwoordelijk te zijn voor zes gewonden. Dat tezamen betekent dat, hoewel de concrete rol van de verdachte bij de feitelijke organisatie van de explosie niet in volle omvang duidelijk is geworden, hij wel van begin tot eind op verschillende manieren betrokken is geweest. Zijn intellectuele en de feitelijke bijdrage aan de explosie was essentieel en dus van zodanig gewicht, dat hij aangemerkt kan worden als medepleger van het teweegbrengen daarvan.
Daarmee acht de rechtbank het onder 2 ten laste gelegde medeplegen van het teweegbrengen van een explosie, met gemeen gevaar voor goederen, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar voor personen wettig en overtuigend bewezen.
3.3.4
Vrijspraak feit 1
Voor bewezenverklaring van het medeplegen van poging moord (impliciet primair) dan wel het medeplegen van poging doodslag (impliciet subsidiair) moet in elk geval sprake zijn van vol of voorwaardelijk opzet op de dood van de slachtoffers. De vraag is of de verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, heeft gehad op de dood van de bewoners van de woning aan de [adres 1] . Van vol opzet is sprake in het geval het handelen van de verdachte tot doel had om deze personen te doden. Voor voorwaardelijk opzet is vereist dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn handelen de dood van de genoemde bewoners tot gevolg had kunnen hebben. Bepaalde gedragingen kunnen daarnaast naar hun uiterlijke verschijningsvormen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg, in dit geval de dood van (een van) de bewoner(s) van de woning, bewust heeft aanvaard.
Opzet
De verdachte heeft zijn betrokkenheid in algemene zin ontkend. Vol opzet op de dood van
[slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] volgt naar het oordeel van de rechtbank ook niet uit de verklaring van [betrokkene 3] of uit de overige inhoud van het dossier. In tegendeel, [betrokkene 3] heeft verklaard dat het ging om het geven van een waarschuwing vanwege een eerdere diefstal. Er is daarom onvoldoende bewijs voor vol opzet.
Voorwaardelijk opzet
Voor de vraag of in dit geval sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood van genoemde bewoners, acht de rechtbank het volgende van belang. De brand in de woning die als gevolg van de explosie uitbrak, is groot geweest en uit het forensisch onderzoek is gebleken dat dit met name is veroorzaakt door het toevoegen van zes flessen wasbenzine aan de VBC, oftewel zogenaamde brandversnellende middelen. Op grond van het dossier, in het bijzonder dit forensisch onderzoek, stelt de rechtbank vast dat de kans aanmerkelijk was dat een of meer bewoners van de woning zou(den) worden gedood als gevolg van de explosie en de brand. Dat de verdachte deze kans bewust heeft aanvaard kan de rechtbank niet vaststellen. Zoals hiervoor overwogen is de concrete rol van de verdachte bij de feitelijke voorbereiding van de explosie niet ten volle duidelijk geworden. Dat de verdachte wist dat daarin wasbenzine werd verwerkt kan wel worden aangenomen.
Echter, niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van de precieze omvang en kracht van het pakket, en daarmee van de explosie- en brandveroorzakende capaciteit van de VBC. [betrokkene 3] heeft verklaard dat hij en [betrokkene 4] in een woning aan het [adres 2] een tas kregen. Niet gebleken is dat de verdachte hen die tas heeft gegeven, noch dat de verdachte -op enig andere wijze- kennis had van de omvang en samenstelling van de VBC in de tas. Nu niet vastgesteld kan worden dat de verdachte zich bewust moet zijn geweest van het mogelijk dodelijk gevolg van de explosie, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of hij die -als aanmerkelijk- te achten kans bewust heeft aanvaard.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte willens en wetens een aanmerkelijke kans op de dood van de slachtoffers heeft aanvaard.
Nu (voorwaardelijk) opzet op de dood van de slachtoffers niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van het bestanddeel ‘voorbedachte rade’, uit de tenlastelegging.
De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder feit 1 ten laste gelegde.
3.3.5
Vrijspraak feit 3
Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen wat de verdachte onder feit 3 ten laste is gelegd, zodat hij ook daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Feit 3 heeft betrekking op de criminele uitbuiting van de minderjarigen [betrokkene 3] en [betrokkene 4] door de verdachte met betrekking tot het bewezen feit 2. Dat hiervan sprake zou zijn, vindt enkel steun in de verklaringen van [betrokkene 3] . Zoals hiervoor is overwogen, gaat de rechtbank behoedzaam om met deze verklaringen. Nu de stellingen van [betrokkene 3] dat er sprake is geweest van (dreiging met) geweld en dat zij geld zouden krijgen voor het verrichten van de opdracht, niet wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen, zal de rechtbank de verdachte bij gebrek aan bewijs vrijspreken van het onder feit 3 ten laste gelegde.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 15 december 2024 te Purmerend tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht bij een woning aan de [adres 1] door meerdere cobra’s in combinatie met een brandversnellend middel voor de voordeur van die woning te plaatsen en die cobra’s in combinatie met een brandversnellend middel aan te steken en tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten de genoemde woning en naastgelegen woningen en
- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor bewoners van genoemde woning en naastgelegen woningen te duchten was.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
Opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen
te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte al in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
6.2
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht bij het bepalen van een straf rekening te houden met de jonge leeftijd van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan het teweegbrengen van een explosie door een VBC bestaande uit zes cobra’s en zes flessen wasbenzine aan te (laten) steken bij de voordeur van een woning aan de [adres 1] in Purmerend. Hierdoor vond er even na 04:00 uur in de nacht een explosie plaats. Dit is een tijdstip waarop mensen doorgaans liggen te slapen, zo ook de bewoners van nummer [... 1] en de bewoners van de aangrenzende woningen. De explosie heeft een hevige brand veroorzaakt die zich zeer snel verspreidde, waarbij de bewoners uit hun woningen moesten vluchten. De getroffen woningen, met daarin ook eigendommen met emotionele waarde, zijn verwoest dan wel zeer ernstig beschadigd. Daarnaast is bij de brand de minderjarige [slachtoffer 1] levensgevaarlijk gewond geraakt. Zijn broer [slachtoffer 2] heeft hem uit de brandende woning gered, waarna [slachtoffer 1] bij buren onder de douche is gezet om zijn ernstige brandwonden te koelen. Zijn moeder en omwonenden zijn hiervan getuige geweest. [slachtoffer 1] heeft als gevolg van de brandwonden ruim twee weken in coma gelegen. 55% van zijn lichaam is verbrand. Hij heeft meerdere operaties en een intensief revalidatieproces moeten ondergaan. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat [slachtoffer 1] bij veel alledaagse handelingen hulp nodig heeft, omdat hij als gevolg van de verbranding zijn handen niet meer goed kan gebruiken. Vast staat dat [slachtoffer 1] en zijn familie de rest van hun leven geconfronteerd zullen worden met de gevolgen van de explosie. [slachtoffer 1] is niet helemaal hersteld. Mogelijk zal hij nog meer hersteloperaties moeten ondergaan, aangezien hij nog jong is, niet is uitgegroeid en donorhuid niet meegroeit.
Ook geestelijk heeft de explosie grote gevolgen voor [slachtoffer 1] , als ook voor zijn moeder en broer, zoals is gebleken uit de op zitting voorgedragen slachtofferverklaringen.
Op de directe buren, de families [... 2] en [... 2] , heeft de explosie ook grote impact gehad. Ook hun woningen zijn verwoest en zij zijn ervan getuige geweest dat [slachtoffer 1] door zijn broer brandend uit de woning werd getrokken. Uit de op zitting voorgedragen slachtofferverklaringen blijkt dat deze gebeurtenissen tot op de dag van vandaag een grote impact heeft op beide gezinnen. Ook in de maatschappij leiden dergelijke explosies vaak tot gevoelens van onrust en onveiligheid, te meer nu dit feit midden in de nacht heeft plaatsgevonden.
De persoonlijke omstandigheden
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 12 mei 2026, waaruit blijkt dat de verdachte al eerder voor vermogens- en geweldsdelicten onherroepelijk tot vrijheidsbenemende straffen is veroordeeld en de over de verdachte uitgebrachte rapporten.
Zowel uit het psychiatrisch rapport van 24 augustus 2025 als het psychologisch rapport van 27 augustus 2025 volgt dat de onderzoeken niet hebben geleid tot voldoende informatie op basis waarvan de gestelde vragen kunnen worden beantwoord. De psychiater en de psycholoog hebben beiden daarom een klinische observatie in Teylingereind geadviseerd.
In het rapport over het klinisch multidisciplinair onderzoek van Teylingereind van 2 april 2026 staat onder meer -zakelijk weergegeven- dat er bij de verdachte sprake is van een beperkte intelligentie, dat hij voldoet aan de criteria van een antisociale persoonlijkheids-stoornis en dat er een aantal narcistische kenmerken wordt gezien. Uitgaande van het scenario waarbij sprake is van een proactieve instrumentele handeling van de verdachte, met voldoende tijd, controle en keuzevrijheid, zien de deskundigen geen doorwerking van deze problematiek in het tenlastegelegde. De psychische problematiek van de verdachte heeft zijn keuzevrijheid wat zijn gedrag betreft niet beperkt. Daarom kan dit -indien bewezenverklaard- volledig aan de verdachte worden toegerekend. De verdachte heeft volgens de onderzoekers zichzelf tijdens het onderzoek laten kennen als een verharde en zelfbepalende jongeman die een uitgerijpte indruk maakt, een dominante rol aanneemt in de groep en nauwelijks profiteert van een (ortho)pedagogische aanpak. Er zijn volgens de onderzoekers daarom geen argumenten om het minderjarigenstrafrecht toe te passen.
Met de conclusies van dit rapport kan de rechtbank zich verenigen en neemt deze over.
Uit het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 24 juni 2026 van Reclassering Nederland blijkt dat de reclassering zich aansluit bij de bevindingen uit de Pro Justitia rapportages en de klinische observatie in Teylingereind, ook wat betreft de constatering dat er geen argumenten zijn om het minderjarigenstrafrecht toe te passen.
Redelijke termijn
Als uitgangspunt heeft te gelden dat als een verdachte in voorlopige hechtenis verkeert, de behandeling ter terechtzitting moet worden afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Tussen de inverzekeringstelling van de verdachte op 19 december 2024 en dit vonnis in eerste aanleg zijn meer dan 16 maanden verstreken. De redelijke termijn in eerste aanleg is dan ook met ruim drie maanden overschreden.
De rechtbank is echter van oordeel dat deze termijnoverschrijding voor rekening van de verdachte komt, nu uit de Pro Justitia rapportages volgt dat de verdachte onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek. Daardoor is een observatie in Teylingereind noodzakelijk geacht en bevolen, wat tijd nodig heeft gehad. De rechtbank zal daarom volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden, zonder daar enig rechtsgevolg aan te verbinden.
De op te leggen strafGelet op de ernst van de feiten is de enige passende straf naar het oordeel van de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, komt zij ook tot een andere duur van deze gevangenisstraf.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van zestig maanden moet worden opgelegd, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv Pro.

7.Vrijheidsbenemende / vrijheidsbeperkende maatregel

Ter beveiliging van de maatschappij is de rechtbank van oordeel dat de maatregel dat de verdachte voor de duur van vijf jaar op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] dient te worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 7 dagen, met een totale duur van ten hoogste zes maanden.
Dadelijke uitvoerbaarheid maatregel
Omdat er, gezien het motief van de verdachte bij de explosie, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens [slachtoffer 1] , beveelt de rechter, gelet op artikel 38v, vierde lid, Wetboek van Strafrecht (Sr), dat de opgelegde maatregel, dadelijk uitvoerbaar is.

8.Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

8.1
Algemeen
Juridisch kader
Immateriële schade
De vorderingen zien geheel of gedeeltelijk op immateriële schade. Vergoeding van deze schade is aan de orde als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan ook sprake zijn van aantasting in de persoon 'op andere wijze', namelijk wanneer de aard en de ernst van a) de normschending en b) van de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij dat meebrengen. Het is in beginsel aan de benadeelde partij om dit met concrete gegevens te onderbouwen.
In uitzonderlijke gevallen kan ook een aantasting in de persoon 'op andere wijze' worden aangenomen als de aard en ernst van de normschending van zodanig groot gewicht zijn, en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een persoonsaantasting.
AffectieschadeSinds 1 januari 2019 is het voor een beperkte groep naasten mogelijk om aanspraak te maken op vergoeding van affectieschade op grond van artikel 6:108, derde en vierde lid, Burgerlijk Wetboek (BW). Het gaat hier om vergoeding van verdriet dat een naaste heeft omdat een persoon met wie hij een zeer nauwe band heeft, overlijdt of zwaar letsel heeft opgelopen door een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is. De hoogte van de bedragen waarop men aanspraak kan maken, is geregeld in het Besluit vergoeding affectieschade (hierna: het besluit). Het is een zogenoemd ‘forfaitair stelsel’. De vergoeding is bedoeld om erkenning te bieden voor het ondergane leed, en ook om genoegdoening te bieden, in die zin dat het geschokte rechtsgevoel van de naasten of nabestaanden wordt verzacht doordat van de aansprakelijke een opoffering wordt verlangd. Het recht op smartengeld voor naasten of nabestaanden biedt hun een eigen aanspraak, maar is afgeleid van de aansprakelijkheid van de veroorzaker ten opzichte van de primair gekwetste.
Schokschade
Schokschade komt als immateriële schade voor toewijzing in aanmerking als de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van een hevige emotionele schok door het waarnemen van het door de verdachte gepleegde strafbare feit, of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid tegen het secundaire slachtoffer zijn onder meer:
a. a) de aard, de toedracht en de gevolgen van de tegen het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed;
b) de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de tegen het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was;
c) de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen.
Het recht op vergoeding van schade die is veroorzaakt door het onrechtmatig teweegbrengen van een hevige emotionele schok is beperkt tot de schade die volgt uit het veroorzaakte geestelijk letsel, welk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld.
Rechtstreekse schade
Bij de beoordeling van de vorderingen gaat de rechtbank er telkens vanuit dat de gevorderde schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde feit, tenzij expliciet wordt vermeld dat geen rechtstreekse schade wordt aangenomen.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle toewijsbare vorderingen dienen te worden vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast dient de verdachte steeds hoofdelijk te worden veroordeeld en moet ook steeds de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van alle vorderingen primair bepleit dat zij niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in de vorderingen vanwege de bepleite vrijspraak. Ten aanzien van het berekenen van wettelijke rente stelt de verdediging zich op het standpunt dat de wettelijke rente niet moet aanvangen op de datum van het strafbare feit, maar op het moment waarop de immateriële schade wordt begroot.
8.2
Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1]
[slachtoffer 3] heeft namens haar zoon, de benadeelde partij [slachtoffer 1] , een vordering tot schadevergoeding van € 303.480,55 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van de explosie zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente.
De gestelde materiële schade bedraagt in totaal € 23.480,55 en bestaat uit medische kosten, kosten voor verblijf in het ziekenhuis en revalidatiecentrum en kosten in verband met studievertraging. De gestelde immateriële schade bedraagt € 230.000,00 en bestaat uit schade door lichamelijk en geestelijk letsel. Een bedrag van € 50.000,00 betreft toekomstige (materiële en immateriële) schade.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering wat betreft de materiële schade en wat betreft de immateriële schade geheel kan worden toegewezen.
Ten aanzien van de toekomstige schade dient de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. Deze schade is gevorderd met het oog op een eventuele hoger beroep procedure en bestaat feitelijk nog niet.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de gevorderde materiële schade gerefereerd wat betreft de posten medische kosten, kosten ziekenhuis en revalidatie. De post studievertraging wordt betwist. Dat er sprake is geweest van studievertraging veroorzaakt door het feit is niet aangetoond. Voor dit onderdeel is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.
Ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging zich gerefereerd voor wat betreft het gevorderde bedrag voor het geestelijk letsel. Het bedrag voor het lichamelijk letsel dient te worden gematigd tot rond de € 75.000,00. Wat betreft de toekomstige schade heeft de verdediging bepleit om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.
Oordeel rechtbank
Materiële schade
De gevorderde materiële schade is wat betreft de medische kosten (€ 1.094,55) en de kosten voor het ziekenhuis en revalidatie (€ 4.636,00) voldoende onderbouwd. De vordering is op deze punten niet betwist door de verdediging, zodat deze posten zullen worden toegewezen. Ook de schade in verband met studievertraging is voldoende onderbouwd.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de benadeelde partij schoolgaand was, dat er op het moment van de brand geen sprake was van vertraging en dat hij door zijn lange verblijf in het ziekenhuis en het revalidatiecentrum niet in staat was om een opleiding te vervolgen/af te maken. De rechtbank zal deze post daarom eveneens toewijzen tot het gevorderde bedrag van € 17.750,00. De rechtbank overweegt hierbij dat het moment van het intreden van deze schade, gelet op de aard hiervan, niet zonder meer duidelijk is en blijkt onvoldoende uit de vordering. De rechtbank zal daarom voor de post studievertraging geen wettelijke rente toewijzen.
Immateriële schade
Uit de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan volgt reeds dat sprake is van een aantasting in de persoon, hetgeen de verdediging ook niet betwist. De benadeelde partij heeft ernstig lichamelijk letsel opgelopen in de vorm van tweede- en derdegraads brandwonden over 55% van zijn lichaam. Hij is daardoor blijvend getekend door littekens. Daarnaast geldt dat de benadeelde partij ten tijde van het feit een jongen van 16 jaar in de groei was en steeds nieuwe operaties nodig heeft, omdat donorhuid niet meegroeit. Zijn handen zijn door de verbranding zodanig aangetast dat er sprake is van een belemmering bij alledaagse handelingen. Een bedrag van € 130.000,00 komt de rechtbank billijk voor, gelet op de onderbouwing en het verhandelde ter terechtzitting. Dit bedrag zal dan ook worden toegewezen.
De benadeelde partij heeft toekomstige schade gevorderd met het oog op een eventuele hoger
beroepsprocedure. Nu deze schade feitelijk nog niet is geleden, zal de rechtbank de benadeelde partij wat betreft deze post niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Conclusie
De vordering zal voor wat betreft de materiële schade worden toegewezen tot een bedrag van
€ 23.480,55 en wat betreft de immateriële schade tot een bedrag van € 130.000,00.
Dit betekent dat de vordering zal worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 153.480,55, vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag van € 130.000,00 vanaf 15 december 2024 en vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag van € 5.730,55 vanaf 1 maart 2025, telkens tot aan de dag van de algehele voldoening.
8.3
Vordering benadeelde [slachtoffer 3]
De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 140.527,77 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de explosie zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente.
De gestelde materiële schade bedraagt € 83.027,77 en heeft betrekking op de inboedel, kosten voor alternatief verblijf, kosten voor verblijf in het Ronald McDonaldhuis, kosten in verband met de nieuwe woning, kosten voor medicatie en reiskosten. De gestelde immateriële schade bedraagt € 57.500,00 en bestaat uit schade als gevolg van geestelijk letsel, schokschade en affectieschade.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering wat betreft de materiële schade kan worden toegewezen tot een bedrag van € 18.829,31. Dit betreft de kosten van alternatief verblijf, verblijf in het Ronald McDonaldshuis, reiskosten voor bezoek aan haar zoon (slachtoffer
)en voor medicatie. De kostenpost vloer, muren en bank nieuwe woning acht de officier gedeeltelijk toewijsbaar, te weten tot een gedrag van € 11.843,01.
De kosten inboedel zijn onvoldoende onderbouwd en daarom niet voor toewijzing vatbaar.
De vordering ter zake de immateriële schade kan voor wat betreft het geestelijk letsel worden toegewezen tot een bedrag van € 20.000,00. Uit de aard en ernst van de normschending volgt dat de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in haar persoon is aangetast.
De benadeelde partij dient wat betreft de schokschade niet-ontvankelijk te worden verklaard. In de vordering wordt verwezen naar een screenshot waaruit enkel volgt dat sprake is van een vermoeden van PTSS-achtige klachten. Dat sprake is van een (objectief vastgesteld) in de psychiatrie erkend ziektebeeld, is niet onderbouwd.
Ook wat de affectieschade betreft dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard. Om affectieschade te kunnen toewijzen moet sprake zijn van blijvend en ernstig letsel bij de getroffen naaste. In de rechtspraak wordt hierbij het criterium gehanteerd dat in beginsel sprake moet zijn van 70% of meer blijvende functiestoornis. Bijkomende omstandigheden, zoals de invloed van het blijvende letsel bij de naaste op het dagelijks leven, wegen ook mee. Vaststaat dat het slachtoffer ernstig letsel heeft opgelopen en dat dit (deels) ook blijvend zal zijn. Uit de vordering volgt echter niet in welke mate sprake is van blijvend letsel bij het slachtoffer en welke impact dit heeft en zal gaan hebben op het leven van de benadeelde partij.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd wat betreft de posten alternatief verblijf Ronald McDonaldhuis, kosten niet-vergoede medicatie en reiskosten bezoek [slachtoffer 1] . De post kosten vloer en muren dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid, dan wel matiging.
Ten aanzien van het gestelde geestelijk letsel stelt de verdediging dat er een sterk vermoeden is van PTSS-achtige klachten. Dat is onvoldoende om aantasting in de persoon op andere wijze aan te nemen. De benadeelde partij moet daarom op het punt van geestelijk letsel niet-ontvankelijk worden verklaard.
Wat betreft de schokschade meent de verdediging dat aan het confrontatievereiste is voldaan, maar dat onvoldoende is vast komen te staan, nu de benadeelde partij zelf slachtoffer is van hetzelfde feit, dat er als gevolg van die confrontatie sprake is van psychische klachten. Dat betekent dat de gevorderde vergoeding wegens schokschade niet kan worden toegewezen en in zoverre in de vordering niet-ontvankelijk zal moeten worden verklaard. Subsidiair meent de verdediging dat het bedrag gematigd dient te worden indien al een vergoeding voor geestelijk letsel wordt toegewezen.
Bij affectieschade kan toekenning plaatsvinden als er sprake is van ernstig en blijvend letsel, waarvan kan worden gesproken bij 70% of meer aan blijvende functiestoornis. Bijkomende factoren als invloed van het blijvende letsel op het leven van de naaste en het dagelijkse leven van benadeelde partij wegen mee. Op dit moment niet worden kan vastgesteld dat sprake is van dermate grote, ingrijpende en blijvende beperkingen bij de zoon die het dagelijkse leven van benadeelde partij beïnvloeden dat aanspraak gemaakt kan worden op affectieschade. Dit dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid.
Oordeel rechtbank
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de kosten voor alternatief verblijf (€ 3.862,16), het verblijf in het Ronald McDonald huis (€ 1.785,00), de kosten voor niet vergoede medische behandelingen (€ 820,58), de kosten voor de muren (€ 10.073,56) en de vloer (€ 1.769,45) en de reiskosten (€ 518,56) kunnen worden toegewezen nu ze voldoende zijn onderbouwd en/of niet zijn betwist.
De gevorderde reiskosten (€ 518,56) zijn eveneens voldoende onderbouwd en kunnen als zogenaamde verplaatste schade worden toegewezen aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] , die deze kosten heeft gemaakt. Wat betreft de kosten voor de inboedel is de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat deze onvoldoende zijn onderbouwd. Duidelijk is geworden dat door de verzekeraar een bedrag is uitgekeerd voor de inboedel. Hoe dit bedrag tot stand is gekomen en of meer schade is geleden dan door de verzekeraar is vergoed, wordt op grond van de overlegde stukken niet duidelijk. De benadeelde partij zal wat betreft deze post daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit geldt ook voor de kosten voor de zitbank. De zitbank valt onder de inboedel, zodat niet valt uit te sluiten dat bij toewijzing van deze post, al dan niet sprake is van een dubbele vergoeding.
Immateriële schade
De aard en ernst van de normschending brengen in dit geval mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De benadeelde partij is in de nacht, terwijl zij met haar kinderen lag te slapen in haar eigen woning overdonderd door een vernietigende vuurwerkbom. De brand die als gevolg daarvan is ontstaan, heeft haar woning onbewoonbaar gemaakt en haar jongste zoon ernstig verwond. De benadeelde partij is direct en wordt ook nu nog geconfronteerd met de ernstige gevolgen die de explosie heeft gehad voor haar en de rest van haar gezin. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering op dit punt toewijzen tot het gevorderde bedrag van € 20.000,00, nu zij dit billijk acht. De rechtbank heeft daarbij gelet op de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegewezen.
Ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor schokschade overweegt de rechtbank dat de benadeelde partij direct is geconfronteerd met haar jongste zoon die zwartgeblakerd, ernstig gewond en met brandend haar door zijn broer uit de brandende woning is gered. Gelet hierop acht de rechtbank het bestaan van schokschade zodanig aannemelijk dat zij, in combinatie met het feit dat door de praktijkondersteuner (ggz) van de huisarts van de benadeelde partij is vastgesteld dat er sprake is van een sterk vermoeden van PTSS-achtige klachten, hiervan uitgaat. Niet uitgesloten is dat sprake is van enige overlap bij deze schade en het - hiervoor besproken - nadeel dat de benadeelde partij als direct gevolg van de explosie en de brand heeft ondervonden. Ook indien daarvan wordt uitgegaan, acht de rechtbank het gevorderde bedrag van € 20.000,00 passend, zodat de vordering op dit punt geheel zal worden toegewezen.
Met betrekking tot de gevorderde affectieschade overweegt de rechtbank als volgt.
Voor de vraag of sprake is van ernstig en blijvend letsel is bij het primaire slachtoffer wordt in de rechtspraak het criterium gehanteerd dat in beginsel sprake moet zijn van 70% of meer blijvende functiestoornis. Ook bijkomende omstandigheden, zoals de invloed van het blijvende letsel op de naaste en het dagelijks leven van de benadeelde partij wegen mee.
Vaststaat dat de zoon van de benadeelde partij ernstig en deels blijvend letsel heeft opgelopen als gevolg van brandwonden. Echter, dat sprake is van dermate grote, ingrijpende en blijvende beperkingen in zijn leven die maken dat aanspraak gemaakt kan worden op affectieschade, volgt niet zonder meer uit de onderbouwing van de vordering en wordt door de verdediging betwist. Het nader onderzoek daarnaar vormt een onevenredige belasting voor het strafproces zodat de benadeelde partij op dit punt van de vordering niet-ontvankelijk is.
Conclusie
De rechtbank zal de vordering wat betreft de materiële schade toewijzen tot een bedrag van
€ 18.829,31 en wat betreft de immateriële schade tot een bedrag van € 40.000,00.
Dit betekent dat de vordering zal worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 58.829,31, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 40.000,00 vanaf 15 december 2024, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 3.862,16 (alternatieve huisvesting) vanaf 2 februari 2025, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 1.339,40 (medicatie en reiskosten) vanaf 1 maart 2025 en vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 1.785,00 (Ronald McDonaldhuis) vanaf 1 mei 2025, telkens tot aan de dag van de algehele voldoening.
8.4
Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van
€ 60.010,00 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van de explosie zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente.
De gestelde materiële schade bedraagt € 2.510,00 en bestaat uit vergane kleding. De gestelde immateriële schade bedraagt € 57.500,00 en bestaat uit schade als gevolg van geestelijk letsel, shockschade en affectieschade.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de benadeelde partij wat betreft de materiële schade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de vordering op dit punt onvoldoende is onderbouwd.
De vordering kan wat betreft de immateriële schade volgens de officier van justitie worden toegewezen tot een bedrag van € 40.000,00. Deze gevorderde vergoeding voor geestelijk letsel betreft schade die het rechtstreekse gevolg is van de ten laste gelegde feiten, is voldoende onderbouwd en is daarom voor toewijzing vatbaar. Uit de aard en ernst van de normschending, volgt dat de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast.
In de rechtspraak is met betrekking tot shockschade overwogen dat dit in het algemeen slechts kan worden toegekend indien sprake is van een (objectief vastgesteld) in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Uit de stukken volgt dat sprake is geweest van een hevige emotionele schok en dat er bij de benadeelde partij PTSS is vastgesteld. De benadeelde partij heeft deze post hiermee voldoende onderbouwd. Daarom kan de shockschade worden toegewezen tot het gevorderde.
De benadeelde partij dient wat betreft de post affectieschade niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Vaststaat dat het slachtoffer (broer) ernstig letsel heeft opgelopen en dat dit (deels) ook blijvend zal zijn. Uit de vordering volgt echter niet in welke mate sprake is van blijvend letsel bij het slachtoffer en welke impact dit heeft en zal gaan hebben op het leven van de benadeelde partij. Ook is, anders dan dat sprake was van een hecht gezin, niet onderbouwd welke speciale band de benadeelde partij met het slachtoffer heeft en welke impact de invaliditeit heeft en zal gaan hebben op het leven van de benadeelde partij.
Standpunt verdediging
De post vergane kleding moet niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat deze post onvoldoende is onderbouwd.
Wat betreft het geestelijk letsel en de schokschade heeft de verdediging bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Ten aanzien van de affectieschade voert de verdediging aan dat de wetgever er uitdrukkelijk voor heeft gekozen om broers en zussen niet als gerechtigden in de wet op te nemen. Subsidiair heeft de verdediging de rechtbank verzocht om het bedrag te matigen tot € 5.000,00, zijnde het bedrag dat het Schadefonds Geweldsmisdrijven uitkeert als tegemoetkoming.
Oordeel rechtbank
Materiële schade
De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de vordering ten aanzien van de vergane kleding door de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd. Bij de door de benadeelde partij overgelegde aankoopbonnen ontbreekt op drie bonnen een datum en bovendien woonde de benadeelde partij op een ander adres. Het is de rechtbank daarom onvoldoende duidelijk geworden dat de spullen aanwezig waren in de woning. De benadeelde partij zal op dit punt daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Immateriële schade
De aard en ernst van de normschending brengen in dit geval reeds mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De benadeelde partij is in de nacht, terwijl hij lag te slapen in de woning bij zijn moeder en jongste broertje, geconfronteerd met een vernietigende vuurwerkbom. Als gevolg daarvan is een brand ontstaan in de woning en heeft de benadeelde partij, kort samengevat, eerst zijn moeder met een ladder van de buurman via het balkon uit het huis gered waarna hij het leven van zijn jongere broer heeft gered door hem uit de brandende woning te halen, terwijl het haar van zijn broertje nog in brand stond. Hij heeft het vuur gedoofd en zijn broertje bij de buren onder de douche gezet om de ernstige brandwonden te koelen. De huid van zijn broertje zat op zijn huid geplakt.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering op dit punt toewijzen tot het gevorderde bedrag van € 20.000,00, nu zij dit billijk acht. De rechtbank heeft daarbij gelet op de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegewezen.
Met betrekking tot de gevorderde schokschade verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor is vermeld over de omstandigheden waaronder de benadeelde partij zijn broer heeft aangetroffen en uit het huis heeft gered. De benadeelde partij heeft (mede) als gevolg van deze confrontatie PTSS-klachten opgelopen waarvoor de huisarts hem heeft doorgestuurd naar een psycholoog. Daarmee kan de vordering van de benadeelde partij ook ten aanzien van deze schade worden toegewezen. Niet uitgesloten is dat sprake is van enige overlap bij deze schade en het - hiervoor besproken - nadeel dat de benadeelde partij als direct gevolg van de explosie en de brand heeft ondervonden. Ook indien daarvan wordt uitgegaan acht de rechtbank het gevorderde bedrag van € 20.000,00 passend, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Zoals hiervoor onder 8.1 is opgenomen kan in beginsel slechts een beperkte kring van personen voor vergoeding van affectieschade in aanmerking komen. Broers kunnen volgens de wet in beginsel geen aanspraak maken op affectieschade. Dat kan anders zijn als wordt onderbouwd dat sprake is van een speciale band en de impact van het blijvende letsel bij de naaste ook impact heeft op het leven van de benadeelde partij. Die onderbouwing ontbreekt. De rechtbank zal de benadeelde partij wat betreft de affectieschade niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Conclusie
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een totaalbedrag van
€ 40.000,00
,vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening
.
8.5
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 4]
De benadeelde partij [benadeelde partij 4] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.138,96 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente.
De gestelde materiële schade bedraagt € 138,96 en bestaat uit kosten voor verf. De gestelde immateriële schade bedraagt € 5.000,00 en bestaat uit nadeel in de vorm van angst- en stressklachten als gevolg van de explosie en houden verband met het verblijf in een noodwoning.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering wat betreft de materiële schade geheel kan worden toegewezen.
Ditzelfde geldt voor wat betreft de gevorderde immateriële schade nu sprake is van een normschending die qua aard en ernst zodanig ernstig is dat een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden aangenomen.
Standpunt verdediging
Volgens de verdediging mist de gevorderde materiële schade onderbouwing. Er zijn alleen foto’s overgelegd.
Voorts is niet onderbouwd dat sprake is van immateriële schade. Geestelijk letsel kan niet worden afgeleid uit schade in verband met verblijf in een noodwoning. De benadeelde partij moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Oordeel rechtbank
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de vordering ten aanzien van de materiële schade voldoende is onderbouwd, mede gelet op de bijgesloten foto’s. Dat na het herstel van de woning daarin geschilderd moest worden, ligt naar het oordeel van de rechtbank voor de hand en het gevorderde bedrag aan kosten voor de verf is redelijk en roept geen vragen op. De rechtbank zal de vordering wat betreft deze kosten dan ook toewijzen.
Immateriële schade
Wat betreft de immateriële schade is de vordering echter onvoldoende onderbouwd. Met betrekking tot de gestelde angst- en stressklachten kan niet worden vastgesteld dat sprake is van een aantasting in de persoon (op andere wijze). Het verblijf in een noodwoning onder primitieve omstandigheden, zoals als onderbouwing is gegeven, is weliswaar een langdurig ongemak, maar eveneens onvoldoende voor toewijzing van de vordering op dit punt. Gelet hierop zal de rechtbank de benadeelde partij voor wat betreft de immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren.
Conclusie
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een totaalbedrag van
€ 138,96
,vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 april 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.
8.6
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 5]
De benadeelde partij [benadeelde partij 5] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.849,00 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente.
De gestelde materiële schade bedraagt € 849,00 en bestaat uit kosten voor de aanschaf van een fatbike. De gestelde immateriële schade bedraagt € 5.000,00 en bestaat uit schade als gevolg van geestelijk letsel.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de benadeelde partij wat betreft de materiële schade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de kosten voor aanschaf van een fatbike niet kunnen worden gezien als rechtstreekse schade als gevolg van de ten laste gelegde feiten.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade is de officier van justitie van mening dat gelet op de aard en ernst van de normschending de benadeelde partij op andere wijze in haar persoon is aangetast. Uit een nagekomen stuk volgt bovendien dat bij haar PTSS is vastgesteld. De vordering kan wat betreft de immateriële schade volgens de officier van justitie worden toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00.
Standpunt verdediging
De kosten voor de fatbike die gevorderd zijn door de benadeelde partij [benadeelde partij 5] staan niet in een causaal verband dan wel in een te ver verwijderd verband, zodat zij niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Het geestelijk letsel is onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om matiging van de immateriële schade.
Oordeel rechtbank
Materiële schade
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] voor geleden materiële schade toewijzen. Ter terechtzitting is naar voren gebracht dat de benadeelde partij voor haar zoon een fatbike heeft aangeschaft, zodat hij zelfstandig de afstand kon overbruggen tussen zijn school en de nieuwe woning in [... 1] . De benadeelde partij moest verhuizen, omdat haar eigen woning aan de [adres 33] na de explosie onbewoonbaar was en daarmee is het causaal verband en de noodzaak tot het maken van deze kosten voldoende aangetoond.
Immateriële schade
De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van de immateriële schade geheel toewijzen. De aard en ernst van de normschending brengen in dit geval reeds mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De benadeelde partij sliep met haar twee (minderjarige) kinderen direct naast het huis waar ’s nachts het explosief afging. Zij heeft gezien hoe haar huis zwaar beschadigd raakte door de uitslaande brand, waarbij haar hele inboedel verloren is gegaan. De rechtbank acht een bedrag van € 5.000 billijk. In zoverre zal de vordering worden toegewezen.
Conclusie
De vordering van de benadeelde partij wordt geheel toegewezen tot het bedrag van
€ 5.849,00, vermeerderd met de wettelijke rente (over een bedrag van € 5.000,00 vanaf 15 december 2024 en over een bedrag van € 849,00 vanaf 3 januari 2025), tot aan de dag van de algehele voldoening. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.
8.7
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 6]
De benadeelde partij [benadeelde partij 6] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.613,29 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente.
De gestelde materiële schade bedraagt € 613,29 en bestaat uit kosten voor medische behandelingen. De gestelde immateriële schade bedraagt € 5.000,00 en bestaat uit schade als gevolg van geestelijk letsel.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering wat betreft de materiële schade geheel kan worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 613,29.
Ditzelfde geldt voorde voor de immateriële schade. Uit de onderbouwing volgt dat bij de benadeelde partij PTSS is vastgesteld als gevolg van de explosie.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich wat betreft de materiële schade gerefereerd.
Het geestelijk letsel is onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om matiging van de immateriële schade.
Oordeel rechtbank
De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van de materiële en immateriële schade geheel toewijzen. Uit de onderbouwing bij de vordering volgt dat de benadeelde partij als gevolg van de explosie geestelijk letsel heeft opgelopen en behandeling krijgt van een psycholoog. Deze behandeling is niet vergoed zodat de kosten hiervan voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de rechtbank dat uit de aard en de ernst van de normschending volgt dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De benadeelde partij woonde direct naast het huis waar ’s nachts het explosief afging en heeft haar buurjongen [slachtoffer 1] die zwaargewond raakte bij haar thuis onder de douche geholpen, totdat zij door de brand het huis moesten verlaten. Voor het immateriële deel van de schade acht de rechtbank een bedrag van € 5.000 billijk.
Conclusie
De vordering is, zowel voor het materiële (€ 613,19) als voor het immateriële deel (€ 5.000,00), voldoende onderbouwd en zal in zijn geheel worden toegewezen tot het gevorderde bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente (over een bedrag van € 5.000,00 vanaf 15 december 2024 en over een bedrag van € 849,00 vanaf 2 juni 2025), tot aan de dag van de algehele voldoening.
8.8
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 7]
De benadeelde partij [benadeelde partij 7] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.000,00 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente.
De gestelde immateriële schade bestaat uit schade als gevolg van geestelijk letsel.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering geheel kan worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 5.000,00. Uit de onderbouwing volgt dat gelet op de aard en de ernst van de normschending de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast.
Standpunt verdediging
Het geestelijk letsel is onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om matiging van de immateriële schade.
Oordeel rechtbank
De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van de immateriële schade geheel toewijzen. De aard en ernst van de normschending brengen in dit geval reeds mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De benadeelde partij woonde direct naast het huis waar ’s nachts het explosief afging en is direct geconfronteerd met de brand, hetgeen tot grote angst heeft geleid. De rechtbank acht het bedrag van € 5.000 billijk.
Conclusie
De vordering van de benadeelde partij zal wat betreft de immateriële schade dan ook worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 5.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.
8.9
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 8]
De benadeelde partij [benadeelde partij 8] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.000,00 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente.
De gestelde immateriële schade bestaat uit schade als gevolg van geestelijk letsel.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering geheel kan worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 5.000,00. Uit de onderbouwing volgt dat gelet op de aard en de ernst van de normschending de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in haar persoon is aangetast.
Standpunt verdediging
Het geestelijk letsel is onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om matiging van de immateriële schade.
Oordeel rechtbank
De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van de immateriële schade geheel toewijzen. De aard en ernst van de normschending brengen in dit geval reeds mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De benadeelde partij woonde direct naast het huis waar ’s nachts het explosief afging.
Naast de traumatische ervaring van hevige brand in/aan de eigen woning, heeft de benadeelde partij eerste hulp verleend aan haar buurjongen [slachtoffer 1] , die ernstige brandwonden heeft opgelopen. De rechtbank acht het bedrag van € 5.000 billijk.
Conclusie
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 8] wordt geheel toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 5.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
8.1
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 9]
De benadeelde partij [benadeelde partij 9] heeft een vordering tot schadevergoeding van
€ 16.223,35 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente. De gestelde materiële schade bedraagt € 6.233,35 en bestaat uit kosten voor medische behandelingen en gederfde inkomsten. De gestelde immateriële schade bedraagt € 10.000,00 en bestaat uit schade als gevolg van geestelijk letsel.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering wat betreft de materiële schade kan worden toegewezen tot een bedrag van € 273,73 aan zorgkosten.
Ten aanzien van de gederfde inkomsten acht te officier van justitie de vordering niet-ontvankelijk wegens gebrek aan voldoende onderbouwing. Uit de stukken volgt niet het oorzakelijk verband tussen het ten laste gelegde feit en de ziekte van de benadeelde partij en ook niet dat die ziekte vervolgens de enige reden was om geen nieuw arbeidscontact aan te bieden.
De vordering ten aanzien van de immateriële schade kan geheel worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 10.000,00. Uit de onderbouwing volgt dat gelet op de aard en de ernst van de normschending de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd wat betreft de post zorgkosten eigen risico. De behandeling van de post gederfde inkomsten levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het causaal verband is niet/onvoldoende aangetoond en het is niet eenvoudig vast te stellen of en in hoeverre deze kosten zijn gemaakt in directe relatie tot het bewezen verklaarde feit en om welk concreet bedrag het precies gaat.
Het geestelijk letsel is volgens de verdediging onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om matiging van de immateriële schade.
Oordeel rechtbank
Materiele schade
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen voor de niet vergoede zorgkosten. Het gedeelte van de vordering dat betrekking heeft op gederfde inkomsten verklaart de rechtbank niet-ontvankelijk. Uit de daartoe overgelegde stukken volgt niet een oorzakelijk verband met het ten laste gelegde feit en het nader onderzoek daarnaar levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting op van het strafproces.
Immateriële schade
De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van de immateriële schade toewijzen tot een bedrag van € 5.000,00 en voor de rest niet-ontvankelijk verklaren. De aard en ernst van de normschending brengt in dit geval reeds mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeeldepartij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De benadeelde partij woonde direct naast het huis waar ’s nachts het explosief afging. Naast de traumatische ervaring van brand in/aan de eigen woning, heeft ook deze benadeelde partij eerste hulp verleend aan zijn buurjongen [slachtoffer 1] , die ernstige brandwonden had opgelopen.
Conclusie
De rechtbank zal de vordering wat betreft de materiële schade toewijzen tot een bedrag van
€ 273,73 en wat betreft de immateriële schade tot een bedrag van € 5.000,00.
Dit betekent dat de vordering zal worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 5.273.73, vermeerderd met de wettelijke rente (over een bedrag van € 5.000,00 vanaf 15 december 2024 en over een bedrag van € 273,73 vanaf 20 februari 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
8.11
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 10]
De benadeelde partij [benadeelde partij 10] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 10.375,00 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente.
De gestelde materiële schade bedraagt € 375,00 en bestaat uit zorgkosten eigen risico. De gestelde immateriële schade bedraagt € 10.000 en bestaat uit schade als gevolg van geestelijk letsel.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering wat betreft de materiële schade kan worden toegewezen tot een bedrag van € 375,00, omdat uit de onderbouwing blijkt dat deze schade rechtstreeks voortkomt uit de ten laste gelegde feiten.
Ten aanzien van de immateriële schade is de vordering eveneens worden toewijsbaar tot het gevorderde bedrag van € 10.000,00. Uit de onderbouwing volgt dat gelet op de aard en de ernst van de normschending de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in haar persoon is aangetast.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd wat betreft de materiele schade.
Het geestelijk letsel is onvoldoende onderbouwd zodat de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om matiging van de immateriële schade.
Oordeel rechtbank
Materiele schade
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen voor de niet vergoede zorgkosten.
Immateriële schade
De rechtbank zal de vordering wat betreft de vergoeding van de immateriële schade toewijzen tot een bedrag van € 5.000,00 en voor de rest niet-ontvankelijk verklaren.
De aard en ernst van de normschending brengt in dit geval reeds mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De benadeelde partij woonde direct naast het huis waar ’s nachts het explosief afging. Naast de traumatische ervaring van brand in/aan de eigen woning, heeft de benadeelde partij eerste hulp verleend aan haar buurjongen [slachtoffer 1] , die ernstig brandwonden had opgelopen.
Conclusie
De rechtbank zal de vordering wat betreft de materiële schade toewijzen tot een bedrag van
€ 273,73 en wat betreft de immateriële schade tot een bedrag van € 5.000,00. Dit betekent dat de vordering zal worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 5.375,00 vermeerderd met de wettelijke rente (over een bedrag van € 5.000,00 vanaf 15 december 2024 en over een bedrag van € 375,00 vanaf 11 februari 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
8.12
Alle vorderingen
Anders dan de verdediging heeft betoogd neemt de rechtbank overeenkomstig vaste jurisprudentie de datum van het bewezenverklaarde, schadeveroorzakende feit, te weten 15 december 2024, als datum vanaf welke de wettelijke rente wordt berekend.
In het geval van oplegging van de schadevergoedingsmaatregel is gijzeling gebaseerd op artikel 36f lid 5 Sr. De totale duur van de gijzeling beloopt ten hoogste één jaar. Bij oplegging van meerdere schadevergoedingsmaatregelen zal de rechtbank daarom het aantal dagen gijzeling naar evenredigheid over de maatregelen verdelen.
Voor alle toe te wijzen vorderingen geldt dat de rechtbank zal bepalen dat indien een mededader dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Daarnaast zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de betreffende benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 36f, 38v, 47, 157 Sr.

10.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 en feit 3 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte het onder feit 2 ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
60 (zegge: zestig) maanden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van vijf jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] .
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt één week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel, dadelijk uitvoerbaar is.
Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[slachtoffer 1]geleden schade tot een bedrag van
€ 153.480,55, bestaande uit € 23.480,55 voor de materiële en € 130.000,00 voor de immateriële schade en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag. De materiële schade die betrekking heeft op de medische kosten (€ 1.097,55) en de kosten voor het ziekenhuis en revalidatie (€ 4.636,00) worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij van de toegewezen bedragen, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een medeverdachte (gedeeltelijk) aan de benadeelde partij is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de civiele rechter.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 153.480,55, vermeerderd met de wettelijke rente (over het bedrag van € 130.000,00 vanaf 15 december 2024 en over het bedrag van € 5.733,55 vanaf 1 maart 2025) tot aan de dag der algehele voldoening, bepaalt dat bij gebreke van betaling of verhaal, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 118 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij [slachtoffer 3]
Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van
€ 58.829,31, bestaande uit € 18.829,21 voor de materiële en € 40.000,00 voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente (over een bedrag van € 40.000,00 vanaf 15 december 2024, over een bedrag van € 3.862,16 vanaf 2 februari 2025, over een bedrag van € 1.339,40 vanaf 1 maart 2025 en over een bedrag van € 1.785,00 vanaf 1 mei 2025), tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij van de toegewezen bedragen, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een medeverdachte (gedeeltelijk) aan de benadeelde partij is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de civiele rechter.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer
[slachtoffer 3]de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 58.829,31, vermeerderd met de wettelijke rente (over een bedrag van € 40.000,00 vanaf 15 december 2024, over een bedrag van € 3.862,16 vanaf 2 februari 2025, over een bedrag van € 1.339,40 vanaf 1 maart 2025 en over een bedrag van € 1.785,00 vanaf 1 mei 2025), tot aan de dag der algehele voldoening, bepaalt dat bij gebreke van betaling of verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 82 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[slachtoffer 2]geleden schade tot een bedrag van
€ 40.000,00, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij van de toegewezen bedragen, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een medeverdachte (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de civiele rechter.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 2] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 40.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bepaalt dat bij gebreke van betaling of verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 62 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij [benadeelde partij 4]
Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[benadeelde partij 4]geleden schade tot een bedrag van
€ 138,96, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een medeverdachte (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de civiele rechter.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 4] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 138,96, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, bepaalt dat bij gebreke van betaling of verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 1 dag. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Gehele toewijzing vordering benadeelde partij [benadeelde partij 5]
Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[benadeelde partij 5]geleden schade tot een bedrag van
€ 5.849,00, bestaande uit € 849,00 voor de materiële en € 5.000,00 voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente (over een bedrag van € 5.000,00 vanaf 15 december 2024 en over een bedrag van € 849,00 vanaf 3 januari 2025), tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij van de toegewezen bedragen, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een medeverdachte (gedeeltelijk) aan de benadeelde partij is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 5] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 5.849,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag (over een bedrag van € 5.000,00 vanaf 15 december 2024 en over een bedrag van € 849,00 vanaf 3 januari 2025), tot aan de dag der algehele voldoening, bepaalt dat bij gebreke van betaling of verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 18 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Gehele toewijzing vordering benadeelde partij [benadeelde partij 6]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van
€ 5.613,29, bestaande uit € 613,29 voor de materiële en
€ 5.000,00 voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente (over een bedrag van € 5.000,00 vanaf 15 december 2024 en over een bedrag van € 613,29 vanaf 2 juni 2025) tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij van de toegewezen bedragen, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een medeverdachte (gedeeltelijk) aan de benadeelde partij is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 6] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 5.613,29, vermeerderd met de wettelijke rente (over een bedrag van € 5.000,00 vanaf 15 december 2024 en over een bedrag van € 613,29 vanaf 2 juni 2025) tot aan de dag der algehele voldoening, bepaalt dat bij gebreke van betaling of verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 18 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Gehele toewijzing vordering benadeelde partij [benadeelde partij 7]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van
€ 5.000,00, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een medeverdachte (gedeeltelijk) aan de benadeelde partij is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 7] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 5.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bepaalt dat bij gebreke van betaling of verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 16 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Gehele toewijzing vordering benadeelde partij [benadeelde partij 8]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van
€ 5.000,00, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een medeverdachte (gedeeltelijk) aan de benadeelde partij is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 8] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 5.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bepaalt dat bij gebreke van betaling of verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 16 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij [benadeelde partij 9]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van
€ 5.273,73, bestaande uit € 273,73 voor de materiële en
€ 5.000,00 voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente (over een bedrag van € 5.000,00 vanaf 15 december 2024 en over een bedrag van € 273,73 vanaf 20 februari 2025) tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij van de toegewezen bedragen, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een medeverdachte (gedeeltelijk) aan de benadeelde partij is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de civiele rechter.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 9] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 5.273,73, vermeerderd met de wettelijke rente (over een bedrag van € 5.000,00 vanaf 15 december 2024 en over een bedrag van € 273,73 vanaf 20 februari 2025) tot aan de dag der algehele voldoening, bepaalt dat bij gebreke van betaling of verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 17 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Gedeeltelijk toewijzing vordering benadeelde partij [benadeelde partij 10]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van
€ 5.375,00, bestaande uit € 375,00 voor de materiële en € 5.000,00 voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente (over een bedrag van € 5.000,00 vanaf 15 december 2024 en over een bedrag van
€ 375,00 vanaf 11 februari 2025) tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij van de toegewezen bedragen, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een medeverdachte (gedeeltelijk) aan de benadeelde partij is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de civiele rechter.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 10] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 5.375,00, vermeerderd met de wettelijke rente (over een bedrag van € 5.000,00 vanaf 15 december 2024 en over een bedrag van € 375,00 vanaf 11 februari 2025) tot aan de dag der algehele voldoening, bepaalt dat bij gebreke van betaling of verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 17 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.M.C. de Haan, voorzitter,
mrs. I.A.M. Tel en A. Talmricht, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier J.A. Huismans,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 juli 2026.
mr. Tel is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.